Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:434

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6483
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek om openbaarmaking van correspondetie tussen het ministerie van EZ en de Europese Commissie over derogatie van de Nitraatrichtlijn deels afgewezen in het belang van de betrekkingen van Nederland met de Europese Commissie. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 11
Wet openbaarheid van bestuur 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/6483

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

en

De staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. J.H. Keinemans en mr. R. Molendijk)

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres om krachtens artikel 3 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) documenten openbaar te maken gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 13 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2016.

Namens eiseres is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 5 januari 2016 heeft eiseres verzocht de volledige correspondentie tussen het ministerie van Economische Zaken (hierna: het ministerie) en de Europese Commissie (hierna: de EC) aangaande de aanvraag voor derogatie van de Nitraatrichtlijn voor de periode 2014-2017 te openbaren. Eiseres heeft hierbij toegelicht dat het gaat om brieven/e-mails tussen het ministerie en de EC, nota’s van derogatieverzoeken, verslagen van overleg en vergaderingen. Verweerder heeft aangegeven dat er 27 documenten bestaan die onder de omschrijving van eiseres vallen. Verweerder heeft document nr. 2 gedeeltelijk openbaar gemaakt. Document 4 is al openbaar. De overige documenten (1, 3, 5-27) heeft verweerder geweigerd openbaar te maken.

1.2.

Verweerder heeft geweigerd een deel van document nr. 2, en de documenten 5-10, 12, 13 en 15-27 openbaar te maken omdat het belang van verstrekken hiervan volgens hem niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met de Europese Commissie. Hij verwijst hierbij onder meer naar de aard en inhoud van de gevraagde stukken en naar de brief van de ministers van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 10 april 2015 (Kamerstukken 2014/15, 34 023, nr. 9). Verweerder heeft geweigerd een deel van document nr. 2, en de documenten 6-10, 12, 13 en 15-27 openbaar te maken omdat het belang van verstrekken hiervan volgens hem niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De documenten bevatten immers de namen van ambtenaren. Verweerder heeft geweigerd document nr. 1, een deel van document nr. 2, 3, 5, 10, 11, 13, 14 en 19 openbaar te maken omdat deze persoonlijke beleidsopvattingen bevatten.

3. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de betrekkingen van Nederland met de EC in het geding zijn. Zij stelt dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de EC de gevraagde stukken niet openbaar wil maken. De enkele verwijzing naar de brief van de ministers van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken van 10 april 2015 is onvoldoende. In het kader van het beroep van verweerder op de persoonlijke levenssfeer, voert eiseres aan dat een beroep daarop in beginsel niet mogelijk is wanneer het gaat om informatie over het beroepsmatig handelen van ambtenaren. Verweerder heeft ten onrechte niet de mogelijkheid onderzocht om de stukken geanonimiseerd te verstrekken. Ten slotte betoogt eiseres met betrekking tot het beroep verweerder op persoonlijke beleidsopvattingen dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom openbaarmaking van geanonimiseerde, samengevatte of tot feiten beperkte versie niet mogelijk was.

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob, voor zover thans van belang, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 10, tweede lid van de Wob blijkt het vertrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties.

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Met betrekking tot de weigering van verweerder om een deel van document nr. 2, en de documenten 5-10, 12, 13 en 15-27 niet openbaar te maken, met het oog op het belang van de betrekkingen van Nederland met de EC, overweegt de rechtbank als volgt.

5.1.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling, zie bijvoorbeeld de door verweerder aangehaalde uitspraken van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4737 en van 10 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7635) wordt blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz 34) met de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob beoogd te voorkomen dat de wettelijke plicht tot het verstrekken van informatie tot gevolg zou hebben dat de Nederlandse internationale betrekkingen schade zouden kunnen lijden. Voor toepassing van deze bepaling is voldoende dat men als gevolg van het verschaffen van informatie voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Deze concreetheid kan er uit bestaan dat aan Nederland uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dat op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende documenten wordt gerekend, aldus de wetsgeschiedenis. Uit voormelde uitspraak van 16 februari 2011 volgt voorts dat uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf kan volgen dat die voor de andere staat of internationale organisatie vertrouwelijk is.

5.1.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft volstaan met verwijzing naar de brief van de ministers van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken van 10 april 2015, waarin is vermeld dat correspondentie met de EC niet openbaar wordt gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook een afweging gemaakt tussen het belang van verstrekken van informatie en het risico van schade aan de betrekkingen met de EC. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld, zien de stukken op de onderhandelingen tussen Nederland en de EC met het oog op derogatie van de Nitraatrichtlijn. De omstandigheid dat in dit geval, anders dan het geval was in voormelde uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011, sprake is van afgeronde onderhandelingen, acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang. Verweerder heef zich in dit kader in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu openbaarmaking van de gevraagde stukken ook voor andere lidstaten inzichtelijk maakt welke concessies de EC heeft gedaan voor Nederland, zij hiervan gebruik kunnen maken in toekomstige onderhandelingen met de EC, wat schadelijk is voor de onderhandelingspositie van de EC en Nederland. Ten aanzien van de onderhandelingspositie van Nederland heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat elke vier jaar opnieuw onderhandelingen gevoerd worden over derogatie van de Nitraatrichtlijn. Verweerder heeft erop gewezen dat inzicht in het onderhandelingsverloop ook tot gevolg kan hebben dat lidstaten anders zullen stemmen bij een volgende derogatieaanvraag van Nederland. De rechtbank is na kennisneming van de inhoud van de stukken van oordeel dat verweerder hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom in redelijkheid het belang van de internationale betrekkingen zwaarder dient te wegen dan het belang van eiseres bij het verstrekken van de gegevens. Gelet op de hierboven weergegeven jurisprudentie van de Afdeling heeft verweerder zich met voormelde motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf volgt dat die voor de EC vertrouwelijk is. De verwijzing van eiseres ter zitting naar Handelingen TK nr. 65, item 4, waarin ten aanzien van openbaarmaking van stukken die in het diplomatieke verkeer zijn gewisseld over de naheffing in het kader van de Europese begroting wordt opgemerkt dat de EC een eigen opvatting heeft over openbaarmaking, is in het licht van hetgeen hiervoor specifiek over onderhandelingen in het kader van derogatie van de Nitraatrichtlijn is overwogen onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dus geen contact met de EC hoefde op te nemen.

5.2.

Verweerder heeft geweigerd document nr. 1, een deel van document nr. 2, 3, 5, 10, 11, 13, 14 en 19 openbaar te maken omdat deze stukken zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en deze persoonlijke beleidsopvattingen bevatten.

5.2.1.

De rechtbank is, na kennisneming van de inhoud van de (gedeeltelijk) niet verstrekte stukken, van oordeel dat verweerder deze stukken terecht heeft aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad waarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn vervat. De rechtbank is voorts van oordeel, mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.1.2. is overwogen, dat verweerder zich redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet gehouden was gebruik te maken van de in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid om informatie te verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm, nu deze documenten van belang zijn voor voorbereidingen voor onderhandelingen met de EC. De rechtbank acht dit standpunt voldoende gemotiveerd.

5.3.

Ten aanzien van de weigering van verweerder om een aantal stukken niet, of slechts gedeeltelijk, openbaar te maken met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift toegelicht dat de grondslag voor de weigering om de documenten 2, 6-10, 12, 13 en 15-27 (volledig) openbaar te maken, voornamelijk is gelegen in het beschermen van het belang van de goede betrekkingen tussen Nederland en de Europese Commissie. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.1.2. en 5.2.1 is overwogen, heeft verweerder reeds op die grond in redelijkheid kunnen weigeren voormelde documenten openbaar te maken. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de vraag of verweerder openbaarmaking van de documenten ook met het oog op bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft kunnen weigeren.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.