Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4044

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AWB 16/30036 en 16/26875
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 3 oktober 2016 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld, zijn paspoort is hierbij ingenomen. Na de beeindiging van de vreemdelingenbewaring heeft verweerder het paspoort van eiser niet teruggegeven. Eiser heeft verzocht om teruggave.

In geschil is de vraag of eiser, hangende zijn aanvraag om toetsing aan artikel 9 van de Vw, rechtmatig verblijf heeft op grond van het EU-recht en dus zijn paspoort terug dient te krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen rechtmatig verblijf ontlenen aan zijn aanvraag. In de Vw 2000 is niet geregeld dat bij een aanvraag voor toetsing aan het EU-recht een vreemdeling hangende die aanvraag rechtmatig verblijf heeft. Dit volgt ook niet uit het stelsel van het EU-recht. Omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, kan verweerder op grond van artikel 4.23, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 het paspoort van eiser tijdelijk onder zich houden met het oog op uitzetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/30036 (beroep)

AWB 16/26875 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 15 februari 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1966, van Britse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Op 17 november 2016 heeft verweerder geweigerd om het paspoort van eiser terug te geven (de feitelijke handeling). Eiser heeft hiertegen op 18 november 2016 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 november 2016 heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om verweerder op te dragen om eiser zijn paspoort terug te geven.

Bij besluit van 13 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 21 december 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoek om een voorlopige voorziening opgevat als een verzoek dat is ingediend hangende beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 10 december 2013 is de aanvraag van eiser tot afgifte van een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ afgewezen. Het door eiser ingestelde bezwaar is bij besluit van 16 juli 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 april 2015 (AWB 14/18091) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2.

Op 18 maart 2016 heeft verweerder eiser aangezegd Nederland te verlaten voor 19 maart 2016.

1.3.

Op 19 april 2016 heeft de gemachtigde van eiser een brief aan de korpschef gestuurd waarin het volgende staat vermeld: “Afgelopen maart heeft u [de man] een aanzegging gedaan Nederland te verlaten. Ik meen dat deze aanzegging niet juist is. Betrokkene verblijft thans rechtmatig in Nederland, hij maakt gebruik van zijn rechten van vrij verkeer. Niet alleen is hij werkzoekende, ook ontvangt hij hier diensten en verricht hij hier werkzaamheden. Daarnaast maakt hij niet meer dan aanvullend gebruik van de sociale voorzieningen.”

1.4.

Op 3 oktober 2016 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld. Tijdens deze procedure is het paspoort van eiser in bewaring genomen. Op 12 oktober 2016 is de vreemdelingenbewaring van eiser beëindigd. Verweerder heeft eiser hierbij schadevergoeding toegekend. Eiser heeft zijn paspoort niet teruggekregen.

1.5.

Bij brief van 25 oktober 2016 heeft verweerder eiser uitgenodigd om zijn aanvraag van 19 april 2016 aan te vullen. Eiser wordt hiervoor uitgenodigd om aan het loket te verschijnen. Bij brief van 30 november 2016 is eiser nogmaals uitgenodigd om zijn aanvraag te completeren. Op beide brieven heeft eiser gereageerd met het verzoek om een nieuwe afspraak aan het loket in Amsterdam.

2. Eiser heeft verzocht om teruggave van zijn paspoort. Hij stelt dat hij rechtmatig in Nederland verblijft en daarom recht heeft op zijn paspoort. Omdat hij zijn paspoort niet heeft, kan hij niet voldoen aan de wettelijke identificatieplicht. Hierdoor kan hij ook geen werk zoeken.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen. De door eiser ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning heeft als gevolg dat de uitzetting van eiser tijdelijk wordt opgeschort totdat op de aanvraag is beslist. Omdat sprake is van een tijdelijke opschorting, wordt nog steeds voldaan aan artikel 4.23, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Verweerder is dus nog bevoegd om het paspoort in te nemen. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het belang van eiser om zijn paspoort te kunnen gebruiken prevaleert boven het belang van de voorgenomen uitzetting. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet in zijn bezit hebben van zijn paspoort voor hem tot onoverkomelijke problemen heeft geleid.

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd is om zijn paspoort onder zich te houden. Eiser voert hiertoe aan dat volgens artikel 4.23, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 de bevoegdheid slechts bestaat bij uitzetting of de overgave aan buitenlandse grensautoriteiten. Daarvan is hier geen sprake. Ook is geen sprake van een tijdelijke opschorting van de uitzetting. Eiser heeft als EU-onderdaan van rechtswege rechtmatig verblijf op grond van Richtlijn 2004/38/EG, zolang niet is vastgesteld dat aan dit rechtmatig verblijf een einde is gekomen. Tot slot stelt eiser dat, omdat hij niet over zijn paspoort beschikt, hij geen gebruik kan maken van zijn rechten die voortvloeien uit Richtlijn 2004/38/EG.

5. In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Volgens verweerder heeft eiser geen aanvraag ingediend voor een EU-registratie. Verweerder heeft eiser tweemaal uitgenodigd om een aanvraag in te dienen, maar hij is niet verschenen aan het loket. In tegenstelling tot hetgeen staat overwogen in het bestreden besluit kan de brief aan de korpschef van 19 april 2016 niet worden aangemerkt als een aanvraag. Omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, prevaleert het belang van verweerder.

6. Het toepasselijk wettelijk kader staat vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

7.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of eiser een aanvraag heeft ingediend. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser geen aanvraag heeft ingediend. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat wel degelijk sprake is van een aanvraag. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn brief van 19 april 2016 werd opgevat als een aanvraag. Verweerder heeft immers de vreemdelingenbewaring opgeheven omdat eiser een aanvraag had ingediend en ook in het bestreden besluit ging verweerder uit van een aanvraag.

7.2.

De rechtbank overweegt het volgende. Nog daargelaten de vraag of de brief van 19 april 2016 aan de korpschef daadwerkelijk een aanvraag betreft, mocht eiser er wel gerechtvaardigd op vertrouwen dat verweerder deze brief als een aanvraag heeft opgevat. Verweerder heeft immers de vreemdelingenbewaring van eiser op 12 oktober 2016 opgeheven omdat hij een aanvraag zou hebben ingediend. Ook heeft verweerder eiser schadevergoeding betaald voor de onterechte vreemdelingenbewaring. Voorts heeft verweerder eiser bij brieven van 25 oktober 2016 en 30 november 2016 uitgenodigd om zijn aanvraag compleet te maken. Tot slot gaat verweerder in het bestreden besluit ervan uit dat eiser een aanvraag heeft ingediend.

8.1.

Vervolgens is in geschil de vraag of eiser, hangende zijn aanvraag, rechtmatig verblijf heeft op grond van het EU-recht. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser rechtmatig verblijf heeft. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op basis van het EU-recht. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een aanvraag op basis van EU-recht geen procedureel rechtmatig verblijf met zich meebrengt. Het gaat immers om een vaststelling van rechten en niet om het vergunnen van verblijf. Op dat punt klopt het bestreden besluit dan ook niet, aldus verweerder.

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

8.3.

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser stelt, eiser geen rechtmatig verblijf kan ontlenen aan zijn ‘aanvraag’. In de Vw 2000 is niet geregeld dat bij een aanvraag voor toetsing aan het EU-recht een vreemdeling hangende die aanvraag rechtmatig verblijf heeft. Ook volgt dit niet uit het stelsel van het EU-recht omdat bij de toepassing van het EU-recht het gaat om de vaststelling van het recht. Eiser kan tot op heden geen rechten ontlenen aan het EU-recht. Bij besluit van 10 december 2013, welke in rechte vast staat, is immers geconstateerd dat eiser geen rechten kan ontlenen aan het EU-recht. Omdat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, kan verweerder op grond van artikel 4.23, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 het paspoort van eiser tijdelijk onder zich houden met het oog op uitzetting.

8.4.

Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. De beroepsgrond van eiser dat door de weigering van verweerder om zijn paspoort terug te geven eiser wordt beperkt in de uitoefening van zijn rechten op grond van het gemeenschapsrecht, volgt de rechtbank niet. Bij besluit van 10 december 2013 is immers vastgesteld dat eiser geen rechten toekomt op grond van het gemeenschapsrecht. Voorts heeft eiser niet onderbouwd dat hij op dit moment geen werk kan vinden omdat hij niet in het bezit is van een paspoort. Eiser heeft bijvoorbeeld geen brieven van potentiële werkgevers overgelegd waaruit blijkt dat zij hem wel in dienst willen nemen, maar dat het ontbreken van een paspoort hierbij een belemmering vormt.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt tot teruggave van zijn paspoort. In het onderhavige geval is geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 16/30036

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 16/26875

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in beide zaken

- draagt verweerder op aan eiser het betaalde griffierecht van € 168,-- (zegge: honderdachtenzestig euro) te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,-- (zegge: veertienhonderd vijfentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:JK

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 8

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

[…]

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing de uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

[…].

Artikel 52

  1. Onze Minister, de ambtenaren, belast met de grensbewaking, en de ambtenaren, belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd om , ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen, tijdelijk in bewaring te nemen alsmede om hierin aantekeningen te maken. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hierover nadere regels gesteld.

  2. Het reis- of identiteitspapier wordt aan de vreemdeling teruggegeven indien hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hij ook daadwerkelijk vertrekt. Ingeval van uitzetting kan het reis- en identiteitspapier worden overgedragen aan de persoon belast met de grensbewaking in het land waar de toelating is gewaarborgd.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 4.23

1. De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van artikel 52, eerste lid, van de Wet het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:

  1. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in artikel 4.45, of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in artikel 4.24 tot en met artikel 4.35a;

  2. indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in Nederland te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van artikel 50, tweede of derde lid, van de Wet naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen;

  3. gedurende de tijd dat de persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

  4. voorzover zulks nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Wet.

Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden

Artikel 7

1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

  1. indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is;

  2. indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of

  3. – indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die dor het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder bepreken een beroepsopleiding, te volgen; en

- indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, - door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze -, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland; of

inden hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.