Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4240

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6788
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1402, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, herhaalde asielaanvraag, Paposhvili, uitzetting niet in strijd met 3 EVRM, inreisverbod ten onrechte verhoogd naar vijf jaar.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/6788

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet‑ontvankelijk verklaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser voorts een inreisverbod van vijf jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 en 19 april 2017.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en is burger van Kosovo.

2. Bij besluit van 20 augustus 2016 heeft verweerder een eerdere asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Bij uitspraak van 19 september 2016 van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, is deze beschikking onherroepelijk geworden.

Eiser heeft op 15 september 2016 en 6 oktober 2016 asiel gevraagd in onderscheidenlijk België en Luxemburg. Op 8 februari 2017 is eiser, na overname van de Luxemburgse autoriteiten, overgebracht en opgehouden. Eiser heeft op 15 februari 2017 te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. In het gehoor opvolgende aanvraag heeft hij te kennen gegeven medisch onderzocht en behandeld te willen worden en dat hij daarna vrijwillig zal terugkeren naar het land van herkomst.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat eiser geen nieuw gebleken elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd die aanleiding geven tot een ander oordeel dan is verwoord in het eerdere besluit van 20 augustus 2016. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser geen concrete verklaringen heeft afgelegd en hij zijn stellingen dat hij hepatitis C heeft en het bloedonderzoek wil afwachten en dat zijn gezondheid bij terugkeer naar het land van herkomst zal verslechteren, dan wel dat hij bij terugkeer in staat is zelfmoord te plegen, niet met stukken heeft onderbouwd. Eiser heeft geen medische informatie overgelegd en verweerder is niet bevoegd deze zonder toestemming van eiser op te vragen. Verder heeft verweerder overwogen dat verweerder bij een herhaalde aanvraag niet ambtshalve beoordeelt of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Eiser dient zelf een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Ook wordt in het geval van een herhaalde aanvraag niet bezien of eiser in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw, aldus verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder voorts een inreisverbod voor de duur van vijf jaar opgelegd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser in Nederland heeft verbleven terwijl reeds een inreisverbod voor de duur van 2 jaar van kracht was.

Ten aanzien van de asielaanvraag.

4. Eiser heeft ter zitting te kennen gegeven dat zijn beroep ziet op de vraag of eiser, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 13 december 2016 (Paposhvili v. België, zaaknummer 41738/10, www.echr.coe.int; hierna: arrest Paposhvili), gelet op zijn medische omstandigheden bij uitzetting naar Kosovo te vrezen heeft voor een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Voorts betoogt eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of artikel 64 van de Vw aan uitzetting van eiser in de weg staat. Het gaat, anders dan verweerder heeft gesteld, niet om een ambtshalve beoordeling, nu eiser zelf om toetsing aan artikel 64 van de Vw heeft verzocht, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet‑ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5.2

Verweerder heeft in reactie op de in beroep overgelegde stukken gesteld dat hieruit niet volgt dat sprake is van dusdanige uitzonderlijke omstandigheden dat op grond van deze stukken aannemelijk is geworden dat eiser te vrezen heeft voor een artikel 3 EVRM schending.

5.3

Uit het arrest Paposhvili volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan voorheen, ook in gevallen waarin iemand niet binnen korte tijd komt te overlijden onder omstandigheden sprake kan zijn van schending van artikel 3 van het EVRM. Het gaat dan om een ernstig ziek persoon die wordt uitgezet naar een land waar de benodigde medische behandeling niet aanwezig is, dan wel feitelijk niet toegankelijk is voor de betreffende persoon, en die persoon door het uitblijven van de benodigde medische behandeling wordt blootgesteld aan een serieuze, snelle en niet omkeerbare verslechtering van diens gezondheid resulterend in intens lijden dan wel een significante verkorting van diens levensverwachting. Verder overweegt het EHRM dat de bewijslast voor het aannemen van een reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM bij de vreemdeling ligt.

5.4

Eiser heeft in beroep een aantal medische stukken overgelegd, zoals een uittreksel van zijn medisch dossier en een brief van 6 april 2017 van huisarts T. Vuijk, waarin door de huisarts antwoord wordt gegeven op door de gemachtigde van eiser gestelde vragen.

In het uittrekstel van zijn medisch dossier staat vermeld dat eiser chronische hepatitis C en afwijkende leverwaarden heeft, kiespijn heeft en last heeft van obstipatie. In de brief van de huisarts staat onder punt 4 over de ingezette behandeling het volgende vermeld:

Met betrekking tot de alcoholverslaving is vitamine suppletie gestart, er is geen sprake van onttrekkingsklachten op dit moment. Verder onderzoek is nodig naar de oorzaak van de leverenzym stijging in het bloed. Dit kan het gevolg zijn van de hepatitis C infectie of van alcoholgebruik in het verleden. In het geval van verregaande leverschade in de vorm van cirrose kan het betekenen dat behandeling van hepatitis C noodzakelijk is om het proces te stoppen. De behandeling kan tot een jaar duren en is afhankelijk van verschillende factoren die worden beoordeeld door een maag- darm- leverspecialist. Op dit moment is uw cliënt nog niet verwezen omdat eventuele behandeling nu niet mogelijk wordt geacht in verband met de verwachte korte verblijfsduur van [eiser] in Nederland. Mocht de verblijfsduur langer zijn, dan kan hij verwezen worden voor meer onderzoek om te kunnen bepalen of hij in aanmerking komt voor behandeling van hepatitis C.

5.5

Met de door hem overgelegde medische stukken heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een ernstig ziek persoon is dan wel dat hij bij uitzetting naar Kosovo wordt blootgesteld aan een serieuze, snelle en niet omkeerbare verslechtering van diens gezondheid resulterend in intens lijden dan wel een significante verkorting van diens levensverwachting. Van een schending van artikel 3 van het EVRM in verband met zijn medische situatie bij uitzetting is derhalve niet gebleken. Voor zover de medische omstandigheden kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen, stelt de rechtbank dan ook vast dat deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

5.6

Voorts heeft verweerder zich, gelet op artikel 6.1e, eerste lid, van de Vb, terecht op het standpunt gesteld dat hij niet gehouden was artikel 64 van de Vw te betrekken bij de beoordeling van eisers herhaalde aanvraag. Voor beoordeling of artikel 64 van de Vw van toepassing is, staat een afzonderlijke procedure open.

Ten aanzien van het inreisverbod.

6. Eiser betoogt voorts dat verweerder ten onrechte het aan hem opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar in het bestreden besluit heeft verhoogd naar vijf jaar. Volgens eiser heeft hij het inreisverbod niet overtreden. Zolang hij nog in Nederland verbleef is het inreisverbod nog niet in werking getreden en voor zover hij na zijn vertrek door Luxemburg is overgedragen aan Nederland, kan die overtreding van het inreisverbod hem niet worden verweten. Hij is immers niet uit vrije wil Nederland ingereisd, aldus eiser.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1

Ingevolge artikel 66a, tweede lid, van de Vw kan de minister een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.

Ingevolge artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, van het Vb bedraagt de duur van het inreisverbod, in afwijking van het eerste tot en met het derde lid, ten hoogste vijf jaren, indien het een vreemdeling betreft die zich op het grondgebied van Nederland heeft begeven terwijl een inreisverbod van kracht was.

Ingevolge artikel 1.3 van het Vb wordt onder meer in artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, onder ‘Nederland’ mede verstaan: de tot het Schengengebied behorende grondgebieden van andere staten.

7.2

De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder ten onrechte de duur van het inreisverbod op grond van artikel 6.5a, vierde lid, aanhef en onder d, van de Vb heeft verhoogd tot vijf jaar. Eiser is immers niet opnieuw het Schengengebied ingereisd terwijl een inreisverbod van kracht was, maar verbleef al op dat grondgebied sinds de uitvaardiging van het vorige inreisverbod. Dit betekent dat eiser niet vanuit een ander land, buiten het Schengengebied, Nederland is binnengekomen terwijl een inreisverbod van kracht was. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 6.5a, vierde lid, onder d, van het Vb 2000 is daarom naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2017, (ECLI:NL:RBAMS:2017:2130).

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat ziet op het inreisverbod voor de duur van vijf jaar. De rechtbank zal het bestreden besluit voor het overige in stand laten.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het inreisverbod;

  • -

    laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.