Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4032

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
AWB15/10173 en 15/6797
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag op de grond dat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en een besluit tot overdracht aan Italië; prejudiciële vragen aan het HvJ-EU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/140

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/10173 en 15/6797

V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 april 2017 in de zaken tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1986, van Pakistaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.V. Fairweather).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2015 (overdrachtsbesluit) heeft verweerder eiser in kennis gesteld dat hij zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Italië en hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser heeft hiertegen op 1 april 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank, geregistreerd onder nummer 15/6797. Op dezelfde datum heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de overdracht te verbieden totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van 21 april 2015 (AWB 15/6800) heeft de voorzieningenrechter van deze zittingsplaats het verzoek in die zin toegewezen dat verweerder wordt verboden eiser over te dragen aan Italië tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

Bij besluit van 21 mei 2015 (asielbesluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 mei 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld, geregistreerd onder nummer 15/10173.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig R.M.B. Raj, tolk Punjabi. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 24 maart 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in afwachting van de beantwoording van in de verwijzingsuitspraak van 2 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1004) door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ-EU) gestelde prejudiciële vragen.

Bij arrest van 7 juni 2016 (zaak nr. C-63/15, het Ghezelbash-arrest) heeft het HvJ-EU de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen beantwoord. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de rechtbank in concept opgestelde prejudiciële vraag. Eiser heeft schriftelijk kenbaar gemaakt geen opmerkingen te hebben over de formulering van de vragen. Verweerder heeft een inhoudelijke reactie gegeven op het voornemen van de rechtbank tot het stellen van prejudiciële vragen. Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Eiser heeft op 23 maart 2011 in Nederland een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in de Dublinverordening (asielaanvraag) ingediend. Bij besluit van 5 september 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 31 mei 2012 (AWB 11/29077) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 juni 2013 (201206396/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waardoor het besluit van 23 maart 2011 in rechte vaststaat.

1.3

Eiser heeft op 4 juni 2014 een tweede asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 11 juni 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 7 juli 2014 (AWB 14/13866) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

1.4

Op 28 september 2014 is eiser naar Italië gereisd, omdat hij in Nederland werd beschuldigd van een zedenmisdrijf. Op 23 oktober 2014 heeft eiser in Italië een asielaanvraag ingediend.

1.5

Eiser is op 30 januari 2015 op verzoek van het Nederlandse openbaar ministerie door de Italiaanse autoriteiten aan Nederland overgeleverd en in Nederland aangehouden wegens een verdenking van het plegen van een zedenmisdrijf. In het kader van deze strafzaak heeft eiser tussen 2 en 24 februari 2015 in Nederland in strafrechtelijke detentie gezeten.

1.6

Op 5 maart 2015 heeft Nederland Italië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 23, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013 L180; hierna: Dublinverordening).

1.7

Verweerder heeft in het claimverzoek de Italiaanse autoriteiten de volgende informatie verschaft:
“The person concerned was halted by the Dutch police on 30 January 2015, due to crimal behavior in the Netherlands. An investigation in Eurodac indicates that the person concerned applied for asylum in the Netherlands on 28 February 2011, 18 December 2013 and 4 June 2014 and in Italy on 23 October 2014. The asylum applications in the Netherands were all rejected.

According to Article 23 clause 2 of Regulation (EU) No. 604/2013 a take back request shall be made as quickly as possible and in any event within two months of receiving the Eurodac hit, pursuant to Article 9(5) of Regulation (EU) No 603/2013. However the Dutch authorities never received a take back request from the Italian authorities. According Article 23 clause 3 of the Regulation where the take back request is not made within the periods laid down in paragraph 2, responsibility for examining the application for international protection shall lie with the Member State in which the new application was lodged. The Regulation (EU) No. 604/2013 leaves no room for exceeding time-limits. Consequently, Italy has taken over the responsibility from the Netherlands.

He stated that he applied for asylum in Italy after his applications in the Netherlands were rejected. Although the person concerned declared that he received a resident permit, he could not hand over any documents. The person concerned declared he has left Italy in January 2015 to travel directly to the Netherlands. The person concerned did not apply for asylum in the Netherlands this time. There are no indications that he has left the Dublin territory.

On grounds of the criteria of the Regulation (EU) No. 604/2013 Italy could be responsible for examining the application for international protection of the person concerned.

Enclosed: 1. Photograph 2. Eurodac Search Result 3. Copy Pakistani passport.”

1.8

Italië heeft niet op dit overnameverzoek gereageerd. Verweerder heeft vervolgens op 25 maart 2015 het overdrachtsbesluit genomen.

1.9

Op 30 maart 2015 heeft Italië het terugnameverzoek gehonoreerd.

1.10

Op 19 mei 2015 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag in het asielbesluit niet in behandeling genomen, omdat verweerder zich op het standpunt stelt dat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.11

Bij uitspraak van 7 augustus 2015 (zaak nr. 201405689/1/V2) heeft de Afdeling voornoemde uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2014 ten aanzien van het besluit tot afwijzing van eisers tweede asielaanvraag van 11 juni 2014 bevestigd.

1.12

Op 30 november 2015 heeft het openbaar ministerie eiser bericht dat zijn strafzaak is geseponeerd.

Standpunten partijen

2.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij Italië op 5 maart 2015 heeft verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Omdat de autoriteiten van Italië niet binnen de genoemde termijn van twee weken op het verzoek hebben gereageerd, staat sinds 20 maart 2015 de verantwoordelijkheid van Italië vast. Eiser heeft na zijn tweede procedure in Nederland op 23 oktober 2014 in Italië, zelf en zonder enige dwang van de Italiaanse autoriteiten, een verzoek om internationale bescherming ingediend. Nu de autoriteiten van Italië eiser destijds niet aan Nederland hebben overgedragen, maar het verzoek van eiser in behandeling hebben genomen, is Italië op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening geworden, hetgeen Italië op 30 maart 2015 door middel van een claimakkoord heeft bevestigd. De oorspronkelijke verantwoordelijkheid van Nederland voor het verzoek om internationale bescherming van eiser is hiermee komen te vervallen. Verweerder heeft in de verklaring van eiser dat hij in verband met een strafrechtelijk onderzoek door de Italiaanse autoriteiten aan justitie in Nederland is overgeleverd, geen reden gezien het verzoek van eiser inhoudelijk te behandelen.

2.2

Verweerder heeft in het verweerschrift, ter toelichting op het asielbesluit, het volgende opgemerkt. Het hoger beroep bij de Afdeling doet aan de verantwoordelijkheid van Italië niet af, omdat dit land niet op grond van artikel 23, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening binnen twee (of drie) maanden aan Nederland een terugnameverzoek heeft gericht. Verweerder meent dat hij geen onderzoek hoeft te doen naar de beweegredenen van Italië om Nederland niet te verzoeken eiser terug te nemen. De verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag rust op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening na het verstrijken van voornoemde termijn op Italië en niet meer op Nederland. De verantwoordelijkheid van Italië stond al vast vóórdat eiser naar Nederland terugkeerde, omdat hij op 23 oktober 2014 in Italië asiel heeft aangevraagd en pas op 30 januari 2015 naar Nederland is teruggekeerd. Op het moment van terugkeer naar Nederland verbleef eiser hier zonder verblijfstitel. Het nog openstaande hoger beroep mocht hij immers niet in Nederland afwachten en er is door de Afdeling ook geen verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Aldus deed zich op dat moment de situatie voor, zoals omschreven in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op dat moment had eiser in Nederland nog geen nieuwe asielaanvraag ingediend en heeft verweerder niet ten onrechte gebruik gemaakt van de in artikel 24, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening geboden mogelijkheid een verzoek tot terugname aan Italië richten. Op het hoger beroep bij de Afdeling was weliswaar nog niet beslist, maar dat gegeven was op het moment van het overdrachtsbesluit niet meer relevant, omdat Italië op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening al verantwoordelijk was geworden. De door eiser gestelde administratieve onmacht is niet onderbouwd, aldus verweerder.

3.1

Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte bij de Italiaanse autoriteiten heeft geclaimd. Hij voert aan dat Nederland op grond van artikel 24, eerste lid, van de Dublinverordening niet de bevoegdheid toekwam bij de Italiaanse autoriteiten een claimverzoek omtrent eiser in te dienen, omdat op dat moment nog een asielaanvraag in Nederland liep en geen sprake was van een nieuw verzoek als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij voert daarnaast aan dat Italië vóór het verstrijken van de termijn, op 23 januari 2015, geen reden had bij Nederland een claimverzoek in te dienen, omdat het openbaar ministerie eiser in het kader van een strafzaak naar Nederland liet overleveren en daarover vóór 23 januari 2015 met de Italiaanse autoriteiten contact moet hebben gehad. Italië heeft eiser daarom te goeder trouw niet bij de Nederlandse autoriteiten geclaimd. Hij voert voorts aan dat Nederland met de indiening van de claim in strijd heeft gehandeld met het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat verweerder in strijd heeft gehandeld met de bedoeling van de Dublinverordening door onder de gegeven omstandigheden bij Italië een claim te leggen. Nederland was ervan op de hoogte dat de asielprocedure van eiser nog in behandeling was bij de Afdeling, is al vanaf 23 maart 2011 verantwoordelijk voor de behandeling van opvolgende asielaanvragen van eiser, heeft eiser in het kader van een strafrechtelijk onderzoek laten overleveren door de Italiaanse autoriteiten en heeft met opzet gebruik gemaakt van de administratieve onmacht van Italië om adequaat en tijdig de claim af te wijzen. Italië is al geruime tijd in veel gevallen niet in staat tijdig Dublinclaims te leggen op andere lidstaten en reageert in de regel te laat op ontvangen claims. In de door eiser ontvangen brief van de Europese Commissie (EC) van 27 juli 2015 wordt vermeld dat Italië grote moeite heeft om de Dublin-administratie, zowel inkomend als uitgaand, goed te verwerken. Om die reden is European Asylum Support Office (EASO) op 11 maart 2015 op dat onderdeel een zeer uitgebreid ondersteunend plan met Italië overeengekomen. Dit wijst op de feitelijke situatie dat claims op Italië, door te late beantwoording ervan door Italië, bijna automatisch leiden tot een verplichting van Italië de asielzoekers terug te nemen. Daarnaast is duidelijk dat de administratieve problemen van de Italiaanse autoriteiten op dit vlak dermate groot zijn dat zij ook niet in staat zijn (geweest) in voorkomende gevallen voor de hand liggende en terechte claims op bijvoorbeeld Nederland te leggen. Hoewel eiser de Italiaanse autoriteiten heeft meegedeeld dat hij in Nederland een asielprocedure heeft lopen, heeft Italië bij Nederland geen claim gelegd. Door misbruik te maken van het systeem ‘wie zwijgt stemt toe’ en de administratieve onmacht van Italië om op de stroom Dublinclaims adequaat te reageren, verwerft Nederland zich aldus een op schrift gesteld claimakkoord, waarmee het nu procedureel ook de betrokken asielzoeker zelf van rechtsmiddelen af wil houden op grond van jurisprudentie van de Afdeling. Voorts heeft verweerder door het nemen van de bestreden besluiten in strijd gehandeld met de intentie van Nederland om 2.000 asielzoekers uit Italië alsnog in Nederland (in de procedure) op te nemen.

Beoordeling

3.2

Niet in geschil is dat eiser op 23 oktober 2014 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Gelet op de door eiser hiervoor in 1.2 en 1.3 vermelde in Nederland ingediende asielaanvragen en de behandeling daarvan in Nederland was Nederland op dat moment de voor de behandeling van dat verzoek verantwoordelijke lidstaat. Op grond van artikel 23, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening stond het de Italiaanse autoriteiten vrij bij de Nederlandse autoriteiten een terugnameverzoek in te dienen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Italiaanse autoriteiten dit niet, binnen de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening gestelde termijn, hebben gedaan. Uit artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening lijkt te volgen dat Italië louter door het laten verstrijken van de termijn verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het op 23 oktober 2014 door eiser in dat land ingediende verzoek om internationale bescherming. De vraag is of dit in lijn is met de bedoeling van de Dublinverordening en, zo ja, of aan de overdracht van de verantwoordelijkheid op grond van deze bepaling in de weg staat dat in Nederland nog een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening in behandeling was. De Afdeling had immers nog geen uitspraak gedaan op het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de hiervoor in rechtsoverweging 1.3 genoemde uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2014 en deze procedure is ook niet na het verstrijken van de termijn van artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening (bijvoorbeeld door intrekking van het besluit door verweerder) stopgezet, maar heeft gewoon doorgang gevonden.

3.3

Op 5 maart 2015 heeft Nederland bij Italië een terugnameverzoek ingediend. Omdat vaststaat dat eiser zich op dat moment zonder verblijfstitel in Nederland ophield en in Nederland nog niet opnieuw een verzoek om internationale bescherming had ingediend, lijkt uit artikel 24, eerste lid, van de Dublinverordening te volgen dat de Nederlandse autoriteiten bevoegd waren tot de indiening van het terugnameverzoek van 5 maart 2015. De vraag is of Nederland van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken nu Nederland de primair verantwoordelijke lidstaat was in verband met de twee eerder door eiser ingediende asielaanvragen en nog een procedure over eisers tweede asielaanvraag in behandeling was.

3.4

Indien op deze vraag bevestigend moet worden geantwoord, is de volgende vraag die voorligt of uit artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat het tijdens de indiening van het claimverzoek op 5 maart 2015 in Nederland nog in behandeling zijnde verzoek om internationale bescherming door de Nederlandse autoriteiten onverwijld na indiening van het claimverzoek diende te worden stopgezet door intrekking of wijziging van het eerder genomen besluit van 11 juni 2014 tot afwijzing van de asielaanvraag van 4 juni 2014. Nu dat niet is gebeurd, is het de vraag of dit in de weg staat aan het overgaan van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming op Italië.

3.5

Vaststaat verder dat de Nederlandse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten bij het claimverzoek niet hebben geïnformeerd dat meergenoemd hoger beroep nog bij de Afdeling aanhangig was. De vraag is of de Nederlandse autoriteiten hiermee tekort zijn geschoten in de op haar op grond van artikel 24, vijfde lid, van de Dublinverordening rustende verplichting de Italiaanse autoriteiten van informatie te voorzien aan de hand waarvan zij konden nagaan of deze lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is. Als deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, is de vraag of deze tekortkoming tot de conclusie leidt dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming ondanks het verstrijken van de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening genoemde termijn niet op Italië is overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten is blijven berusten.

3.6

Tot slot ligt de vraag voor of over het voorgaande anders dient te worden geoordeeld in verband met het feit dat de Nederlandse autoriteiten eiser hangende de behandeling in Italië van het aldaar door hem ingediende asielverzoek in het kader van een strafzaak naar Nederland hadden laten overleveren.

3.7

Er is niet gebleken van een acte éclairé, nu er in het verleden niet al door het HvJ-EU een duidelijk antwoord op bovengenoemde vragen is geformuleerd of dat de antwoorden op die vragen kunnen worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het HvJ-EU in vergelijkbare gevallen. Evenmin is gebleken van een acte clair, nu de hierboven in de rechtsoverwegingen 3.3 tot en met 3.6 genoemde bepalingen, mede bezien in het licht van de in deze zaak aan de orde zijnde casuïstiek, niet dusdanig helder zijn geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan.

3.8

De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding het HvJ-EU te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

  1. Moet artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening in die zin worden gelezen dat Italië verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het op 23 oktober 2014 door eiser in dat land ingediende verzoek om internationale bescherming, ondanks het feit dat Nederland de primair verantwoordelijke lidstaat was op grond van de in dit land eerder ingediende verzoeken om internationale bescherming in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, waarvan de laatste op dat moment in Nederland nog in behandeling was, omdat de Afdeling nog geen uitspraak had gedaan op het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de hiervoor in rechtsoverweging 1.3 genoemde uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2014?;

  2. Volgt uit artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening dat het tijdens de indiening van het claimverzoek op 5 maart 2015 in Nederland nog in behandeling zijnde verzoek om internationale bescherming door de Nederlandse autoriteiten onverwijld na indiening van het claimverzoek diende te worden opgeschort en na het verstrijken van de termijn van artikel 24 te worden stopgezet door intrekking of wijziging van het eerder genomen besluit van 11 juni 2014 tot afwijzing van de asielaanvraag van 4 juni 2014?;

  3. Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming niet op Italië overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten blijven berusten, omdat verweerder het besluit van 11 juni 2014 niet heeft ingetrokken of gewijzigd?;

  4. Zijn de Nederlandse autoriteiten, door geen melding te maken van het in Nederland bij de Afdeling aanhangige hoger beroep in de tweede asielprocedure, tekort geschoten in de op hen op grond van artikel 24, vijfde lid, van de Dublinverordening rustende verplichting de Italiaanse autoriteiten van informatie te voorzien aan de hand waarvan zij konden nagaan of deze lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is?;

  5. Als het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, leidt deze tekortkoming tot de conclusie dat daardoor de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming niet op Italië is overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten is blijven berusten?;

  6. Indien de verantwoordelijkheid niet bij Nederland is blijven berusten, hadden de Nederlandse autoriteiten dan in verband met de overlevering van eiser uit Italië aan Nederland in het kader van zijn strafzaak, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening het door hem in Italië ingediende verzoek om internationale bescherming behoren te behandelen, en hadden zij, in het verlengde daarvan, in redelijkheid geen gebruik mogen maken van de in artikel 24, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid de Italiaanse autoriteiten om eisers terugname te verzoeken?

3.9

Gelet op het vorenstaande zal de behandeling van het beroep worden geschorst totdat het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan.

3.10

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verzoekt het HvJ-EU bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 3.8 genoemde vragen;

- schorst de behandeling van de beroepen en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, voorzitter, en mr. A.J. van Putten en mr. M.C. Eggink, leden, in aanwezigheid van mr. F.S. Zwerwer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: FZ

D: A

VK

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Bijlage juridisch kader

Op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening wordt voor de toepassing van deze verordening verstaan onder: „behandeling van een verzoek om internationale bescherming”: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU en Richtlijn 2011/95/EU, met uitzondering van de procedures waarbij de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald krachtens de bepalingen van deze verordening.

Op grond van artikel 3, eerste lid, behandelen de lidstaten elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is.

Op grond van artikel 7, eerste lid, zijn de in hoofdstuk III vastgestelde criteria aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald van toepassing in de volgorde waarin ze voorkomen in de tekst.

Op grond van artikel 17, eerste lid, kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, lid 1, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

Op grond van artikel 18, tweede lid, voor zover hier van belang, behandelt de verantwoordelijke lidstaat in de in lid 1, onder b) bedoelde omstandigheden, het verzoek om internationale bescherming of rondt hij de behandeling van het verzoek af.

Op grond van artikel 23, eerste lid, kan, wanneer een lidstaat waar een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, van oordeel is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig artikel 20, lid 5, en artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), hij die andere lidstaat verzoeken de betrokken persoon terug te nemen.

Op grond van artikel 23, tweede lid, wordt een verzoek tot terugname zo snel mogelijk ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac‑treffer op grond van artikel 9, lid 5, van de Verordening (EU) nr. 603/2013.

Op grond van artikel 23, derde lid, berust, indien het verzoek tot terugname niet binnen de in lid 2 vermelde termijnen wordt ingediend, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij de lidstaat waar het nieuwe verzoek is ingediend.

Op grond van artikel 24, eerste lid, kan, wanneer een lidstaat op het grondgebied waarvan een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), zich zonder verblijfstitel ophoudt en waar er geen nieuw verzoek om internationale bescherming is ingediend, van oordeel is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), hij die andere lidstaat verzoeken de betrokken persoon terug te nemen.

Op grond van artikel 24, tweede lid, wordt, voor zover hier van belang, wanneer een lidstaat op het grondgebied waarvan een persoon zich zonder verblijfstitel ophoudt, besluit het Eurodac-systeem te raadplegen overeenkomstig artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 603/2013, het verzoek tot terugname van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b) van deze verordening, wiens verzoek om internationale bescherming niet bij definitieve beslissing is afgewezen, zo snel mogelijk ingediend, en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 603/2013.

Op grond van artikel 24, vijfde lid, wordt het verzoek tot terugname van de persoon bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), c) of d), ingediend met behulp van een standaardformulier en gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen, als omschreven in de in artikel 22, lid 3, vermelde lijsten, en/of relevante elementen uit de verklaringen van de betrokkene, aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is.

Op grond van artikel 25, eerste lid, verifieert de aangezochte lidstaat de gegevens en neemt een besluit over het terugnameverzoek, en wel zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk één maand na ontvangst van het verzoek. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt die termijn teruggebracht tot twee weken.

Op grond van artikel 25, tweede lid, staat het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn van één maand of twee weken, gelijk met aanvaarding van het verzoek en houdt de verplichting in om de betrokken persoon terug te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.

Op grond van artikel 26, eerste lid, stelt de verzoekende staat, wanneer de aangezochte lidstaat instemt met de overname of de terugname van een verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder c) of d), de betrokkene in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat en, indien van toepassing, van het besluit om zijn verzoek om internationale bescherming niet te behandelen.