Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-04-2017
Datum publicatie
27-04-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9124
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:124, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning beroepskwalificaties, psychotherapeut, verweerder heeft gehandeld in strijd met het Besluit psychotherapeut door twee vervolgcursussen te eisen. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/9124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N.C. van Steijn),

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigden: mr. D.J. Veenhof, mr. W. Davidse en L.R. Kooij).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag van eiseres om erkenning van haar beroepskwalificaties als psychotherapeut vooralsnog af te wijzen. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat eiseres ten aanzien van de wezenlijke opleidingsverschillen een aanpassingsstage moet volgen of een proeve van bekwaamheid moet afleggen.

Bij besluit van 12 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiseres heeft in de periode 2004 tot en met 2009 een opleiding in de richting Psychologie met de specialisatie Verhaltensmodifikation gevolgd aan de [naam universiteit] te [plaats 1] in Duitsland. Op 14 oktober 2009 heeft zij daarvoor haar diploma gehaald. In de periode 2010 tot 2013 heeft eiseres een opleiding in de richting Psychologische Psychotherapeuten gevolgd aan de [naam academie] te [plaats 2] in Duitsland. Op 15 april 2013 heeft zij de Zeugnis über die staatliche Prüfung für Psychologische Psychotherapeuten behaald. Deze opleiding is vergeleken met de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit de adviezen van 11 mei 2015 en van 16 maart 2016 van de Commissie Buitenlands Gediplomeerden Volksgezondheid (hierna: CBGV) ten grondslag gelegd. De CBGV, en daarmee ook verweerder, heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres gevolgde opleiding wezenlijke verschillen bevat met de Nederlandse opleiding tot psychotherapeut. In het advies is opgenomen dat het daarbij gaat om de onderdelen ‘theoretische inleiding in de psychoanalytische therapie’, ‘theoretische inleiding in de rogeriaanse therapie’, ‘inleiding in de toepassing van psychoanalytische therapie’ en ‘inleiding in de toepassing van rogeriaanse therapie’. Deze verschillen zijn niet overbrugd door een andere opleiding, scholing of beroepservaring. De CBGV heeft gesteld dat eiseres één vervolgcursus heeft gevolgd, terwijl in de Nederlandse opleidingen twee vervolgcursussen verplicht zijn gesteld. De door eiseres gevolgde opleiding is dan ook niet gelijkwaardig aan een opleiding die in Nederland in de praktijk wordt gegeven. Voorts heeft het CBGV gesteld dat de verplicht gestelde referentiekaders door eiseres niet op het juiste niveau zijn behandeld.

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) worden er registers ingesteld, waarin degene die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven als onder meer psychotherapeut.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, van de Wet BIG, wordt de inschrijving in het BIG-register geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de in hoofdstuk III (artikelen 18 tot en met 34) bedoelde opleidingseisen.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wet BIG wordt, om in het desbetreffende register als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven, het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen vereist.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Wet BIG wordt, in afwijking van het in artikel 6, aanhef en onder a, bepaalde, aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd indien hij ten aanzien van het betrokken beroep in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties ofwel aan hem gedeeltelijk toegang is verleend tot het betrokken beroep als bedoeld in de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (hierna: Awe).

Bij de Awe zijn regels gesteld ter uitvoering van de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Awe verleent de minister erkenning van beroepskwalificaties indien de migrerende beroepsbeoefenaar in het bezit is van een opleidingstitel die of een door het bevoegd gezag in een andere betrokken staat dan Nederland afgegeven bekwaamheidsattest dat blijk geeft van een beroepskwalificatieniveau, bedoeld in artikel 9, dat in de andere betrokken staat verplicht wordt gesteld aan de uitoefening van het betrokken beroep.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awe kan de minister eisen dat de migrerende beroepsbeoefenaar een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt, indien de door de migrerende beroepsbeoefenaar gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van de vakken die worden bestreken door de in Nederland vereiste opleiding.

Het Besluit psychotherapeut (Stb. 1998, 155; hierna: het Besluit), in werking getreden op 1 april 1998, behelst, ter uitvoering van artikel 26, eerste lid, van de Wet BIG, de opleidingseisen waaraan moet zijn voldaan om te kunnen worden ingeschreven in het BIG‑register.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit omvat het cursorisch onderwijs ten minste de volgende onderwerpen:
(…)

f. de psychotherapeutische referentiekaders, zijnde de psycho-analytische therapie, de gedragstherapie, de rogeriaanse therapie en de syteemtherapie die zijn gebaseerd op onderscheidenlijk de pscycho-analytische theorieën, de leer- en cognitieve theorieën, de experiëntiële theorieën en de systeemtheorieën;

g. inleiding in de toepassing van behandelingsmethoden vanuit de psychotherapeutische referentiekaders;
(…).

Ingevolge het derde lid bestaat de opleiding voorts uit ten minste één vervolgcursus over de toepassing van behandelingsmethoden in een door de aspirant-psychotherapeut te kiezen psychotherapeutisch referentiekader.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de door eiseres gevolgde opleiding wezenlijke verschillen bevat met de Nederlandse opleiding en dat eiseres een aanpassingsstage dient te volgen ten aanzien van de in haar opleiding missende referentiekaders. Eiseres heeft te kennen gegeven hier al mee bezig te zijn. Tussen partijen is alleen in geschil of zij een tweede vervolgcursus moet volgen.

4. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de in de praktijk gehanteerde opleidingseis van het volgen van twee vervolgcursussen, in plaats van het in artikel 4, derde lid, van het Besluit (hierna: het Besluit) neergelegde minimum van één vervolgcursus. Dat verweerder van eiseres meer verlangt dan wettelijk is voorgeschreven is in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aldus eiseres.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) reeds in haar uitspraak van 13 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3024) heeft overwogen, mag de minister zich op de adviezen van de CBGV baseren, tenzij deze naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen, dat de minister deze niet, of niet zonder meer, aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. De adviezen kunnen door de rechter slechts terughoudend worden getoetst.

5.2

De CBGV heeft in haar adviezen gewezen op het in artikel 4, derde lid, van het Besluit neergelegde vereiste van het volgen van ten minste één vervolgcursus. De CBGV heeft voorts overwogen dat dit door de Nederlandse opleidingsinstellingen is geoperationaliseerd als twee vervolgcursussen in twee verschillende referentiekaders, waaraan alle deelnemers aan de opleiding moeten voldoen. Dit geldt dan ook voor de buitenlandse gediplomeerden die hun diploma in Nederland willen laten erkennen, aldus de CBGV.

In artikel 26 van de Wet BIG is bepaald dat je voor inschrijving in het BIG‑register moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingsvereisten. In die algemene maatregel van bestuur, het Besluit, is bepaald dat de aspirant-psychotherapeut ten minste één vervolgcursus moet volgen. De omstandigheid dat ingevolge artikel 2 van het Besluit voor inschrijving een getuigschrift is vereist van een door de verweerder aangewezen opleidingsinstelling, en dat de opleidingsinstellingen vervolgens twee vervolgcursussen vereisen, maakt niet dat verweerder ook van twee vervolgcursussen heeft mogen uitgaan. Eiseres heeft in dat kader terecht gewezen op de Toelichting bij het Besluit (Stb. 1998, 155), waarin staat vermeld dat de opleidingsvereisten die in het Besluit zijn vastgelegd, een minimum vormen waaraan beroepsbeoefenaren moeten voldoen om voor registratie als psychotherapeut in aanmerking te komen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die vereisten alleen zijn bedoeld voor de opleidingsinstellingen, in plaats van ook voor het individu. Het is immers een individu, de beroepsbeoefenaar, die voor registratie in het BIG-register in aanmerking wil komen. Dat de opleidingsinstellingen het noodzakelijk hebben geacht om twee vervolgcursussen in hun curicula op te nemen, maakt niet dat eiseres met één vervolgcursus niet aan het door de wetgever in het Besluit vastgestelde minimum voldoet. Eiseres heeft in dat kader ook terecht gesteld dat het niet aan de opleidingsinstellingen is om het minimum te bepalen, maar aan de wetgever. Nu het CBGV in haar advies van een onjuiste rechtstoepassing is uitgegaan, heeft verweerder het advies in zoverre niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

5.3

Nu het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd, behoeft hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd geen bespreking.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat eiseres een tweede vervolgcursus moet volgen. De rechtbank laat het bestreden besluit voor het overige in stand.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat eiseres een tweede vervolgcursus dient te volgen;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.