Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:409

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
4722565 RL EXPL 16-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pakketreis. De vliegtickets zijn in casu niet overdraagbaar. Mag de reisorganisator de kosten van nieuwe vliegtickets volledig aan de consument doorberekenen bij indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:506 BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

FJ

Rolnr.: 4722565 RL EXPL 16-172

18 januari 2017

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [gedaagde sub 1] en

2. [gedaagde sub 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,
gemachtigde: mr. R.G. Prakke,

tegen

de naamloze vennootschap TUI N.V.,

gevestigd te Rijswijk,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. Th. P. ten Brink,

en

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ANVR: Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen,

gevestigd te Baarn,

tussenkomende partij,

gemachtigde: mr. N.A. de Leeuw,

en

de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gevoegde partij aan de zijde van de naamloze vennootschap TUI N.V.,

gemachtigde: mr. dr. M.R. Ruygvoorn en mr. G.J. Boeve.

Partijen worden verder aangeduid als “ [gedaagden] ”, “TUI”, “de ANVR” en “de KLM”

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het vonnis in het incident van 13 april 2016 en de daarin vermelde processtukken;

  • -

    de conclusie van eis van de zijde van de ANVR;

  • -

    de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en in de tussenkomst van de zijde van TUI;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagden] ;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van de KLM;

  • -

    de door TUI bij brief van 21 november 2016 in het geding gebrachte producties;

  • -

    de door [gedaagden] bij brief van 23 november 2016 in het geding gebrachte producties;

  • -

    de door de KLM bij akte op 25 november 2016 ingediende producties.

1.2

Op 5 december 2016 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen: mevrouw [gedaagde sub 2] , bijgestaan door mr. Prakke; de heer [JM] namens TUI, bijgestaan door mr. Ten Brink; de heer [FR] namens de ANVR, bijgestaan door mr. De Leeuw en mevrouw [MH] namens de KLM, bijgestaan door mr. Boeve. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

De ANVR is de brancheorganisatie voor en vertegenwoordiger van reisondernemingen. De leden van de ANVR zijn reisorganisaties en reisbureaus.

2.2

TUI is een reisorganisatie die onder andere zogenaamde pakketreizen aanbiedt. Een onderdeel van een dergelijke reis kan een vliegticket van de KLM zijn. TUI is lid van de ANVR.

2.3

De KLM is een Nederlandse luchtvaartmaatschappij die onder andere vliegtickets verkoopt aan touroperators.

2.4

[gedaagden] heeft op 30 juli 2015 met TUI een reisovereenkomst als bedoeld in artikel 7:500 BW gesloten met boekingsnummer 2690773225 (hierna: de overeenkomst) voor een totaalbedrag van € 1.328,50. Deze reis betreft een pakketreis en omvat een KLM-retourvlucht Amsterdam Rome en een verblijf van twee nachten in Rome, met vertrek op

25 september 2015 en aankomst op 27 september 2015. Op de overeenkomst zijn zowel de Algemene Reisvoorwaarden TUI Nederland (hierna: AV TUI) als de ANVR-Reisvoorwaarden 2014/2015 (hierna: AV ANVR) van toepassing verklaard.

2.5

Artikel 11 van de AV ANVR luidt als volgt:

“1. Tijdig voor de aanvang van de reis kan de reiziger zich laten vervangen door een ander. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:

  • -

    de ander voldoet aan alle aan de overeenkomst verbonden voorwaarden; en

  • -

    het verzoek wordt uiterlijk 7 kalenderdagen vóór vertrek ingediend, dan wel zo tijdig dat de benodigde handelingen en formaliteiten nog kunnen worden verricht; en

  • -

    de voorwaarden van de bij de uitvoering betrokken dienstverleners verzetten zich niet tegen deze in-de-plaatsstelling.

2. De aanmelder, de reiziger en degene die hem vervangt zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de reisorganisator voor de betaling van het nog verschuldigde gedeelte van de reissom, de in artikel 10 lid 1 bedoelde wijzigings- en communicatiekosten en de eventuele extra kosten als gevolg van de vervanging.”

2.6

In artikel 7.1 AV TUI staat vermeld: “Indien Uw Georganiseerde Reis één of meer vluchten bevat, zijn op die vlucht(en) van toepassing de algemene vervoersvoorwaarden van de luchtvaartmaatschappij(en) die de vlucht(en) uitvoert/uitvoeren. De uitvoerende luchtvaartmaatschappij(en) kunt u vinden op uw voucher/ticket. (…) De algemene vervoersvoorwaarden worden door Ons altijd mede bedongen ten behoeve van die luchtvaartmaatschappij(en) en gelden dus ook in de relatie tussen U en die luchtvaartmaatschappij(en). (…)”.

2.7

Artikel 1 van de Algemene vervoersvoorwaarden voor passagiers en bagage van de KLM (hierna: AV KLM) luidt voor zover van belang als volgt: “(…) Administratiekosten betekent de kosten die, waar van toepassing, door de vervoerder en/of diens Bevoegde Agent in rekening worden gebracht aan de Passagier, zoals maar niet beperkt tot kosten voor wijzigingen (“Wijzigingskosten”), hernieuwde afgifte (“Herafgiftekosten”) of restitutie (“Restitutiekosten”) van een Ticket. (…)”

2.8

Artikel 3.1 sub c AV KLM luidt voor zover thans van belang: “Een Ticket is niet overdraagbaar, behoudens voor zover anders bepaald krachtens de toepasselijke wet- en regelgeving, met name ten aanzien van Pakketreizen.”

2.9

Op 6 september 2015 heeft [gedaagden] per e-mail aan TUI bericht dat hij geen gebruik kan maken van de geboekte pakketreis en dat hij de reis heeft overgedragen aan mevrouw [LR] en mevrouw [PG] . TUI heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om deze reis aan anderen over te dragen.

2.10

Per e-mail van 9 september 2015 heeft de gemachtigde van [gedaagden] TUI gesommeerd om alsnog te voldoen aan het verzoek van [gedaagden] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld, kort samengevat, dat er sprake is van indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:506 BW en dat TUI uitsluitend de reële kosten in verband met deze overdracht in rekening mag brengen.

2.11

Per e-mail van 9 september 2015 heeft TUI hierop voor zover thans van belang als volgt gereageerd: “(…) Laat ik gelijk duidelijk maken dat een ‘in de plaats stelling’ wel mogelijk is op basis van artikel 11 lid 2 van de ANVR-Reisvoorwaarden en artikel 7:506 BW. Echter de onkosten die deze vervanging meebrengen, zijn voor rekening van de reiziger en zijn vervanger. (…) Nu de tickets van de KLM niet overdraagbaar zijn, zijn de kosten hiervoor 100%. De vluchtprijs per persoon is € 407,-, waarbij de totale vluchtprijs voor deze boeking € 814,- is. Ik baseer mij hierbij ook op de Memorie van Toelichting bij artikel 7:506 BW (MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22 506, nr. 3, p. 13) die onder meer zegt: (…) Dit betekent echter niet dat de reiziger lichtvaardig met zijn bevoegdheid [tot indeplaatsstelling, toevoeging kantonrechter] zal omgaan. De onkosten die de vervanging meebrengen, zijn immers voor rekening van de reiziger en zijn vervanger, die hoofdelijk verbonden zijn. Vooral het overzetten van vliegtickets, als dat al mogelijk is, blijkt in de praktijk vaak zulke hoge kosten met zich te brengen, dat een reiziger zal afzien van de indeplaatsstelling. (…)

Mochten klanten ervoor willen kiezen om hun reis over te dragen aan 2 andere personen, dan horen wij dat graag z.s.m. echter vóór uiterlijk 18 september 2015. De kosten voor deze vervanging zijn € 814,-.”

2.12

Op 14 september 2015 heeft [gedaagden] TUI in kort geding gedagvaard. Zijn vordering tot veroordeling van TUI tot medewerking aan de verzochte indeplaatsstelling tegen uitsluitend redelijke (administratieve) wijzigingskosten is bij vonnis van 22 september 2015 (zaak-/rolnummer: C/09/496071/KG ZA 15-1388) door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen.

3 Toepasselijke wet- en regelgeving

3.1

In artikel 4 lid 3 van de Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (hierna: de Richtlijn Pakketreizen) is het volgende bepaald: “Indien de consument niet kan deelnemen aan het pakket, kan hij, na de organisator of de doorverkoper tijdig vóór het vertrek op de hoogte te hebben gebracht, zijn boeking overdragen aan een persoon die aan alle aan het pakket verbonden voorwaarden voldoet. De persoon die het pakket overdraagt en de cessionaris zijn hoofdelijk aansprakelijk tegenover de organisator of de doorverkoper die partij is bij de overeenkomst, voor de betaling van het nog verschuldigde gedeelte van de prijs en de eventuele extra kosten als gevolg van deze overdracht.”

3.2

Artikel 7:506 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt: “1. Tijdig voor de aanvang van de reis kan de reiziger zijn rechtsverhouding tot de reisorganisator overdragen aan een derde die aan alle voorwaarden van de reisovereenkomst voldoet. Een termijn van zeven dagen voor de aanvang van de reis wordt geacht in ieder geval tijdig te zijn.

2. De overdracht vindt plaats door een daarop gerichte overeenkomst met de derde en schriftelijke mededeling daarvan door de overdragende reiziger aan de reisorganisator. De overdragende reiziger en de derde zijn hoofdelijk verbonden tot betaling van de reissom en de kosten in verband met de overdracht.”

3.3

Inmiddels is de Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad, (hierna: de Herziene Richtlijn) in werking getreden. De Herziene Richtlijn dient uiterlijk

1 januari 2018 geïmplementeerd te zijn in de Nederlandse wet en vanaf 1 juli 2018 te worden toegepast. Overweging 30 van de Herziene Richtlijn luidt als volgt: “Daar pakketreizen vaak lang van tevoren worden gekocht, kunnen zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Daarom dient de reiziger onder bepaalde voorwaarden te mogelijkheid te hebben een pakketreisovereenkomst aan een andere reiziger over te dragen. In dergelijke gevallen dient de organisator de mogelijkheid te hebben zijn onkosten terug te vorderen, bijvoorbeeld wanneer een subcontractant een vergoeding vraagt voor het wijzigen van de naam van de reiziger of voor het annuleren en vervangen van een reisbiljet.” Artikel 9 lid 2 van de Herziene Richtlijn luidt als volgt: “Degene die de pakketreisovereenkomst overdraagt, en degene die de overeenkomst overneemt, zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van het nog verschuldigde bedrag en voor eventuele bijkomende vergoedingen, toeslagen en andere kosten die voortvloeien uit de overdracht. De organisator stelt degene die de overeenkomst overdraagt, in kennis van de werkelijke kosten van de overdracht. Deze kosten mogen niet onredelijk zijn en niet meer bedragen dan de werkelijke kosten die voor de organisator voortvloeien uit de overdracht van de pakketreisovereenkomst.”

3.4

In de EG Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke

bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn Oneerlijke Bedingen) is in

artikel 3 voor zover van belang het navolgende bepaald: “1. Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. (…)”

4.Vordering, grondslag en verweer

De vordering van [gedaagden]

4.1

[gedaagden] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaart voor recht dat artikel 11, eerste lid, van de ANVR Consumentenvoorwaarden 2014/2015 - meer specifiek de derde voorwaarde - in strijd is met dwingend recht;

II. verklaart voor recht dat TUI voor een indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:506 BW uitsluitend op voorhand te onderbouwen reële administratieve kosten in rekening mag brengen, dus niet 100% of meer van de oorspronkelijke prijs van de vliegtickets;

III. verklaart voor recht dat de Algemene Vervoersvoorwaarden van de KLM geen deel uitmaken van de tussen [gedaagden] en TUI gesloten reisovereenkomst althans de relevante bedingen uit deze Algemene Vervoersvoorwaarden vernietigt (artikel 6:233 sub a BW) wegens onredelijke bezwarendheid dan wel strijd met de bedoeling van de Richtlijn en met het bepaalde in artikel 7:506 jo. artikel 513 BW;

IV. TUI veroordeelt tot vergoeding van de door [gedaagden] geleden schade, op voorhand begroot op € 1.328,50, althans (subsidiair) TUI te veroordelen tot vergoeding van de door [gedaagden] geleden schade door de kantonrechter te bepalen, althans de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

één en ander met veroordeling van TUI in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

4.2

[gedaagden] legt aan zijn vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag dat de door de KLM gehanteerde procedure, die inhoudt dat het oorspronkelijke vliegticket wordt geannuleerd en een nieuw ticket dient te worden aangeschaft, geen indeplaatsstelling is zoals de wetgever heeft beoogd. De eis in artikel 11, eerste lid, derde gedachtenstreepje van de AV ANVR is in strijd met artikel 4 lid 3 van de Richtlijn Pakketreizen en artikel 7:506 BW, derhalve met dwingend recht. [gedaagden] doet een beroep op vernietigbaarheid van deze bepaling ex artikel 3:40 lid 2 BW. Deze eis is ook onredelijk bezwarend als bedoeld in artikel 6:233 sub a BW, en artikel 3 van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen. [gedaagden] twijfelt of de AV KLM wel van toepassing zijn op de reisovereenkomst tussen partijen. Voor zover aangenomen moet worden dat dat het geval is, vordert hij vernietiging van de afzonderlijke bedingen uit de AV KLM omdat die onredelijk bezwarend zijn. De door TUI genoemde kosten van indeplaatsstelling zijn in casu niet redelijk en in strijd met de consumentbeschermingsgedachte van de Richtlijn Pakketreizen en de relevante artikelen in boek 7 van het BW. [gedaagden] beroept zich op door hem overgelegde uitspraken van het Landgericht München en van het Landgericht Frankfurt am Main.

De vordering van de ANVR

4.3

De ANVR vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (primair) de vordering van [gedaagden] sub I. afwijst en TUI veroordeelt te gehengen en gedogen dat artikel 11, eerste lid, van de ANVR Consumentenvoorwaarden 2014/2015 - meer specifiek de derde voorwaarde – onverminderd van kracht blijft en (subsidiair) voor recht verklaart dat artikel 11, eerste lid, van de ANVR Consumentenvoorwaarden 2014/2015 - meer specifiek de derde voorwaarde – niet in strijd is met dwingend recht;

één en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.

4.4

De ANVR legt aan haar vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag dat haar algemene (reis-)voorwaarden tweezijdige, in overleg met de Consumentenbond (en in SER-verband) tot stand gekomen algemene voorwaarden zijn. De ANVR-Reisvoorwaarden die met ingang van 1 april 2016 gelden, bevatten materieel gezien identieke bepalingen op het punt van de indeplaatsstelling. Hieruit blijkt dat deze bepalingen niet tot enig probleem voor consumenten leiden, ook niet in de ogen van de overlegpartners in SER-verband. De bepalingen zijn ook in overeenstemming met de toepasselijke wet- en regelgeving en met komende wetgeving in het kader van de Herziene Richtlijn. De werkelijke kosten die voor de organisator van de reis voortvloeien uit de overdracht van de pakketreisovereenkomst en niet onredelijk zijn, mogen worden doorberekend en dat is in dit geval ook gebeurd. Indeplaatsstelling is niet geweigerd, [gedaagden] vindt slechts de kosten daarvan te hoog. De omstandigheid dat dergelijke kosten hoog kunnen zijn, is blijkens de wetsgeschiedenis door de wetgever onderkend. De door [gedaagden] onder II gevorderde verklaring voor recht strekt volgens de ANVR te ver en is te algemeen geformuleerd. De reisorganisator moet de daadwerkelijke te maken onkosten verbonden aan de indeplaatsstelling kunnen doorberekenen. Anders raakt de reisorganisator bekneld tussen het ”recht” van de consument en de voorwaarden van haar leveranciers, op welke voorwaarden de reisorganisator niet of nauwelijks enige invloed heeft.

Het verweer

4.5

TUI, de ANVR en de KLM voeren gemotiveerd verweer tegen de vordering van [gedaagden] , waarop hierna voor zover nodig nader wordt ingegaan, en concluderen tot afwijzing van de vordering.

4.6

[gedaagden] voert gemotiveerd verweer tegen de vordering van de ANVR, waarop hierna voor zover nodig nader wordt ingegaan, en concludeert tot afwijzing van de vordering.

4.7

TUI refereert zich voor wat betreft de vordering van ANVR aan het oordeel van de kantonrechter.

5 Beoordeling

Is artikel 11, eerste lid, AV ANVR strijdig met dwingend recht?

5.1

Allereerst dient te worden beoordeeld of artikel 11, eerste lid, AV ANVR - meer specifiek de derde voorwaarde - in strijd is met dwingend recht en of TUI dient te gehengen en gedogen dat deze bepaling onverminderd van kracht blijft.

5.2

TUI, de ANVR en de KLM hebben als eerste verweer aangevoerd dat [gedaagden] geen, althans onvoldoende, feitelijk belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht als hiervoor weergeven onder 4.1 sub I, zoals vereist in art. 3:303 BW, omdat TUI zich niet heeft beroepen op artikel 11 AV ANVR. Omdat TUI geen beroep heeft gedaan op genoemd artikel en [gedaagden] de reis mocht overdragen aan andere consumenten, heeft deze bepaling niet in de weg gestaan aan de rechten van [gedaagden] zodat niet beoordeeld hoeft te worden in hoeverre deze bepaling strijdig is met dwingend recht. De KLM voert daarbij nog aan dat haar eigen algemene voorwaarden, en met name artikel 3 daarvan, zich ook niet verzetten tegen de indeplaatsstelling.

5.3

[gedaagden] heeft naar aanleiding van dit verweer van TUI, de ANVR en de KLM zijn belang bij de hiervoor onder 4.1 sub I weergegeven, gevorderde verklaring voor recht niet nader toegelicht.

5.4

Het verweer slaagt. [gedaagden] heeft de stelling van de overige partijen, dat TUI zich niet op de betreffende bepaling heeft beroepen en de indeplaatsstelling niet heeft verhinderd, niet, althans niet gemotiveerd, betwist. Vooropgesteld wordt dat, wanneer een verklaring voor recht wordt gevorderd, de eisende partij haar concrete belang bij die vordering moet aantonen. Er moeten omstandigheden zijn gesteld of gebleken die het wenselijk maken dat de aanspraken van de eisende partij door een verklaring voor recht worden veiliggesteld. Een verklaring voor recht kan slechts dienen tot het op bindende wijze vaststellen van een rechtsverhouding of het preciseren van haar inhoud jegens de andere onmiddellijk betrokkene(n) bij deze rechtsverhouding. Mogelijk wenst [gedaagden] , of de organisatie ‘Trade Your Trip’ die, zoals de kantonrechter heeft begrepen het initiatief heeft genomen voor de onderhavige procedure, een oordeel over de betreffende bepaling van de AV ANVR met het oog op (al dan niet toekomstige) geschillen tussen hemzelf of andere reizigers en TUI over weigering van indeplaatsstelling. Die wens is echter niet een belang dat (thans) de rechtsverhouding tussen [gedaagden] en TUI betreft en is derhalve onvoldoende om de gevorderde verklaring voor recht te rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat hij belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht. De hiervoor onder 4.1 sub I weergegeven, gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. Aangezien tussen partijen niet ter discussie staat dat TUI de betreffende bepaling toepast als dat aan de orde is, heeft de ANVR evenmin belang bij haar vordering om te gehengen en gedogen dat de betreffende bepaling onverminderd van kracht blijft. Wat partijen hierover verder hebben aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel en zal daarom onbesproken blijven.

Welke kosten mogen worden doorberekend bij indeplaatsstelling?

5.5

Vervolgens dient te worden beoordeeld of TUI voor een indeplaatsstelling als bedoeld in artikel 7:506 BW uitsluitend op voorhand te onderbouwen, reële, administratieve kosten in rekening mag brengen.

5.6

TUI, de ANVR en de KLM hebben tot hun verweer aangevoerd dat hiervoor geen grond is te vinden in de toepasselijke wet- en regelgeving.

5.7

Ook dit verweer slaagt. [gedaagden] heeft hoofdzakelijk gesteld dat indeplaatsstelling feitelijk onmogelijk wordt gemaakt doordat de KLM daarvoor veel te hoge kosten in rekening brengt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat TUI uitsluitend de werkelijke kosten van de KLM aan [gedaagden] heeft willen doorberekenen. Voor het standpunt van [gedaagden] valt geen steun te vinden in de relevante artikelen van de huidige Richtlijn Pakketreizen en boek 7 BW. Ingevolge het bepaalde in artikel 4 lid 3 van de huidige Richtlijn Pakketreizen en artikel 7:506 lid 2 BW mogen de werkelijke kosten van de indeplaatsstelling aan de consument worden doorberekend. In de memorie van toelichting bij laatstgenoemd artikel is vermeld dat dergelijke kosten bij omzetting van vliegtickets zeer omvangrijk kunnen blijken. Dit gegeven is dus meegewogen bij de totstandkoming van deze bepaling. Hoge kosten maken indeplaatsstelling op zich zelf niet onmogelijk. Ook in overweging 30 en artikel 9 lid 2 van de Herziene Richtlijn is opgenomen dat de reisorganisator de werkelijke kosten van indeplaatsstelling aan de consument mag doorberekenen. Van een beperking tot lage(re) administratieve kosten als door [gedaagden] wordt bepleit, is derhalve ook in de Herziene Richtlijn geen sprake. De hiervoor onder 4.1 sub II weergegeven, gevorderde verklaring voor recht zal daarom eveneens worden afgewezen.

Maken de AV KLM deel uit van de tussen [gedaagden] en TUI gesloten reisovereenkomst? 5.8 Dan dient te worden beoordeeld of de AV KLM deel uitmaken van de tussen [gedaagden] en TUI gesloten reisovereenkomst. [gedaagden] heeft de vraag opgeworpen of de doorverwijzingsclausule in art 7.1 van de AV TUI leidt tot aanvaarding van de AV KLM maar heeft niet gesteld op grond waarvan dat volgens hem niet het geval zou zijn.

5.9

De KLM heeft als eerste verweer aangevoerd dat [gedaagden] geen belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht als hiervoor weergegeven onder 4.1 sub III omdat TUI zich niet heeft beroepen op de AV KLM. TUI heeft indeplaatsstelling toegestaan en of de AV KLM op de reisovereenkomst van toepassing zijn, is in dat verband niet van belang. TUI brengt de werkelijke kosten van de indeplaatsstelling aan [gedaagden] in rekening op grond van artikel 7:506 lid 2 BW jo. artikel 11 lid 2 AV ANVR. De KLM en TUI hebben verder gemotiveerd aangevoerd dat de AV KLM wél van toepassing zijn op de reisovereenkomst tussen [gedaagden] en TUI.

5.10

[gedaagden] heeft naar aanleiding van dit verweer van de KLM zijn belang bij de hiervoor onder 4.1 sub III weergegeven, gevorderde verklaring voor recht niet nader toegelicht.

5.11

Het verweer van de KLM slaagt. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagden] belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht. TUI brengt de werkelijke kosten van de indeplaatsstelling aan [gedaagden] in rekening op grond van artikel 7:506 lid 2 BW jo. artikel 11 lid 2 AV ANVR en niet op grond van één of meer bepalingen van de AV KLM. De vordering zal daarom in zoverre worden afgewezen. Wat partijen hierover verder hebben aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel en zal daarom onbesproken blijven.

Dienen de relevante bedingen uit de AV KLM vernietigd te worden?

5.12

Dan dient nog te worden beoordeeld of de relevante bedingen uit de AV KLM dienen te worden vernietigd wegens onredelijke bezwarendheid dan wel strijd met de bedoeling van de Richtlijn Pakketreizen en met het bepaalde in artikel 7:506 jo. artikel 513 BW.

5.13

TUI en de KLM voeren gemotiveerd verweer tegen deze vordering. De KLM voert aan dat [gedaagden] niet stelt wat in zijn visie de relevante bepalingen van de AV KLM zijn, zodat de vordering in zoverre onvoldoende bepaald is. Ervan uitgaande dat [gedaagden] doelt op artikel 3 van de AV KLM, hebben zowel TUI als de KLM gemotiveerd betwist dat deze bepaling vernietigd dient te worden. TUI voert aan dat het door luchtvaartmaatschappijen gehanteerde beleid ten aanzien van overdraagbaarheid van vliegtickets niet oneerlijk is en dat in de Europese Unie geen jurisprudentie is te vinden waarin anders is geoordeeld. De door [gedaagden] aangehaalde jurisprudentie van lagere Duitse rechters is inmiddels achterhaald gelet op de recente uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof van 27 september 2016. Ook hebben het Europese Parlement en de Europese Raad geen aanleiding gezien om de regeling inzake indeplaatsstelling in de Herziene Richtlijn te wijzigen hoewel de Herziene Richtlijn juist ook vanuit de gedachte van consumentenbescherming tot stand is gekomen. De hoge kosten van indeplaatsstelling maken artikel 3 AV KLM nog niet onredelijk bezwarend. Het beding staat niet op de indicatieve “blauwe” lijst van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen of de lijst van onredelijk bezwarende bedingen als bedoeld in artikel 6:236 en 6:237 BW. De KLM stelt dat geen enkele bepaling verbiedt dat zij bedingt dat haar tickets niet overdraagbaar zijn. De KLM wijst op artikel 3:83 lid 2 BW, dat toelaat dat overdraagbaarheid van vorderingsrechten wordt uitgesloten, en op de aard van een vliegticket die zich tegen overdracht verzet, gezien de serieuze risico’s op het gebied van veiligheid, fraude, immigratie en compliance die aan overdraagbaarheid zijn verbonden. Bovendien vermeldt artikel 3 AV KLM dat een ticket wel overdraagbaar is voor zover dat krachtens wet- en regelgeving is bepaald. De KLM concludeert dat artikel 3 AV KLM het evenwicht van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen niet, laat staan aanzienlijk, ten nadele van [gedaagden] verstoort en evenmin op die grond vernietigbaar is. Het artikel is niet in strijd met de (bedoeling van de) Richtlijn Pakketreizen of de artikelen 7:506 jo. 513 BW.

5.14

Met de KLM is de kantonrechter van oordeel dat dit onderdeel van de vordering in de dagvaarding onvoldoende bepaald is. Gelet op wat hiervoor onder 5.11 is overwogen, is discutabel of [gedaagden] bij deze vordering belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW. [gedaagden] heeft niet weersproken dat hij beoogt dat artikel 3 van de AV KLM wordt vernietigd. Om proceseconomische redenen zal de kantonrechter daarom de vordering beperkt opvatten, beoordelen of artikel 3 van de AV KLM dient te worden vernietigd en ervan uitgaan dat [gedaagden] daarbij voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW.

5.15

Het verweer van TUI en de KLM slaagt. Allereerst overweegt de kantonrechter dat [gedaagden] zijn stelling dat artikel 3 AV KLM onredelijk bezwarend moet worden geacht, in het licht van het gemotiveerde verweer van TUI en de KLM niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. De kantonrechter is echter gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding valt binnen de werking van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen en zo ja, te onderzoeken of dit beding oneerlijk is in de door de Richtlijn Oneerlijke Bedingen bedoelde zin. De Richtlijn Oneerlijke Bedingen is weliswaar niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde, maar een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt mee dat de rechter op grond van artikel 6:233 BW gehouden is dit onderzoek ambtshalve te verrichten indien de Richtlijn Oneerlijke Bedingen die verplichting meebrengt. Als de rechter vaststelt dat het beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen, is hij gehouden het beding te vernietigen tenzij de consument zich daartegen verzet. De kantonrechter is van oordeel dat het onderhavige artikel 3 AV KLM het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument niet, althans niet aanzienlijk, verstoort. De KLM heeft zwaarwegende belangen bij niet-overdraagbaarheid van haar vliegtickets terwijl in artikel 3 AV KLM is opgenomen dat een vliegticket wel overdraagbaar is wanneer toepasselijke wet- en regelgeving dat bepalen. Dat die niet-overdraagbaarheid tot hoge(re) kosten voor de consument leidt, indien deze indeplaatsstelling wenst, maakt het betreffende beding niet oneerlijk. De hogere kosten zijn immers gerechtvaardigd doordat het oorspronkelijke vliegticket wordt geannuleerd en een nieuw vliegticket tegen de dan geldende tarieven moet worden aangeschaft. Daarbij acht de kantonrechter nog van belang dat een consument in het algemeen een annuleringsverzekering kan afsluiten, die in veel gevallen zal uitkeren als de consument geen gebruik kan maken van het vliegticket.

5.16

De huidige Richtlijn Pakketreizen en de artikelen 7:506 jo. artikel 513 BW verbieden verder niet dat de KLM in de vervoersovereenkomst met TUI bedingt dat haar tickets niet overdraagbaar zijn, behoudens voor zover anders bepaald krachtens de toepasselijke wet- en regelgeving. Ook de bedoeling van de Richtlijn Pakketreizen staat daar niet aan in de weg, evenmin als de tekst en de bedoeling van de Herziene Richtlijn. De KLM handelt in een geval als het onderhavige niet als reisorganisator maar slechts als luchtvaartmaatschappij. De betreffende bepalingen voorzien er alleen in dat de consument op basis van een reisovereenkomst met betrekking tot een pakketreis het recht heeft van indeplaatsstelling en, wanneer hij daarvan gebruik maakt, aan zijn reisorganisator de werkelijke kosten daarvan zal hebben te voldoen. In een geval als het onderhavige vallen daaronder ook de meerkosten van de wegens indeplaatsstelling aan te schaffen vliegtickets na annulering van de oorspronkelijke vliegtickets. Voor zover [gedaagden] heeft betoogd dat de huidige toepasselijke wetgeving niet in het belang is van de consument, kan slechts worden geconcludeerd dat het alleen aan de wetgever is om de toepasselijke wetgeving aan te passen. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en / of het Hof van Justitie.

5.17

De kantonrechter ziet daarom geen grond om artikel 3 AV KLM te vernietigen en de vordering zal in zoverre worden afgewezen.

Dient TUI aan [gedaagden] schade te vergoeden?

5.18

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat TUI niet schadeplichtig is jegens [gedaagden] Ook dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

5.19

[gedaagden] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

6 Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure:

  1. tot op heden aan de zijde van TUI vastgesteld op € 300,- als het aan de gemachtigde van TUI toekomende salaris in het incident en € 600,- als het aan de gemachtigde van TUI toekomende salaris in de hoofdzaak;

  2. tot op heden aan de zijde van de ANVR vastgesteld op € 300,- als het aan de gemachtigde van de ANVR toekomende salaris in het incident en € 600,- als het aan de gemachtigde van de ANVR toekomende salaris in de hoofdzaak;

  3. tot op heden aan de zijde van de KLM vastgesteld op € 300,- als het aan de gemachtigde van KLM toekomende salaris in het incident en € 600,- als het aan de gemachtigde van de KLM toekomende salaris in de hoofdzaak; en veroordeelt [gedaagden] tot betaling van € 100,- aan nasalaris, voor zover de KLM daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.J. Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2017.