Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-04-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AWB 17/5691
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

C.K. tegen Slovenië, artikel 4 Handvest, ernstige verslechtering van de gezondheidssituatie bij overdracht, zorgvuldig maatwerk, Tsjechië, kritische kanttekeningen, geen BMA-onderzoek, overdrachtsbesluit, fit-to-fly-onderzoek, opsturen medisch dossier, onvoldoende waarborg, Dublinoverdracht.

Uit het arrest van het HvJ-EU in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) leidt de rechtbank af dat zelfs als er geen gronden zijn om aan te nemen dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangomstandigheden in de aangezochte lidstaat, de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 Handvest met zich kan meebrengen. Dit is met name aan de orde indien overdracht van een zeer zieke vreemdeling een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben.

Door eiseres zijn medische stukken ingebracht waaruit volgt dat hiervan sprake zal zijn bij overdracht aan Tsjechië omdat vanwege de psychiatrische problematiek van eiseres een groot risico bestaat op suïcide bij het stoppen van de behandeling. De gevolgen van terugplaatsing naar de plek en situatie waar eiseres haar trauma heeft opgelopen, Tsjechië, zou desastreus zijn voor de prognose van de depressie en de suïcidedreiging.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bij overdracht uiterst zorgvuldig maatwerk zal dienen te worden verricht en dat indien dit niet mogelijk is de overdracht niet door zal gaan. Er wordt volgens de gemachtigde van verweerder ruggespraak gehouden met Tsjechië.

De rechtbank is van oordeel dat in dit verband en onder deze bijzondere omstandigheden onder uiterst zorgvuldig maatwerk bij overdracht tevens dient te worden begrepen dat verweerder zich dient te vergewissen dat zich door overdracht geen ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres voordoet vanwege het ontbreken van de benodigde, noodzakelijke medische behandeling of begeleiding. In een dergelijk geval zal bij overdracht dienen te worden gewaarborgd door verweerder dat zich geen ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres voordoet die strijdig is met artikel 4 Handvest zowel tijdens de overdracht als vanwege het niet direct beschikbaar zijn van een vergelijkbare behandeling aansluitend aan de overdracht. Verweerder kan dit niet afdoen met slechts een zogeheten fit-to-fly-onderzoek en zich vervolgens beperken tot het opsturen van het medisch dossier van eiseres aan de Dublin-unit van Tsjechië. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder in dit geval in reactie op de door eiseres ingebrachte medische informatie van een arts, een medische deskundige, enkel kritische kanttekeningen naar voren heeft gebracht. Nu deze kritische kanttekeningen niet afkomstig zijn van een medische deskundige, zoals het Bureau Medische Advisering (BMA), kan niet op grond daarvan worden geoordeeld dat niet van de juistheid van de door eiseres ingebrachte medische informatie hoeft te worden uitgegaan. Evenmin kan verweerder in dit verband volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Hoewel aldus niet is gebleken dat eiseres in Tsjechië niet de benodigde zorg kan worden geboden voor haar psychiatrische klachten, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank met de gegeven motivering niet op het standpunt kunnen stellen dat eiseresses gezondheidssituatie niet in de weg staat aan overdracht aan Tsjechië en kan het standpunt dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid het asielverzoek aan zich te trekken, de rechterlijke toetsing niet doorstaan.

Onder deze omstandigheden kan verweerder niet een overdrachtsbesluit nemen voordat het BMA een medische beoordeling heeft opgemaakt over de vraag of in het geval van eiseres de behandeling in Tsjechië als zodanig dan wel de overdracht naar een behandelende instelling in Tsjechië mogelijke desastreuze gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiseres zouden hebben. De rechtbank kan er in dit verband niet aan voorbij zien dat de gemachtigde van verweerder ter zitting expliciet heeft aangegeven dat verweerder geen aanleiding ziet zich te laten adviseren door het BMA, zodat niet gewaarborgd is dat een dergelijk onderzoek zal plaatsvinden voordat de feitelijke overdracht zal plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/5691

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1986, eiseres,

alsmede haar minderjarige zoon:

[minderjarige zoon] , geboren op [geboortedag] 2008, eiseres,

beiden van Armeense nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, Vw 2000.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op 14 maart 2017 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 17/5692.

De behandeling van het beroep en het verzoek heeft gelijktijdig plaatsgevonden ter zitting van 4 april 2017. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 23 december 2016 heeft eiseres een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Uit onderzoek in het Visa Information System van de Europese Unie (EU-VIS) blijkt dat eiseres op 23 november 2013 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Tsjechië in Jerevan te Armenië in het bezit is gesteld van een visum (behorend bij paspoortnummer [paspoortnummer] ), dat geldig was van 28 november 2016 tot 22 december 2016. Verweerder heeft Tsjechië op 30 januari 2017 verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013). De Tsjechische autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 10 maart 2017. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Tsjechië voor de behandeling hiervan verantwoordelijk is.

Standpunten partijen

2. Tussen partijen is niet in geschil dat Tsjechië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Het houdt partijen verdeeld of Nederland op grond van artikel 3, tweede lid, Vo 604/2013 verantwoordelijk is geworden voor het asielverzoek of dat verweerder met toepassing van artikel 17, eerste lid, Vo 604/2013 de behandeling van het asielverzoek aan zich moet trekken.

3. Eiseres heeft – kort samengevat – aangevoerd dat overdracht naar Tsjechië niet mogelijk is omdat ernstig gevreesd moet worden dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen in dat land systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar het rapport van European Database of Asylum Law (EDAL) van 21 februari 2014; drie internetartikelen van DW.com van 13, 22 en 27 oktober 2015, een internetbericht van Independent uit 2016, het gedeelte van het rapport van het Helsinki Comite "Pushed back at the door" van 18 februari 2016 dat betrekking heeft op Tsjechië, het deel van het rapport van het US Department of State (USDoS) "Trafficking in persons' van 30 juni 2016 en het rapport van Amnesty International (AI) van 24 februari 2016. Uit deze stukken volgt volgens eiseres dat asielzoeker, waaronder Dublinclaimanten, in Tsjechië routinematig worden gedetineerd en dat de detentieomstandigheden aldaar mensonterend zijn, zodat dit een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) behelst. Verder blijkt uit de aangehaalde rapporten dat de opvangvoorzieningen in Tsjechië slechter zijn dan in de gevangenissen, aldus eiseres. Nu eiseres ernstige psychische problemen heeft en daarvoor medische hulp behoeft, vormt het ontbreken van medische voorzieningen en dramatische sanitaire omstandigheden een duidelijke aanwijzing dat overdracht aan Tsjechië zal leiden tot schending van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Naar de mening van eiseres blijkt uit de rapporten dat Tsjechië door dramatische opvangvoorzieningen en detentie asielzoekers ontmoedigt om asiel aan te vragen, hetgeen dient te worden aangemerkt als een essentiële systeemfout. Ook meent zij dat hieruit volgt dat gratis rechtshulp niet beschikbaar is voor asielzoekers waardoor eiseres en haar zoon verstoken blijven van rechtshulp en dit vormt een reëel risico op refoulement. Immers, vanwege het ontbreken van juridische kennis zal eiseres zelf tegen inbreuken feitelijk geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden of een klacht kunnen indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Voorts voert eiseres als persoonlijke omstandigheden aan dat zij slachtoffer is van mensenhandel en in Tsjechië gedwongen in de prostitutie heeft moeten werken, dat zij tijdens haar gedwongen verblijf zeer ernstig is mishandeld waardoor eiseres een psychisch trauma heeft opgelopen en dat zij vanwege haar psychische en lichamelijke klachten onder medische behandeling staat. Eiseres heeft ter onderbouwing van deze klachten haar medisch dossier van het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA), een email van huisarts Greetje Banga van 21 februari 2017 en een brief van klinisch psycholoog Patricia van Sluis van 29 maart 2017 overgelegd.

4. Verweerder heeft zich – onder verwijzing naar de arresten van het EHRM in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308) en de zaak S. Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië van 2 april 2013 (ECLI:CE:ECHR:2013:0402DEC002772510), alsook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) in de gevoegde zaken N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland van 21 december 2011 (ECLI:EU:C:2011:865) – op het standpunt gesteld dat eiseres met deze rapporten en internetartikelen en –berichten niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Tsjechië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat zij een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 Handvest. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ter onderbouwing verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 9 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:15140). Nu er volgens verweerder geen concrete aanwijzingen zijn dat Tsjechië als verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, wordt evenmin aanleiding gezien toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, Vo 604/2013. Naar de mening van verweerder kan eiseres dan ook worden overgedragen aan Tsjechië. Ook in de door eiseres aangevoerde persoonlijke en medische omstandigheden ziet verweerder geen bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan van overdracht aan Tsjechië dient te worden afgezien.

Systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Tsjechië

5. Ten aanzien van het beroep van eiseres op “systeemfouten” in de zin van artikel 3, tweede lid, Vo 604/2013 in Tsjechië, de lidstaat die verantwoordelijk is voor haar asielverzoek, overweegt de rechtbank als volgt.

6. Uit de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (vgl. de zaken K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 en M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609) volgt dat het uitgangspunt is dat in iedere lidstaat, die is aangesloten bij de Dublinverordening (thans: Vo 604/2013), mogelijkheden bestaan om bescherming te krijgen tegen een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Enkel ten aanzien van Griekenland heeft het EHRM in het M.S.S.arrest geoordeeld dat voldoende was aangetoond dat dit niet het geval was, zodat overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM met zich bracht. Verder kan uit dit arrest worden opgemaakt dat bij de beoordeling, of een overdracht in het kader van de Dublinverordening in strijd is met artikel 3 EVRM, de kwaliteit van de asielprocedure alsook de levensomstandigheden voor de asielzoeker in het land waaraan wordt overgedragen dienen te worden betrokken en dat de lidstaat die wenst over te dragen zich hiervan dient te vergewissen. Verder volgt uit het arrest van het HvJ-EU in de gevoegde zaken N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland van 21 december 2011 dat artikel 4 Handvest aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten, daaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties, een asielzoeker niet aan de "verantwoordelijke lidstaat" in de zin van de Dublinverordening (thans: Vo 604/2013) mogen overdragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in deze lidstaat ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van deze bepaling.

7. De rechtbank overweegt dat, nu Tsjechië verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiseres, het uitgangspunt is dat zij zich met problemen betreffende de opvangvoorzieningen of toegang tot de asielprocedure dient te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) Tsjechische autoriteiten en, indien nodig, tot het EHRM. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en/of de opvang(voorzieningen) en/of de levens- en/of detentieomstandigheden, zoals bedoeld in het M.S.S.arrest van het EHRM.

8. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Tsjechië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit in haar geval niet kan omdat de Tsjechische autoriteiten zich na overdracht niet aan de verdragsverplichtingen zullen houden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Tsjechië de verdragsverplichtingen niet zal nakomen (jegens haar) en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest dan wel dat als Tsjechië bepaalde verdragsverplichtingen niet zou nakomen (voor haar) niet de mogelijkheid bestaat om hierover te klagen bij de (hogere) Tsjechische autoriteiten en zo nodig door te procederen tot het EHRM. Zo heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat Tsjechië zich niet aan de internationale verdragsverplichtingen houdt en dit kan evenmin uit de verklaringen van eiseres over haar persoonlijke ervaringen in Tsjechië worden afgeleid. Ook kan uit hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht niet worden afgeleid dat de asielprocedure en de opvangmogelijkheden in Tsjechië structurele gebreken vertonen.

9. De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit en ter zitting een op het betoog van eiseres toegespitste standpuntbepaling naar voren heeft gebracht, waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat de door eiseres ingebrachte stukken niet tot het oordeel leiden dat in Tsjechië sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen, zodat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 3, tweede lid, Vo 604/2013. Geconstateerd wordt dat eiseres in beroep in overwegende mate heeft volstaan met een herhaling van de door haar in de zienswijze aangevoerde gronden. De rechtbank ziet geen aanleiding om het door verweerder ten aanzien van deze gronden ingenomen standpunt onjuist te achten, zodat hiermee voldoende is gemotiveerd dat de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende concrete aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat Tsjechië de internationale verdragsverplichtingen niet nakomt en dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van eiseres en haar zoon aan Tsjechië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest. Uit de rapportages die eiseres heeft ingebracht valt niet de conclusie te trekken dat de Tsjechische autoriteiten stelselmatig en doelbewust met detentie en erbarmelijke opvangvoorzieningen asielzoekers ontmoedigen om een asielverzoek in te dienen in Tsjechië.

10. In dit verband acht de rechtbank van belang dat uit het rapport van EDAL van 21 februari 2014, dat de wetgeving en de asielprocedure in Tsjechië beschrijft, weliswaar volgt dat de Tsjechische wet niet in alle gevallen voorziet in een recht op gratis rechtshulp gedurende de asielprocedure, maar dat verweerder zich in dit verband terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit nog niet maakt dat daardoor risico bestaat op refoulement. Zo blijkt uit dit rapport dat het in Tsjechië mogelijk is om zich te wenden tot een onafhankelijke rechter en daartoe gratis rechtsbijstand te verkrijgen als de asielzoeker zich dit niet kan veroorloven. Het EDAL‑rapport vermeldt namelijk ook dat gedurende de asielprocedure wel een recht bestaat te verzoeken om rechtsbijstand en dat deze bijstand, naast (betaalde) advocaten, gratis vanuit NGO’s beschikbaar gesteld wordt. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat gedurende de asielprocedure recht bestaat op een (gratis) tolk. Hoewel juridische hulp vanuit de NGO’s mogelijk slechts beperkt beschikbaar zal zijn, valt, nu eiseres gedurende de asielprocedure ook de beschikking heeft over een tolk, niet in te zien dat zij niet in staat zal zijn rechtsmiddelen in te stellen. Tevens volgt uit het rapport van EDAL dat er bij een negatieve beschikking rechtsmiddelen open staan en dat in (hoger) beroep wel recht bestaat op gratis juridische vertegenwoordiging, indien de asielzoeker de kosten hiervoor zelf niet kan opbrengen. Zodoende valt niet in te zien dat eiseres bij eventuele problemen niet in staat zal zijn te klagen bij de Tsjechische autoriteiten en dat zij en haar zoon een risico op refoulement zullen lopen.

11. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij en haar zoon in Tsjechië grote kans lopen niet over adequate rechtshulp te zullen beschikken, overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat in Tsjechië de rechtsbijstand in de asielprocedure anders is geregeld dan in Nederland en dat in de Tsjechische asielprocedure eerst in beroep recht bestaat op kosteloze rechtsbijstand niet tot de conclusie leidt dat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure in Tsjechië en dat daardoor niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, hoewel uit artikel 19 van Richtlijn 2013/32/EU (hierna: de Procedurerichtlijn) volgt dat gratis rechtsbijstand in geval van een negatieve beslissing mogelijk moet zijn, uit artikel 21, tweede lid, van Procedurerichtlijn volgt dat een lidstaat de voorwaarde kan opleggen dat deze rechtsbijstand enkel wordt aangeboden aan diegenen die niet over voldoende middelen beschikken. Verder volgt uit artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn dat kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging op grond van deze richtlijn niet hoeft te worden aangeboden wanneer een beroep van de verzoeker geen reële kans van slagen heeft. De Procedurerichtlijn bevat dus geen onvoorwaardelijke en absolute garantie op gratis rechtsbijstand.

11. Daargelaten dat de door eiseres overgelegde internetberichten van DW.com en de Independent, waaruit volgt dat asielzoekers in Tsjechië routinematig zouden worden gedetineerd in detentiecentra onder mensonterende omstandigheden zonder juridische mogelijkheden om tegen deze detentie op te komen, enigszins gedateerd zijn en zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt zijn informatie bevatten van dezelfde bron, namelijk de Tsjechische human rights official Anna Sabatova en UN High Commissioner for Human Rights Zeid Ra'ad al-Hussain, overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat uit deze internetartikelen niet kan worden opgemaakt dat de asielprocedure in Tsjechië niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Deze artikelen zien immers op de detentieprocedure en -omstandigheden van vreemdelingen in Tsjechië. Bij uitspraak van 23 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:254, rechtsoverweging 2.3) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) overwogen dat een mogelijke detentie nog niet tot het oordeel leidt dat Nederland de behandeling van het asielverzoek aan zich moet trekken. Verder blijkt uit het bericht in de Independent weliswaar dat de Tsjechische minister van Justitie, Robert Pelikán, de detentiefaciliteiten heeft omschreven als “worse than in prison”, maar dat neemt niet weg dat uit de berichten van DW.com en Independent niet volgt dat (alle) in het kader van de Dublinverordening aan Tsjechië overgedragen asielzoekers routinematig worden gedetineerd. Er wordt namelijk uitdrukkelijk gesproken over illegale (ongedocumenteerde) vreemdelingen die tot 90 dagen kunnen worden gedetineerd. Niet is gebleken dat eiseres en haar zoon tot deze categorie vreemdelingen behoren en dat zij daarom bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico lopen gedetineerd te worden. Dit geldt temeer nu eiseres en haar zoon door Tsjechië een visum was verstrekt waarmee zij het land zijn ingereisd en dat uit haar verklaringen niet is gebleken dat zij gedurende haar verblijf aldaar zijn gedetineerd. De stelling van de gemachtigde van eiseres ter zitting dat eiseres en haar zoon na overdracht aan Tsjechië alsnog het risico lopen een administratieve overtreding te plegen als gevolg waarvan zij worden gedetineerd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Door eiseres is immers niet onderbouwd dat terugkerende Dublinclaimanten dit risico lopen. Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de voormelde internetberichten niet blijkt dat zogeheten Dublinclaimanten, zoals eiseres en haar zoon, bij overdracht aan Tsjechië stelselmatig zullen worden gedetineerd. In zoverre geeft hetgeen is aangevoerd over de detentieomstandigheden in Tsjechië dan ook geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de omstandigheden in detentiecentra in dat land voor eiseres als een alleenstaande ouder met minderjarige kind, hetgeen haar kwalificeert als bijzonder kwetsbaar persoon, in strijd zijn met artikel 3 EVRM, dan wel dat de detentieprocedure voor vreemdelingen in Tsjechië niet zouden voldoen aan de vereisten van artikel 5 EVRM. Derhalve heeft eiseres met deze internetberichten niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Tsjechië door verweerder niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat dit land de internationale verplichtingen niet nakomt.

13. In het door eiseres aangehaalde rapport van AI van 24 november 2016 wordt bericht over routinematige detentie van asielzoekers, alsook dat de Tsjechische regering de aanbeveling van de Tsjechische ombudsman heeft verworpen om te stoppen met het plaatsen van kinderen in een detentiecentrum. De rechtbank volgt verweerder dat uit dit AI‑rapport niet kan worden afgeleid dat sprake is van dusdanig ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Tsjechië dat bij overdracht van eiseres sprake zal zijn van strijd met artikel 3 EVRM. De mogelijkheid, zoals uit het aangehaalde rapport van AI blijkt, dat ook asielzoekers kunnen worden gedetineerd, hetgeen ook in Nederland het geval is ingevolge artikel 59b Vw 2000, is op zich onvoldoende om te concluderen dat verblijf aldaar in strijd is met artikel 3 EVRM. Het AI‑rapport over Tsjechië gaat met name over de situatie in de opvang in één bepaald detentiecentrum, genaamd Bělá-Jezová, en de problemen die zich daar voordoen met de opvangvoorzieningen voor vluchtelingen. Bovendien is van belang dat, zoals reeds is overwogen, eiseres en haar zoon na overdracht aan Tsjechië geen illegale vreemdelingen zijn en dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij bij terugkeer in detentie zullen worden geplaatst en dus evenmin dat zij naar het detentiecentrum Bělá-Jezová zullen worden gebracht. Dit betekent echter niet dat overdracht van eiseres en haar zoon aan Tsjechië strijd oplevert met artikel 3 EVRM. Niet is gebleken dat eiseres niet bij de Tsjechische autoriteiten kan klagen over gebreken in de opvangvoorzieningen of over detentieomstandigheden.

13. Eiseres heeft aangevoerd dat het rapport van het Helsinki Comite van 18 februari 2016 bericht dat het onmogelijk is om op de luchthaven van Praag een asielaanvraag in te dienen. Nu Dublinoverdrachten via deze luchthaven verlopen, stelt eiseres te vrezen dat zij geen asiel kan aanvragen en met haar zoon onder erbarmelijke omstandigheden zal worden gedetineerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat deze stelling niet kan worden gevolgd. Immers, uit het rapport van het Helsinki Comite volgt niet dat eiseres, voor wie de Tsjechische autoriteiten expliciet de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek hebben erkend in het claimakkoord, niet de mogelijkheid zou hebben om een asielaanvraag in te dienen na terugkeer in Tsjechië maar dat voor haar de toegang tot de asielprocedure in dat land volledig is geblokkeerd. Evenmin volgt uit dit rapport dat eiseres en haar zoon als terugkerende Dublinclaimanten zal worden gedetineerd onder erbarmelijke omstandigheden.

15. Voorts heeft eiseres gesteld dat zij slachtoffer is van mensenhandel en dat het aangehaalde rapport van het USDoS van 30 juni 2016 bericht dat slachtoffers met kinderen geen adequate bescherming en middelen krijgen in Tsjechië. Volgens eiseres is het feitelijk onmogelijk om verblijf in Tsjechië te krijgen vanwege het zijn van een slachtoffer van mensenhandel. Wat betreft de betwisting dat in Tsjechië de bescherming van slachtoffers van mensenhandel onvoldoende is en dat slachtoffers van kinderen onvoldoende middelen krijgen, overweegt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat een beroep van eiseres op het zogeheten Trafficking in Persons Report 2016 - Czech Republic van USDoS niet leidt slaagt omdat zij hiermee niet aannemelijk maakt dat in Tsjechië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat zij een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 Handvest. Eiseres wijst er terecht op dat wordt bericht dat het getuigenbeschermingsprogramma van het ministerie van Binnenlandse Zaken in Tsjechië voor slachtoffers van mensenhandel met kinderen niet in voldoende mate van middelen voorziet, maar uit dit rapport blijkt ook dat de Tsjechische regering vooruitgang blijft boeken bij hun inspanningen om slachtoffers van mensenhandel te beschermen. Nu uit het rapport van USDoS niet blijkt dat eiseres zich bij voorkomende problemen die duiden op ontoereikende middelen of voorzieningen als slachtoffer van mensenhandel niet tot de daartoe aangewezen autoriteiten in Tsjechië zou kunnen wenden, heeft verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er van kunnen uitgaan dat dit land de internationale verdragsverplichtingen nakomt.

16. Eiseres heeft aangevoerd dat zij slachtoffer is van mensenhandel, dat zij in Tsjechië gedwongen in de prostitutie heeft moeten werken en dat zij tijdens haar gedwongen verblijf ernstig is mishandeld waardoor zij een psychisch trauma heeft opgelopen. Ook geeft eiseres aan dat zij bij terugkeer naar Tsjechië vreest om door Mama Rosa en haar handlangers te worden vermoord en dat zij zelfs zo angstig is dat zij suïcidegedachten heeft.

17. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het persoonlijk relaas van eiseres – bezien in het licht van de door haar ingebrachte stukken – geen indicaties biedt voor het oordeel dat de asielprocedure in Tsjechië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vrees van eiseres om na terugkeer in Tsjechië te worden vermoord door Mama Rosa en haar handlangers doet niet af aan het feit dat in dit geval is Tsjechië verantwoordelijk voor de behandeling van haar asielverzoek. Niet is gebleken dat eiseres zich bij voorkomende problemen niet zou kunnen wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) Tsjechische autoriteiten of geëigende instanties en dat deze haar niet zouden kunnen of willen helpen. Tsjechië is partij bij het EVRM en het bepaalde in artikel 3, tweede lid, Vo 604/2013 is niet van toepassing. Daarom bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat met de overdracht van eiseres aan de Tsjechische autoriteiten een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 EVRM of het artikel 4 Handvest.

18. Met betrekking tot de psychische-medische klachten van eiseres heeft de begeleidster van eiseres en haar zoon, [begeleidster] , die als ambulant hulpverlener werkzaam is bij de traumaverwerkingscentrum Fier te Leeuwarden, waar eiseres samen met haar zoon is opgenomen, de rechtbank desgevraagd geïnformeerd dat eiseres een traumabehandeling van een psychiater en psycholoog ondergaat met een gemiddelde behandelingsduur van een jaar tot anderhalf jaar en dat het stopzetten van die behandeling en het plaatsen in een onveilige situatie zal leiden tot een verergering van de traumaklachten.

19. Op grond van de artikelen 31, 32 en 34 van Vo 604/2013 dient voorafgaand aan en bij de overdracht het overdragende Dublinland (Nederland) het ontvangende Dublinland (Tsjechië) te informeren over de bijzondere belangen van de asielzoeker, met name over medische gegevens (middels een formulier van overdracht).

20. Uit het arrest van het HvJ-EU in de zaak C.K. e.a. tegen Slovenië van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) leidt de rechtbank af dat zelfs als er geen gronden zijn om aan te nemen dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangomstandigheden in de aangezochte lidstaat, de Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 Handvest met zich kan meebrengen. Dit is met name aan de orde indien overdracht van een zeer zieke vreemdeling een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Door eiseres zijn medische stukken ingebracht waaruit volgt dat hiervan sprake zal zijn bij overdracht aan Tsjechië omdat vanwege de psychiatrische problematiek van eiseres een groot risico bestaat op suïcide bij het stoppen van de behandeling. De gevolgen van terugplaatsing naar de plek en situatie waar eiseres haar trauma heeft opgelopen, Tsjechië, zou desastreus zijn voor de prognose van de depressie en de suïcidedreiging. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat bij overdracht uiterst zorgvuldig maatwerk zal dienen te worden verricht en dat indien dit niet mogelijk is de overdracht niet door zal gaan. Er wordt volgens de gemachtigde van verweerder ruggespraak gehouden met Tsjechië. De rechtbank is van oordeel dat in dit verband en onder deze bijzondere omstandigheden onder uiterst zorgvuldig maatwerk bij overdracht tevens dient te worden begrepen dat verweerder zich dient te vergewissen dat zich door overdracht geen ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres voordoet vanwege het ontbreken van de benodigde, noodzakelijke medische behandeling of begeleiding. In een dergelijk geval zal bij overdracht dienen te worden gewaarborgd door verweerder dat zich geen ernstige verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres voordoet die strijdig is met artikel 4 Handvest zowel tijdens de overdracht als vanwege het niet direct beschikbaar zijn van een vergelijkbare behandeling aansluitend aan de overdracht. Verweerder kan dit niet afdoen met slechts een zogeheten fit-to-fly-onderzoek en zich vervolgens beperken tot het opsturen van het medisch dossier van eiseres aan de Dublin-unit van Tsjechië. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder in dit geval in reactie op de door eiseres ingebrachte medische informatie van een arts, een medische deskundige, enkel kritische kanttekeningen naar voren heeft gebracht. Nu deze kritische kanttekeningen niet afkomstig zijn van een medische deskundige, zoals het Bureau Medische Advisering (BMA), kan niet op grond daarvan worden geoordeeld dat niet van de juistheid van de door eiseres ingebrachte medische informatie hoeft te worden uitgegaan. Evenmin kan verweerder in dit verband volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze grief slaagt dus.

21. Verder kan uit het arrest van het EHRM in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) worden opgemaakt dat de autoriteiten van de overdragende lidstaat de autoriteiten van de aangezochte lidstaat voldoende informeren over de bijzondere kwetsbaarheden van de asielzoeker, zodat zij op de hoogte zijn van de specifieke situatie van de bijzonder kwetsbare asielzoeker en hieraan op passende wijze recht kunnen doen inzake beschikbare opvangcapaciteit en leefomstandigheden in de aanwezige opvangcentra. Voor zover eiseres stelt dat verweerder gehouden is om de Tsjechische autoriteiten om (individuele) garanties te vragen alvorens haar en haar zoon over te dragen, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting terecht opgemerkt dat het arrest Tarakhel ziet op de opvangsituatie in Italië. De rechtbank overweegt dat met de door eiseres ingebrachte stukken niet aannemelijk is gemaakt dat de opvangsituatie in Tsjechië vergelijkbaar is met die in Italië, zodat ook bij bijzonder kwetsbare vreemdelingen ten aanzien van Tsjechië door verweerder van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat verweerder garanties als bedoeld in het Tarakhel‑arrest van de Tsjechische autoriteiten dient te verkrijgen alvorens eiseres kan worden overdragen en dat overdracht zonder dergelijke garanties een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM met zich brengt.

21. De vraag of eiseres vanwege haar psychisch-medische omstandigheden niet kan reizen is pas aan de orde als de feitelijke overdracht daadwerkelijk aanstaande is. Eiseres heeft de mogelijkheid om tegen de feitelijke overdracht rechtsmiddelen aan te wenden.

Bijzondere, individuele omstandigheden

23. Eiseres heeft aangevoerd dat de Nederlandse autoriteiten, gelet op haar persoonlijke omstandigheden en psychisch-medische aspecten, het asielverzoek in behandeling dienen te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, Vo 604/2013. Naar de mening van eiseres is sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt, indien het asielverzoek niet in Nederland in behandeling wordt genomen en zij wordt overgedragen aan de Tsjechische autoriteiten. Zo heeft eiseres aangegeven dat zij vanwege haar psychische en lichamelijke klachten onder medische behandeling staat en ter onderbouwing hiervan is haar medisch dossier en een email van de huisarts overgelegd. De huisarts geeft in de overgelegde email aan dat eiseres momenteel wordt behandeld vanwege een depressie met psychotische kenmerken en angstklachten, waarvan bekend is dat suïcidaliteit een risico is. Terugplaatsing naar de plek en situatie waar eiseres haar trauma heeft opgelopen zou desastreus zijn voor de prognose van de depressie en luxerend zijn voor de suïcidaliteit, aldus de huisarts. Volgens de huisarts en de praktijkverpleegkundige van de GCA zou overdracht aan Tsjechië onverantwoord zijn met het oog op suïcide en psychose en de kansen op herstel negatief beïnvloeden. Inmiddels is eiseres opgenomen in een kliniek voor traumaverwerking in verband met haar psychiatrische problematiek. De klinisch psycholoog van de kliniek Fier te Leeuwarden, een expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties, waar eiseres en haar zoon sinds 20 maart 2017 zijn opgenomen op de afdeling “Rena moeder en kind”, geeft aan dat deze afdeling een klinische setting voor anderstalige moeders en kinderen is waarbij sprake is van psychiatrische problematiek bij de moeder en veelal van een mensenhandel relaas. Nu uit de aangehaalde rapporten blijkt dat de verblijfsomstandigheden en de medische zorg voor asielzoekers in Tsjechië te wensen over laat en mensonterend zijn, is eiseres van mening dat de medische zorg voor asielzoekers dus niet gelijkwaardig is aan die in Nederland. Tot slot heeft eiseres een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 25 juli 2016 (AWB 16/14849, ECLI:NL:RBMNE: 2016:4238) alsmede de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2017 (201605812/1), waarin de aangevallen uitspraak van zittingsplaats Utrecht is bevestigd, overgelegd. In deze vergelijkbare zaak speelde ook psychiatrische problematiek met een groot risico op suïcide en opname en hieruit kan volgens eiseres worden afgeleid dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van onevenredige hardheid ingevolge artikel 17 Vo 604/2013. Zo oordeelde de rechtbank dat verweerder niet kon volstaan met de stelling dat in de Dublinlidstaat waarna wordt overgedragen gelijkwaardige medische voorzieningen zijn en dat behandeling daar kan plaatsvinden.

24. In afwijking van artikel 3, eerste lid, Vo 604/2013 kan verweerder besluiten om gebruik te maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 17, eerste lid, Vo 604/2013 om een asielverzoek onverplicht in behandeling te nemen, indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Uit paragraaf C2/5 Vc 2000 blijkt dat verweerder terughoudend gebruikmaakt van deze bevoegdheid.

25. Verweerder stelt dat op grond van de door eiseres aangevoerde medische aspecten niet niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht naar Tsjechië van onevenredige hardheid getuigt. Als uitgangspunt geldt dat aldaar de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan zogeheten Dublinclaimanten.

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt in haar geval niet opgaat. Zo heeft eiseres geen (medische) stukken overlegd waaruit blijkt dat sprake is van een specialistische behandeling die enkel in Nederland voorhanden is, zijn geen concrete aanwijzingen dat Nederland voor haar het meest aangewezen land zou zijn voor het ondergaan van een medische behandeling en is evenmin aannemelijk gemaakt dat zij in Tsjechië geen toegang zal krijgen tot de medische voorzieningen. Anders dan eiseres meent, geven de aangehaalde rapporten geen concrete aanwijzing dat zij als Dublinclaimant in Tsjechië verstoken zal blijven van de benodigde zorg voor haar psychische en lichamelijke klachten die gelijkwaardig is aan de medische zorg die in Nederland aan haar wordt geboden. Weliswaar blijkt uit de overgelegde medische stukken dat eiseres ernstig is getraumatiseerd en dat overdracht vanuit een medisch oogpunt riskant zou zijn voor het verdere verloop van de psychische aandoening, maar de medici geven geen onderbouwing dat een vergelijkbare psychiatrische behandeling als die eiseres ondergaat in traumaverwerkingskliniek Fier niet effectief kan zijn in Tsjechië. Indien verweerder ervoor zou zorgdragen dat eiseres bij overdracht aan Tsjechië niet zou worden teruggeplaatst naar de plek en situatie waar zij haar trauma heeft opgelopen maar zou waarborgen dat zij direct zou worden opgenomen in een kliniek voor traumaverwerking zou overdracht niet van onevenredige hardheid getuigen.

27. Hoewel aldus niet is gebleken dat eiseres in Tsjechië niet de benodigde zorg kan worden geboden voor haar psychiatrische klachten, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank met de gegeven motivering niet op het standpunt kunnen stellen dat eiseresses gezondheidssituatie niet in de weg staat aan overdracht aan Tsjechië en kan het standpunt dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid het asielverzoek aan zich te trekken, de rechterlijke toetsing niet doorstaan. Het bestreden besluit is ook in zoverre onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijk en draagkrachtige motivering, zodat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

28. Onder deze omstandigheden kan verweerder niet een overdrachtsbesluit nemen voordat het BMA een medische beoordeling heeft opgemaakt over de vraag of in het geval van eiseres de behandeling in Tsjechië als zodanig dan wel de overdracht naar een behandelende instelling in Tsjechië mogelijke desastreuze gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiseres zouden hebben. De rechtbank kan er in dit verband niet aan voorbij zien dat de gemachtigde van verweerder ter zitting expliciet heeft aangegeven dat verweerder geen aanleiding ziet zich te laten adviseren door het BMA, zodat niet gewaarborgd is dat een dergelijk onderzoek zal plaatsvinden voordat de feitelijke overdracht zal plaatsvinden.

29. Het beroep is gezien het hiervoor overwogene gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding tot finale geschillenbeslechting over te gaan en zal dan ook bepalen dat verweerder in zoverre een nieuw besluit dient te nemen.

30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, begroot op € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2017.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.