Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:415

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
5394286 RL EXPL 16-26510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur. Windturbines inbreuk op huurgenot?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/164
WR 2017/63
mr. I. Brinkman, mr. L. Baljon en mr. drs. C. van der Woude annotatie in NTE 2017/19, UDH:NTE/14197

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

CB

Rolnr.: 5394286 RL EXP 16-26510

17 januari 2017

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap Delta Park Neeltje Jans B.V.,
gevestigd te Veere en kantoorhoudende te Haamstede,

eisende partij,

gemachtigde: mr. S.J. van Leeuwen (Holland Van Gijzen),


tegen

de rechtspersoon naar de wet De Staat der Nederlanden

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

gedaagde partij,

gemachtigde: mevr. mr. M.F. Mesu-Abbekerk (Pels Rijcken).

Partijen worden aangeduid als “Neeltje Jans” en “de Staat”.

1 Het procesverloop

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 23 juni 2016, met 17 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 17 augustus 2016, met 18 producties;

  • -

    het verwijzingsvonnis van team handel van deze rechtbank van 21 september 2016

  • -

    de akte aan de zijde van de Staat van 2 december 2016, met 17 producties, (eveneens) genummerd 1 tot en met 17.

  • -

    de brief met aanvullende producties aan de zijde van Neeltje Jans van 8 december 2016, met 7 producties, nummers 18 tot en met 24;

1.2

Op 9 december 2016 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarbij is namens Neeltje Jans verschenen de heer [AH] , alsmede de gemachtigde van Neeltje Jans, samen met mr. P. Schipper, en is namens de Staat verschenen de heer [PK] alsmede de gemachtigde van de Staat, samen met mr. R.J. Aarts. Van het verhandelde ter comparitie van partijen zijn door de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Van de zijde van de Staat zijn twee notities gebruikt, een met civielrechtelijke aspecten, een met publiekrechtelijke aspecten. Een schikking is niet bereikt.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Neeltje Jans is de exploitant van het themapark Delta Park Neeltje Jans. Het themapark is gevestigd op het voormalig werkeiland Neeltje Jans in de Oosterscheldedam, dat eigendom is van de Staat. De terreinen, waarop het themapark gevestigd is huurt Neeltje Jans van de Staat. Kleinere delen van het themapark heeft Neeltje Jans in erfpacht en ook heeft Neeltje Jans op kleinere delen een gebruiksrecht.

2.2

Het attractiepark bestaat uit diverse gebouwde attracties, die verspreid zijn over het bij Neeltje Jans in gebruik zijnde terrein. Het attractiepark is een belangrijke toeristische trekpleister in de provincie Zeeland met ongeveer 300.000 bezoekers per jaar.

2.3

Windpark OSK B.V. (hierna: ‘OSK’) is voornemens op het werkeiland Neeltje Jans het windpark ‘Bouwdokken’ te realiseren. Dit windpark zal bestaan uit een negental windturbines. Een tweetal windturbines (nummers 8 en 9) zal direct in de nabijheid van het attractiepark worden gerealiseerd. De windturbines zullen een masthoogte hebben van 117 meter en de toppen van de rotors zullen een hoogte bereiken van ongeveer 175 meter.

2.4

De bouw van het windpark is door de gemeente Veere mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan “Neeltje Jans” en in verband met de bouw zijn verschillende milieuvergunningen afgegeven. Teneinde de bouw van de windturbines te kunnen realiseren is ook een vergunning van de eigenaar van de ondergrond, de Staat, noodzakelijk.

3 De vordering

3.1

Neeltje Jans verzoekt bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: (A.) het de Staat te verbieden privaatrechtelijke toestemming te geven en/of enig (beperkt- en/of zakelijk) genots- of gebruiksrecht te vestigen op het terrein van het Themapark, voor zover het geven van die toestemming en/of het vestigen van dat (beperkt) zakelijk recht de strekking heeft OSK of een ander toe te staan of mogelijk te maken een windturbine te realiseren, te behouden, te exploiteren en te onderhouden; (B.) het de Staat te verbieden privaatrechtelijke toestemming te geven en/of enig (beperkt- en/of zakelijk) genot- of gebruiksrecht te vestigen op enig terrein gelegen direct naast het Themapark, voor zover het geven van die toestemming en/of het vestigen van dat (beperkt) zakelijk recht de strekking heeft het OSK of een ander toe te staan of mogelijk te maken een windturbine te realiseren, te behouden, te exploiteren en te onderhouden; (C.) de Staat te veroordelen Neeltje Jans een dwangsom te betalen van € 1.000.000,00 per keer dat de Staat niet aan onder A. en/of B. verzochte veroordeling voldoet.

Indien de Staat voorafgaand aan dit vonnis de onder A. en/of B. bedoelde privaatrechtelijke toestemming heeft verleend dan wel enig (beperkt) zakelijk recht heeft gevestigd op het terrein dat exclusief in gebruik is bij Neeltje Jans, dan verzoekt Neeltje Jans bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, (D.) de Staat te veroordelen, binnen veertien dagen na dit vonnis, de privaatrechtelijke toestemming in te trekken en er zorg voor te dragen dat de gevestigde en/of verstrekte rechten, voor zover noodzakelijk via een notaris, worden beëindigd of opgeheven en, voor zover noodzakelijk, administratief worden doorgehaald in het Kadaster; (E.) de Staat te veroordelen Neeltje Jans een dwangsom te betalen van € 50.000,00 per dag indien de Staat niet aan de onder D. verzochte veroordeling voldoet; (F.) te verklaren voor recht dat de Staat onrechtmatig tegenover Neeltje Jans heeft gehandeld en de Staat aansprakelijk is voor de door Neeltje Jans geleden schade en deze schade op te maken bij staat en te vereffenen op grond van de wet.

Ten aanzien van de proceskosten verzoekt Neeltje Jans (G.) de Staat te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van Neeltje Jans, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; en (H.) de Staat te veroordelen in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de wettelijke explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van acht dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening.

3.2

Neeltje Jans legt aan deze vordering -zeer verkort samengevat- ten grondslag dat de Staat door toestemming te verlenen op of zeer in de nabijheid van door Neeltje Jans gehuurde of anderszins in gebruik zijnde terreinen op het voormalig werkeiland Neeltje Jans in de Oosterscheldedam windturbines te plaatsen inbreuk maakt op het huurrecht van Neeltje Jans en de Staat schiet daardoor toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen jegens Neeltje Jans.

4 Het verweer

4.1

De Staat voert verweer tegen de vordering van Neeltje Jans. Voor zover relevant zal het verweer van de Staat hierna aan de orde komen.

5 De beoordeling

5.1

De grondslag van de onderhavige vordering van Neeltje Jans is toerekenbare tekortkoming van de Staat van haar verplichtingen als verhuurder ten opzichte van Neeltje Jans, doordat het toestemming geven tot het plaatsen van de windturbines aan OSK een onaanvaardbare inbreuk maakt op het huurrecht, in het bijzonder op het huurgenot van Neeltje Jans.

5.2

Daartoe dient eerst te worden vastgesteld of en in hoeverre het verlenen van toestemming tot de bouw van de windturbines door de verhuurder (de Staat) aan een derde (OSK), die de windturbines zal gaan exploiteren, inbreuk kan maken op een huurgenot van de huurder (Neeltje Jans).

5.3

Neeltje Jans exploiteert op het voormalig werkeiland Neeltje Jans in de Oosterscheldedam een attractiepark: Delta Park Neeltje Jans. Uit de kaart die als Productie 2 bij dagvaarding is gevoegd blijkt dat Neeltje Jans een gebied A van 1,3217 ha in erfpacht van de Staat gekregen heeft en twee gebieden, B en D, van in totaal 10,5589 ha in huur heeft. Daarnaast heeft zij nog enkele (kleinere) gedeelten in gebruik gekregen van de Staat, maar over de omvang daarvan verschillen partijen van mening. Uit het voorgaande vloeit voort dat Neeltje Jans voor haar exploitatie overwegend afhankelijk is van het terrein dat zij in huur heeft van de Staat.

5.4

Neeltje Jans heeft betoogd dat één van de twee windturbines, waartegen haar bezwaren zich richten, windturbine nr. 9, geplaats zal worden op een terrein dat Neeltje Jans in gebruik van de Staat heeft gekregen, ondanks dat dat gebruiksrecht niet schriftelijk is vastgelegd. Op het betreffende terrein zou Neeltje Jans, met toestemming van de Staat, een dijktuin exploiteren en als tegenprestatie zou zij het onderhoud aan het talud plegen. De Staat betoogt echter dat de dijktuin door Rijkswaterstaat is aangelegd en dat Rijkswaterstaat bovendien het terrein nodig heeft voor het onderhoud aan de zeewering. Voor zover al een gebruiksrecht zou zijn gevestigd, is dat recht gemakkelijk opzegbaar.

5.5

De kantonrechter verwerpt de stelling van Neeltje Jans dat zij een gebruiksrecht heeft op het terrein, waarop windturbine 9 gebouwd zou moeten worden. De Staat heeft voldoende weersproken dat er, zelfs maar mondeling of stilzwijgend, een gebruiksrecht op dat terrein zou zijn gevestigd. En het feit dat bezoekers van het attractiepark zich op dat terrein kunnen bevinden om de dijktuin te bezichtigen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om van een gebruiksrecht van Neeltje Jans ten aanzien van dat terrein te kunnen spreken. Daarmee staat vast dat windturbine 9 niet op een terrein dat in gebruik is bij Neeltje Jans zal worden gebouwd. Daarmee is ook reeds het in de dagvaarding onder A. gevorderde niet voor toewijzing vatbaar en dat gedeelte van de eis zal daarom worden afgewezen.

5.6

Het gevolg van de voorgaande conclusie is dat beide windturbines 8 en 9 buiten het terrein dat in huur dan wel erfpacht of gebruik bij Neeltje Jans is zullen worden gebouwd. Onweersproken staat echter vast dat beide windturbines zodanig dicht bij het terrein van Neeltje Jans zullen worden gerealiseerd, dat er effecten merkbaar zullen zijn op het terrein van het attractiepark. Dat er effecten merkbaar zullen zijn wordt ook niet door de Staat weersproken, zij het dat de Staat deze effecten niet van dien aard acht, dat sprake is van inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans.

5.7

Welke negatieve effecten zullen (kunnen) optreden zal hierna aan de orde komen. Eerst zal de kantonrechter oordelen dat van inbreuk op een huurgenot sprake kan zijn, ook indien de negatieve effecten worden veroorzaakt door oorzaken buiten het gehuurde. De Hoge Raad heeft namelijk in zijn uitspraak van 27 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV7337) beslist dat niet enkel de stoffelijke toestand van de (gehuurde) zaak tot genotsbeperking kan leiden, maar dat ook tot een gebrek dienen te worden gerekend ‘onstoffelijke’ eigenschappen, zoals bijvoorbeeld bereikbaarheid, toegankelijkheid en uitstraling. In deze procedure voert Neeltje Jans aan dat de bouw van de windturbines zal leiden tot hinder in de vorm van geluid, trillingen en slagschaduwvorming door de turbines, tot gevaarzetting en tot omzetverlies doordat het formaat van de turbines zodanig fors is dat mogelijke bezoekers van een bezoek aan het attractiepark zullen worden afgeschrikt. De kantonrechter is van oordeel dat deze effecten, mits van voldoende ernstige aard, tot aantasting van het huurgenot van Neeltje Jans aanleiding kunnen geven.

5.8

Naar het oordeel van de kantonrechter kan ook sprake zijn van inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans, indien het niet de Staat zelf is die de hinderlijke effecten veroorzaakt, maar een derde, zoals in dit geval OSK. Het is immers de Staat, die vergunning verleent aan OSK juist met het oogpunt tot het oprichten en exploiteren van de windturbines, die zoals hiervoor is overwogen, tot inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans aanleiding kunnen geven. Het verlenen van een vergunning met juist dat doel kan derhalve inbreuk maken op het huurgenot dat de Staat aan Neeltje Jans op grond van de huurovereenkomsten heeft te verschaffen.

5.9

De vraag die hierna derhalve dient te worden beantwoord is of deze effecten van zodanig ernstige aard zijn dat zij inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans opleveren. Het is juist op de beoordeling van de ernst van de effecten dat partijen uiteen liggen.

5.10

Voordat die beoordeling kan plaatsvinden, zal de kantonrechter echter eerst ingaan op een verstrekkend verweer van de Staat, namelijk dat Neeltje Jans zonder meer de aanwezigheid van de windturbines heeft te dulden, zo niet op grond van de wet dan toch wel op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten.

5.11

Het argument van de Staat dat Neeltje Jans op grond van de wet de aanwezigheid heeft te dulden is dat uit artikel 9g van de Elektriciteitswet in combinatie met artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht voortvloeit dat een ieder de aanwezigheid van een windpark (‘productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie’) met een capaciteit van tenminste 5 MW heeft te dulden. Artikel 9g van de Elektriciteitswet bepaalt dat een dergelijk park wordt aangemerkt als een openbaar werk van openbaar nut en artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht bepaalt dat ieder de aanleg en instandhouding van een openbaar werk van openbaar nut heeft te gedogen.

5.12

De bouw van het windpark Bouwdokken maakt onderdeel uit van de doelstelling van, in dit geval, de provincie Zeeland om een bepaalde capaciteit aan (duurzame) windenergie te realiseren. In die zin is de bouw van het windpark uiteraard in het algemeen belang. Dit betekent echter niet dat de aanwezigheid van een windpark onder alle omstandigheden door een gebruiker van een terrein moet worden geduld. Weliswaar gaat een dergelijke verplichting in beginsel ver, immers het individueel belang moet wijken voor het openbaar belang, maar deze is niet onbegrensd. In een geval als het onderhavige, waarin de bouw van een windturbine ernstige hinder kan toebrengen aan Neeltje Jans als exploitant van het attractiepark, vereisen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de privaatrechtelijke verhouding tussen de Staat en Neeltje Jans dat van de zijde van de Staat gesteld en desnoods bewezen wordt dat de realisatie van de twee onderhavige windturbines niet op een andere plaats binnen de provincie Zeeland kan worden gerealiseerd en dus de realisatie van de twee windturbines 8 en 9 op de voorgenomen locatie onmogelijk elders kan plaatsvinden om de energiedoelstellingen te kunnen halen. Dat geldt zelfs als het het beleid van de provincie Zeeland is om de bouw van windturbines te concentreren in bepaalde concentratiegebieden. Een dergelijke situatie is niet door de Staat gesteld. De stelling van de Staat dat automatisch en zonder enig voorbehoud uit de wet voortvloeit dat Neeltje Jans de bouw van de twee windturbines heeft te dulden, wordt daarmee verworpen.

5.13

Ook de stelling dat Neeltje Jans op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomsten de aanwezigheid van de windturbines heeft te dulden zal worden verworpen. Weliswaar kennen alle overeenkomsten tussen de Staat en Neeltje Jans een bepaling met de strekking dat Neeltje Jans alle werken die de Staat in het openbaar belang noodzakelijk oordeelt heeft te dulden. Deze tussen partijen geldende contractuele bepalingen zijn echter, net als alle andere overeenkomsten, onderworpen aan de regels van redelijkheid en billijkheid. Dat betekent dat de Staat weliswaar deze bepaling tegen Neeltje Jans kan inroepen, maar dat de Staat daarbij met de gerechtvaardigde belangen van Neeltje Jans rekening heeft te houden. Daarvoor geldt in wezen hetzelfde als reeds in de vorige rechtsoverweging is benoemd, namelijk dat aannemelijk moet zijn gemaakt dat realisatie van de twee windturbines op een andere locatie redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort. De Staat heeft dit niet gesteld. Zij heeft slechts gesteld hoe in zijn algemeenheid tot de aanwijzing van een concentratiegebied wordt gekomen en dat de concrete invulling en situering van het windpark binnen dat concentratiegebied wordt overgelaten aan de gemeente (in casu de gemeente Veere). Dat de concrete invulling en situering een uitvoerig en zorgvuldig bestuursrechtelijk traject betreft, zoals de Staat heeft aangevoerd, betekent niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat realisatie van de twee windturbines op een andere locatie redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort.

5.14

De tussenconclusie van de vorige rechtsoverwegingen is derhalve dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat Neeltje Jans op grond van de wet of op grond van overeenkomst de bouw en exploitatie van de turbines in de directe nabijheid van de door haar gehuurde terreinen heeft te dulden. Derhalve dient, zoals al in rechtsoverwegingen 5.7 en 5.9 is aangekondigd, de aard en de ernst van de door de windturbines opgeroepen effecten te worden beoordeeld.

5.15

Deze effecten vallen uiteen in twee categorieën. In de eerste categorie vallen de tijdelijke effecten, in de tweede categorie vallen de blijvende effecten. Door Neeltje Jans worden als tijdelijke effecten het optreden van de slagschaduwen door de rotors genoemd, de gevaarzetting van de rotors onder bepaalde weersomstandigheden, het gevaar van vogelsterfte en overlast tijdens de bouw van de windturbines genoemd.

5.16

Waar het gaat om de slagschaduwen zijn de effecten van tijdelijke aard, omdat de schaduwen meebewegen met de rotatie van de zon. Omdat de windturbines zijn voorzien aan de oostzijde van het attractiepark, zullen alleen in de ochtenduren de slagschaduwen van de rotors op het terrein van het attractiepark zichtbaar zijn. Met name de slagschaduw van turbine 9, aan de noordoostzijde van het park, zal daardoor slechts overlast geven tijdens beperkte tijden van de dag. Daarbij bewegen de slagschaduwen zich constant, zij het langzaam, mee met de rotatie van de zon, zodat de slagschaduwen niet steeds op dezelfde plaats merkbaar zullen zijn. En tenslotte is alleen sprake van schaduw bij zonneschijn, waarbij OSK heeft aangegeven bereid te zijn tot het plaatsen van een slagschaduwsensor, die de turbines stilzet op het moment dat er hinder is voor de bezoekers en medewerkers van het attractiepark. Alles afwegende oordeelt de kantonrechter dat de hinder als gevolg van de slagschaduwen van de turbines niet van dien aard is dat die op ernstige wijze inbreuk maken op het huurgenot van Neeltje Jans.

5.17

Waar het gaat om de gevaarzetting bij bepaalde weersomstandigheden zijn de effecten van tijdelijke aard, omdat er alleen gevaar is onder bepaalde weersomstandigheden; genoemd zijn ijsvorming op de rotors en harde wind, van gevaarzetting sprake kan zijn. Omdat dergelijke weersomstandigheden zich slechts zelden zullen voordoen kan niet gesteld worden dat daarom op onaanvaardbare wijze inbreuk wordt gemaakt op het huurgenot van Neeltje Jans. Dat zal zich pas voordoen indien de exploitant de turbines niet zou stilzetten om dreigend gevaar af te wenden. De kantonrechter acht het prematuur nu reeds op situatie vooruit te lopen dat de exploitant de turbines onder bepaalde weersomstandigheden, zoals bij ijsvorming of harde wind, niet zou stilzetten. In het ideale geval maken partijen daarover van tevoren afspraken, maar zo niet, dan riskeert de exploitant aansprakelijkheidsstellingen van de zijde van Neeltje Jans. Van een ernstige inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans is naar het oordeel van de kantonrechter vooralsnog geen sprake.

5.18

Waar het gaat om het gevaar voor vogelsterfte en als afgeleide daarvan mogelijke traumatische ervaringen bij kinderen, oordeelt de kantonrechter dat inderdaad niet is uit te sluiten dat een bepaald aantal vogels, van de zijde van Neeltje Jans is gesteld dat dat er wel tot 250 per jaar per turbine kunnen zijn, in aanraking zal komen met de turbines en/of de rotors en als gevolg daarvan overlijden. Of het ook 250 vogels per jaar zullen zijn wordt door de Staat betwist, omdat de rotors van deze turbines en lagere dan gebruikelijke omloopsnelheid zullen hebben. Wat daar ook van zij, de vogels zullen niet alle overlijden op een voor kinderen zichtbare plaats en bovendien kunnen maatregelen getroffen worden om overleden vogels snel te verwijderen. Een ernstige inbreuk op het huurgenot kan dat niet opleveren.

5.19

Als laatste tijdelijke effect is door Neeltje Jans de overlast tijdens de bouw en mogelijk ook het onderhoud van de turbines genoemd. Naar het oordeel van de kantonrechter valt mogelijke overlast tijdens bouw en onderhoud binnen de gedoogplicht van Neeltje Jans en levert de overlast op zichzelf genomen geen inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans op.

5.20

Anders kan het liggen bij de blijvende effecten van de aanwezigheid van de windturbines. Neeltje Jans noemt in als blijvende effecten het opwekken van trillingen, het voortbrengen van geluid en het profiel van de turbines.

5.21

Het voortbrengen van trillingen is door Neeltje Jans onvoldoende onderbouwd en bovendien door de Staat voldoende weerlegd. Trillingen kunnen zich uitsluitend voortplanten door vaste stoffen, vloeistoffen en gassen. Door Neeltje Jans is aangegeven dat het vooral de trillingen door de grond zijn, die hinder kunnen opleveren. De Staat heeft daar echter tegenover gesteld dat de turbines zeer solide in de grond verankerd zullen worden. Hierdoor zullen trillingen, voor zover die al zouden optreden in de masten van de turbines, in de fundering worden opgevangen. En voor zover er al trillingen aan de ondergrond zouden worden doorgegeven, zullen die reeds na enkele meters vanuit de fundering niet meer merkbaar zijn, ook niet voor trillingen zeer gevoelige dieren, zoals bruinvissen. Deze laatste in het licht van de wens van Neeltje Jans om in de nabijheid van turbine 9 het dierenverblijf voor zeerobben om te bouwen tot een verblijf voor bruinvissen. Bovendien, nu Neeltje Jans op die plaats nog geen bruinvissenbassin heeft gerealiseerd zou zij kunnen overwegen dat verblijf elders op het terrein en verder verwijderd van de turbines te realiseren. In ieder geval leveren de trillingen, voor over al aanwezig, geen zodanig ernstige hinder op, dat van inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans sprake kan zijn.

5.22

Dat de turbines geluid zullen voortbrengen wordt van de zijde van de Staat niet ontkend. Alleen, blijft dit geluid binnen het niveau dat de bezoekers van het park zelf al zullen voortbrengen, aldus de Staat. Van de zijde van Neeltje Jans wordt echter gesteld dat voor het bepalen van het geluidsniveau door de Staat achterhaalde meetmethodes zijn gebruikt. De Staat heeft dat laatste niet afdoende kunnen weerleggen. Daardoor liggen partijen uiteen ten aanzien van het geluidsniveau, dat de turbines zullen genereren. Zonder nader onderzoek kan de kantonrechter op dit punt geen uitspraak doen over de vraag of het geluidsniveau een inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans gaat opleveren. Echter, in het licht van het navolgende kan dat onderzoek achterwege blijven.

5.23

Dat de turbines een enorm profiel en formaat hebben wordt niet bestreden; van de zijde van Neeltje Jans wordt zelfs gesteld, en door de Staat niet bestreden, dat de maximale hoogte van de rotors bijna net zo hoog is als de Euromast in Rotterdam. Vast staat ook dat de masten van de turbines op zeer korte afstand van het terrein van Neeltje Jans zullen worden gerealiseerd, turbine 8 in de nabijheid van het parkeerterrein en turbine 9 in de nabijheid van de orkaanmachine, één van de attracties van het park, derhalve op plaatsen waardoor vrijwel alle bezoekers van het park betrekkelijk dichtbij de masten en de draaiende rotors van de turbines zullen komen. Daarbij is de bewering van de Staat dat de turbines en rotors niet over het terrein van Neeltje Jans zullen overzwaaien (conclusie van antwoord, punt 3.1.36) in zoverre onjuist, dat de rotors altijd haaks op de windrichting staan en bij bepaalde windrichtingen dus juist boven het terrein van Neeltje Jans zullen draaien. Bij harde wind zullen de rotors, elk met een lengte van enkele tientallen meters, zelfs met aanmerkelijke snelheid in beweging zijn.

5.24

In lijn met de eerder aangehaalde beslissing van de Hoge Raad van 27 april 2012, met name rechtsoverweging 3.4.5, mag Neeltje Jans verwachten dat gedurende de huurtermijn de uitstraling van de op het gehuurde geëxploiteerde attractiepark geen relevante wijzigingen zal ondergaan. De kantonrechter is van oordeel dat het profiel en het formaat van de turbines en het feit dat de rotors bij bepaalde windrichtingen boven het terrein van Neeltje Jans en dus ook boven de hoofden van de bezoekers van het attractiepark, de uitstraling van het attractiepark, als een toeristische trekpleister voor vooral ook gezinnen met kinderen, zodanig wijzigt dat sprake zal zijn van een ernstige inbreuk op het huurgenot van Neeltje Jans.

5.25

Uit het voorgaande, met name uit rechtsoverweging 5.24 in combinatie met rechtsoverweging 5.8, vloeit voort dat dat het verlenen van privaatrechtelijke toestemming door de Staat een OSK om turbines 8 en 9 op de aangegeven plaatsen te realiseren en te exploiteren ernstige inbreuk maakt op het huurgenot van Neeltje Jans. Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van de Staat bevestigd dat zowel voor turbine 8 als voor turbine 9 vergunningen aan OSK zijn afgegeven en dat die inmiddels onherroepelijk zijn geworden. Dat houdt in dat het in het petitum onder B. en onder C. gevorderde inmiddels niet meer voor toewijzing vatbaar is en dus zal worden afgewezen.

5.26

Daarentegen ligt in het verlengde van het voorgaande het in het petitum onder D. gevorderde, namelijk dat de Staat de privaatrechtelijke toestemming dient in te trekken en er zorg voor dient te dragen dat eventueel reeds gevestigde en/of verstrekte rechten zullen worden beëindigd, opgeheven of doorgehaald, zal worden toegewezen. Het licht in de strekking van deze procedure begrepen dat deze veroordeling alleen betrekking heeft op turbines 8 en 9, niet op de overige turbines van Windpark Bouwdokken.

5.27

De kantonrechter ziet geen aanleiding aan de verplichting tot intrekking, beëindiging, opheffing en/of doorhaling van verleende toestemming en/of rechten een dwangsom te verbinden. Van de Staat mag worden verwacht dat zij een rechterlijke beslissing respecteert en uitvoert.

5.28

De vordering om voor recht te verklaren dat de Staat ten opzichte van Neeltje Jans onrechtmatig heeft gehandeld en dat de Staat aansprakelijk is voor door Neeltje Jans geleden schade zal worden afgewezen. Niet alleen heeft Neeltje Jans deze vordering niet nader onderbouwd, maar ook is de kantonrechter van oordeel dat het verlenen van een vergunning door de Staat aan OSK niet onrechtmatig is (geworden), nu thans wordt geoordeeld dat dat inbreuk oplevert op het huurgenot van Neeltje Jans.

5.29

In het feit dat Neeltje Jans slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te verdelen in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Dat geldt ook voor de gevorderde nakosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de privaatrechtelijke toestemming met betrekking tot windturbines 8 en 9 van Windpark Bouwdokken in te trekken en er zorg voor te dragen dat de gevestigde en/of verstrekte rechten, voor zover noodzakelijk via een notaris, worden beëindigd of opgeheven en, voor zover noodzakelijk, administratief worden doorgehaald in het Kadaster;

- verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de proceskosten tussen partijen worden verdeeld in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.