Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:444

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen tot het juiste bedrag vastgesteld.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor het jaar 2015 anders te oordelen.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het forfaitaire stelsel van box 3 voor hem leidt tot een individuele, buitensporig zware last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/294
V-N 2017/15.12 met annotatie van Redactie
FutD 2017-0372 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/842 met annotatie van mr. E. Alink RB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/7206

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

25 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 17 augustus 2016 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 2 juli 2004 gehuwd met [persoon 3] . Het vermogen van eiser bestond in de onderhavige periode uit bank- en spaartegoeden.

2. Aan eiser is met dagtekening 28 mei 2016 voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV (de aanslag) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.013 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.208.

3. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

4. De waarde van de bank- en spaartegoeden van eiser vóór aftrek van het heffingsvrij vermogen, de rente die hierop is ontvangen en de door eiser betaalde belasting kan met betrekking tot de afgelopen zeven jaren als volgt worden gespecificeerd:

Belastingjaar

Saldo

Ontvangen rente

Betaalde belasting

2009

€ 484.587

€ 18.553

€ 5.421

2010

€ 409.442

€ 9.474

€ 4.711

2011

€ 412.228

€ 8.282

€ 4.273

2012

€ 412.635

€ 9.900

€ 4.452

2013

€ 411.847

€ 10.343

€ 4.444

2014

€ 397.873

€ 6.077

€ 4.436

2015

€ 320.453

€ 4.628

€ 4.262

5. In geschil is het antwoord op de vraag of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist is vastgesteld. De hoogte van het box 3-vermogen over het onderhavige jaar alsmede de daarop ontvangen rente en de daarover betaalde belasting is tussen partijen niet in geschil.

6. Eiser stelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld, omdat het spaarsaldo geen rendement van vier percent heeft opgeleverd. Volgens eiser dient aangesloten te worden bij het daadwerkelijk behaalde rendement. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling financiële jaaroverzichten van de ABN AMRO Bank en ING Bank overgelegd. Eiser meent dat verweerder misbruik maakt van zijn bevoegdheid door het rendement uit sparen en beleggen te stellen op vier percent van de rendementsgrondslag, omdat verweerder heel goed in staat is het werkelijk rendement te belasten gelet op de aard van zijn vermogen en de gegevens waarover de Belastingdienst beschikt. De rechtbank begrijpt voorts uit hetgeen eiser heeft aangevoerd dat hij de vermogensrendementsheffing van box 3 in strijd acht met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist is vastgesteld.

8. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt, op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, gesteld op vier percent (forfaitair rendement) van de grondslag uit sparen en beleggen voor zover de grondslag sparen en beleggen aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. De bewuste keuze van de wetgever voor een forfaitaire rendementsheffing, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de stelling van eiser dat verweerder misbruik maakt van zijn bevoegdheid en tegen beter weten in handelt, faalt. Naar het oordeel van de rechtbank is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dan ook tot het juiste bedrag vastgesteld. Niet relevant is dan ook dat de Belastingdienst in staat zou zijn in het geval van eiser het werkelijk rendement te belasten, nu de wetgever daarvoor niet heeft gekozen.

9. Voor zover eiser stelt dat de vermogensrendementsheffing van box 3 in strijd is met artikel 1 van het EP bij het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812 geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 niet in strijd is met artikel 1 van het EP bij het EVRM. Op 4 februari 2016 heeft A-G Niessen desalniettemin in een vergelijkbare zaak conclusie genomen (ECLI:NL:PHR:2016:41). In het daarop gewezen arrest van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129 heeft de Hoge Raad voorgaand oordeel bevestigd en - voor zover hier van belang - geoordeeld:

“2.4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.” (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

2.5.1.

De onderhavige procedure betreft de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011. In het zojuist genoemde arrest BNB 2015/174 inzake de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2010 was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers toen niet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010."

9.1

Uit rechtsoverweging 2.5.1 van voornoemd arrest volgt dat op het niveau van de regelgeving voor het jaar 2011 geen sprake is van schending van artikel 1 van het EP bij het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is de vermogensrendementsheffing van box 3 op het niveau van de regelgeving ook voor het jaar 2015 niet in strijd met artikel 1 van het EP. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit voormelde arresten volgt dat voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel beneden vier procent van de waarde van het daarin geïnvesteerde bedrag blijft, zoals voor het rendement op spaartegoeden sinds enige tijd het geval is, maar dat bepalend is of voor de belastingplichtigen het forfaitaire rendement van vier procent van het totale box 3-vermogen over een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is. Daarnaast valt uit het onderzoek, dat in het kader van de per 1 januari 2017 ingaande herziening van de box 3-heffing is gedaan naar de rendementen op spaartegoeden, aandelen, obligaties en onroerende zaken over een lange reeks van jaren, op te maken dat het gemiddelde rendement op het totale box 3-vermogen weinig afwijkt van het tot dan toe gehanteerde forfaitaire rendement van 4 percent (vgl. Memorie van Toelichting Belastingplan 2016, Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3, blz. 9 e.v.). Eiser heeft onvoldoende gesteld om het tegendeel aannemelijk te kunnen achten.

9.2

Naast het voorgaande dient in ogenschouw te worden genomen dat, gelet op de verhouding tussen de rechter en de wetgever, de (kennelijke) keuze(s) van de wetgever om de box 3-heffing de eerste jaren niet aan te passen hoewel bijvoorbeeld de (reële) rente op Nederlandse staatsobligaties vanaf een bepaald moment lager werd dan 4%, valt binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid, nu immers het percentage van 4 is gebaseerd op een lange-termijnveronderstelling en niet op een korte-termijnveronderstelling (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2017:67). Het valt dan naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever dat hij - mede gelet op hetgeen onder 9.1 is overwogen en gelet op het onderzoek in het kader van de herziening van de box-3 heffing per 1 januari 2017 - pas met ingang van 2017 tot wijziging van de box 3-heffing is overgegaan in die zin dat (de hoogte van) het forfaitair rendement vanaf dat moment afhangt van de aard en omvang van de vermogensbestanddelen.

9.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voorts niet aannemelijk gemaakt dat het forfaitaire stelsel van box 3, mede gelet op het toepasselijke tarief, voor hem leidt tot een individuele, buitensporig zware last. Ter beoordeling daarvan acht de rechtbank de omvang van het heffingvrije vermogen niet relevant omdat gekeken moet worden naar het rendement in verhouding tot de betaalde belasting. Onder verwijzing naar overweging 10.11 van de conclusie van A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2016:41, overweegt de rechtbank voorts dat de door eiser ontvangen rente feitelijk de betaalde belasting niet overschrijdt, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat om een individuele buitensporige last aan te nemen. Gelet op de omstandigheid dat in het verleden meer dan vier percent rendement is behaald, is ook op langere termijn bezien geen sprake van een individuele buitensporige last. Andere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de belastingheffing voor eiser een zodanige last vormt, zijn niet gebleken.

10. Voor zover eiser meent dat de wettelijke regeling onredelijk en onbillijk is, overweegt de rechtbank dat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde of billijkheid van formele wetgeving te toetsen. Ook in zoverre faalt het beroep.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.