Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:4027

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
819765-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

150 uur taakstraf voor oud-scheidsrechter Dick Jol voor mishandeling en bedreiging

Oud-scheidsrechter Dick Jol krijgt van de rechtbank Den Haag een taakstraf van 150 uur omdat hij op 25 november 2015 in Den Haag een 20-jarige vrouw heeft mishandeld en twee mannen heeft bedreigd. Ook moet hij de vrouw een schadevergoeding van 250 euro betalen.

Mishandeling en bedreiging

De rechtbank is van oordeel dat hij de vrouw heeft mishandeld door haar met kracht met een steigerdeel tegen het borstbeen te steken. Daarnaast heeft hij de 22-jarige vriend van de vrouw – zijn eigen buurjongen van een paar deuren verderop – mondeling met de dood bedreigd. De oud-scheidsrechter maakte zich kwaad over het feit dat de buurjongen, met de vrouw achterop, op een scooter over het trottoir voor zijn woning reed. De rechtbank heeft hem vrijgesproken van mishandeling van de buurjongen.

Bedreiging timmerman

De rechtbank is verder van oordeel dat Jol eerder op diezelfde dag een 56-jarige timmerman uit Brabant heeft bedreigd. Dit gebeurde nadat er tussen hen onenigheid was ontstaan tijdens hun werkzaamheden in een woning in Wassenaar. Jol is toen met een hakbijl op de timmerman afgekomen en heeft gezegd dat hij hem kapot zou maken.

Lagere straf dan eis Openbaar Ministerie

De straf valt een stuk lager uit dan de eis van officier van justitie. Die eiste twee weken geleden een voorwaardelijke gevangenisstraf van 75 dagen en een taakstraf van 180 uur. Volgens de officier van justitie was ook de mishandeling van de 22-jarige buurjongen bewezen. Verder ging de officier van justitie voor hoogte van de straf uit van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank vindt dus minder bewezen dan de officier van justitie en de rechtbank kijkt naar wat andere rechtbanken in soortelijke zaken als straf hebben opgelegd. Verder heeft de rechtbank een aantal factoren als strafverminderend meegenomen. Ten eerste dat het gaat om feiten die al anderhalf jaar geleden zijn gebeurd. Ten tweede dat Jol zich, nadat hij was geschorst uit zijn voorarrest, aan alle afspraken heeft gehouden en geen nieuwe feiten heeft gepleegd. En als laatste dat Jol, in het kader van die schorsing, twee maanden lang niet in zijn eigen huis bij zijn gezin verblijven en dat dit diep heeft ingegrepen in zijn privéleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/819765-15

Datum uitspraak: 21 april 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 mei 2016 (regie) en 7 april 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Berger en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.G. Kabalt, advocaat te Utrecht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 november 2015 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1 ] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (metalen) staaf (onderdeel van een steiger) voornoemde [slachtoffer 1 ] (met kracht) tegen de heup en/of het been heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 november 2015 te ’s-Gravenhage opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1 ] met een (metalen) staaf (onderdeel van een steiger) (met kracht) tegen de heup en/of het been heeft geslagen;

2.

hij op of omstreeks 25 november 2015 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2 ] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (metalen) staaf (onderdeel van een steiger) voornoemde [slachtoffer 2 ] (met kracht) tegen de ribben en/of het borstbeen en/of de buik althans tegen het

lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 november 2015 te ’s-Gravenhage opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2 ] met een (metalen) staaf (onderdeel van een steiger) (met kracht) tegen de ribben en/of het borstbeen en/of de buik althans tegen het lichaam heeft gestoken/geslagen;

3.

hij op of omstreeks 25 november 2015 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1 ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1 ] dreigend de woorden toegevoegd :"ik sla je dood en/of ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 25 november 2015 te Wassenaar, in elk geval in Nederland [slachtoffer 3 ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een (hak)bijl uit de auto gepakt en/of deze (hak)bijl getoond aan voornoemde [slachtoffer 3 ] en/of met deze (hak)bijl in de hand achter deze [slachtoffer 3 ] aan gerend en/of daarbij genoemde [slachtoffer 3 ] de woorden toegevoegd: ik maak je kapot, kom dan, ik maak je kapot en/of ik zou maar niet terugkomen, althans woorden van gelijke aard of strekking;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 25 november 2015 hebben twee personen aangifte gedaan van mishandeling met een staaf en één van hen heeft ook aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte. Deze mishandelingen en bedreiging zouden in de middag van 25 november 2015 hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft een derde aangever aangifte gedaan van een bedreiging met een hakbijl die in de ochtend van 25 november 2015 zou hebben plaatsgevonden.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte deze mishandelingen en bedreigingen heeft gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de onder feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling en subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van de onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 1 ] . De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat in het dossier geen onafhankelijke getuigenverklaring voor de bedreiging aanwezig is. Met betrekking tot de mishandeling heeft de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Daarnaast kan ook een mishandeling niet worden bewezen wegens het ontbreken van pijn of letsel bij aangever.

Verder dient de verdachte te worden vrijgesproken van de onder feit 2 ten laste gelegde poging zware mishandeling van [slachtoffer 2 ] . Ook hier heeft de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Er heeft een worsteling om de stalen buis plaatsgevonden en aangeefster is wellicht tijdens het losrukken van de buis geraakt. De raadsman heeft zich met betrekking tot de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2 ] aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

De verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 4 ten laste gelegde bedreiging, omdat men op basis van de wettige bewijsmiddelen niet tot de overtuiging kan komen dat het verdachte is geweest die dit feit heeft begaan, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Feiten 1, 2 en 3 1

Verklaringen

Aangever [slachtoffer 1 ] (hierna: [slachtoffer 1 ] ) heeft verklaard dat hij op 25 november 2015 met zijn scooter reed over het trottoir van de straat in Den Haag waarin hij woont. Hij reed daarbij langs de woning van de verdachte. Zijn vriendin, aangeefster [slachtoffer 2 ] (hierna: [slachtoffer 2 ] ), zat achterop de scooter. Nadat zij bij de woning van [slachtoffer 1 ] van de scooter waren gestapt hoorde [slachtoffer 1 ] iemand schreeuwen. Hij zag dat dit de verdachte was, die schreeuwde: “ben je kanker gek?! Kom dan! Ik sla je dood!”. De verdachte werd agressief en nam een agressieve houding aan. Hij had een stang van ongeveer tussen 1.50 meter en 1.80 meter lang in zijn handen. Hij had zijn linkerhand onder en rechterhand boven en hield de stang over zijn rechterschouder. Hij stond 1 tot 1,5 meter bij [slachtoffer 1 ] vandaan en haalde uit naar de linkerheup van [slachtoffer 1 ] , waardoor deze geraakt werd. Hierbij is het scherm van [slachtoffer 1 ] mobiele telefoon kapot gegaan. [slachtoffer 1 ] schrok en deed een stap achteruit. De verdachte hield de stang nog vast. [slachtoffer 2 ] sprong ertussen en pakte de stang vast, waardoor de verdachte en [slachtoffer 2 ] beiden de stang vast hielden. De verdachte maakte toen een stekende beweging in de richting van [slachtoffer 2 ] waardoor hij haar ter hoogte van haar borstbeen raakte. Zij zakte door haar knieën en schreeuwde van de pijn.2

[slachtoffer 2 ] heeft als volgt verklaard. Zij zat achterop de scooter die haar vriend - [slachtoffer 1 ] - bestuurde. Zij zag de verdachte bij een geparkeerde auto staan met een stalen buis in zijn handen. Bij de woning van haar vriend stapten zij af. [slachtoffer 2 ] liep de gang in en hoorde geschreeuw buiten. Toen zij naar buiten liep zag zij op 20 meter afstand de verdachte staan. De verdachte riep: “kankerlijer” en haar vriend riep dat hij zijn mond moest houden en normaal moest doen. Hierop kwam de verdachte in hun richting rennen. Aan de rechterzijde van zijn lichaam had hij de stalen buis in zijn handen die zij eerder had gezien toen zij hem passeerden. De verdachte riep: “wat zeg je, wat zeg je, ik maak je dood kankergek.” Hij naderde haar vriend op anderhalve meter, haalde de stalen buis met volle kracht naar achteren en vervolgens met volle kracht naar voren waardoor hij de linkerzijde van de zij van [slachtoffer 1 ] raakte. [slachtoffer 2 ] sprong ertussen en pakte de stalen buis. De verdachte was sterker en duwde haar met de buis van hem af. Vervolgens zag zij dat hij de buis kantelde waardoor de stalen punt in haar richting kwam, dat hij de buis naar achteren haalde om kracht op te bouwen en vervolgens met volle kracht en gewicht haar probeerde te doorboren met de stalen buis. Zij voelde op dat moment een hevige stekende pijn tussen haar ribben/borstbeen.3

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2 ] verklaard dat zij als gevolg hiervan een rode vlek op haar borstbeen had opgelopen.4

[getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte met een stok een beweging maakte in de richting van de buik van [slachtoffer 2 ] . Het was een behoorlijke por. De getuige zag dat [slachtoffer 2 ] vervolgens in elkaar zakte.5

Verklaring van de verdachte

De verdachte had de auto voor zijn huis geparkeerd omdat hij een mini hobby steiger aan het uitladen was. Op dat moment kwam een scooter met hoge snelheid over het trottoir rijden. De scooter had zijn dochtertje van vier jaar oud kunnen raken, want de voordeur stond open. De verdachte is naar [slachtoffer 1 ] toegelopen om hem te vertellen wat er zou gebeuren als zijn dochter of vrouw naar buiten waren gekomen. Hij stond voor [slachtoffer 1 ] en had een steigerdeel nog in zijn handen. Hij had dit steigerdeel niet bewust meegenomen. [slachtoffer 1 ] stapte op de verdachte af, waardoor de verdachte hem een duw gaf om de afstand tussen beiden groter te maken. Hierop vloog [slachtoffer 2 ] hem aan. Op hetzelfde moment vloog ook [slachtoffer 1 ] hem aan en vielen zij alle drie op de grond. [slachtoffer 2 ] probeerde de aluminiumbuis uit zijn handen te trekken. Er ontstond een worsteling. De verdachte heeft rukkende bewegingen gemaakt om de aluminiumbuis uit de handen van de [slachtoffer 2 ] te trekken. De verdachte heeft niet geslagen of geschopt, hij duwde het steigerdeel naar voren. Tijdens deze worsteling hoorde hij [slachtoffer 2 ] ineens een harde kreet geven. Hij zag haar op de grond liggen. Hij had niet de intentie om [slachtoffer 2 ] te raken, maar bij het lostrekken van het steigerdeel heeft hij haar misschien geraakt. Hij heeft geen bedreiging geuit.

Conclusies

Feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Wat betreft de subsidiair tenlastegelegde mishandeling, stelt de rechtbank voorop dat onder 'mishandeling' in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn alsmede - onder omstandigheden - het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (Vlg. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402).

De rechtbank overweegt dat - ervan uitgaande dat de verdachte [slachtoffer 1 ] heeft geslagen zoals [slachtoffer 1 ] heeft verklaard - uit het dossier niet volgt dat [slachtoffer 1 ] als gevolg daarvan pijn of letsel heeft ondervonden, dan wel dat deze klap bij hem een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt. De verklaring van [slachtoffer 1 ] dat hij geen last heeft gehad van de klap, wijst er juist op dat dit niet het geval is. Dit leidt ertoe dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling.

Feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Wat betreft de subsidiair tenlastegelegde mishandeling, overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van [slachtoffer 2 ] als betrouwbaar aanmerkt, nu zij consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Voorts vindt de verklaring steun in de getuigenverklaringen, waaronder de verklaring van de onafhankelijke [getuige 1] .

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangeefster doordat hij met een staaf tegen haar borstbeen heeft gestoken.

Feit 3

[slachtoffer 1 ] heeft verklaard dat de verdachte heeft tegen hem heeft gezegd: “ik maak je dood!”. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2 ] . De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen verder op essentiële punten overeen komen en dat daardoor geen twijfel bestaat over de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Voorts overweegt de rechtbank dat de bedreiging past in het geschil dat was ontstaan tussen de verdachte en [slachtoffer 1 ] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 1 ] .

Feit 4 (PL2100-2015263489-1; bijlage bij voornoemd proces-verbaalnummer)

Aangever [slachtoffer 3 ] (hierna: [slachtoffer 3 ] ), afkomstig uit Brabant, heeft verklaard dat hij op 25 november 2015 tussen 11:30 uur en 12:30 uur aan het werk was als timmerman in een woning te Wassenaar. De verdachte en zijn broer [naam] (hierna: broer) waren schilderwerkzaamheden aan het uitvoeren in deze woning. [slachtoffer 3 ] kende de verdachte en zijn broer sinds oktober 2015. [slachtoffer 3 ] was op de bewuste dag geïrriteerd omdat de auto’s van de verdachte en zijn broer zodanig geparkeerd waren dat er voor [slachtoffer 3 ] geen parkeerruimte meer op de oprit was. Op een gegeven moment zei [slachtoffer 3 ] “kut Hagenezen” tegen verdachte en zijn broer. Hierop draaide de verdachte zich om en vloog [slachtoffer 3 ] aan. Vervolgens liep de verdachte naar zijn auto en pakte een hakbijl met houten steel van ongeveer 60 centimeter en liep daarmee in de richting van [slachtoffer 3 ] . Hij hield deze ter hoogte van zijn schouder. [slachtoffer 3 ] was angstig en rende weg.6

[getuige 2] was op woensdag 25 november 2015 als chauffeur aan het werk om materialen af te leveren bij de betreffende woning. In de woning waren twee schilders aan het werk en een timmerman. De timmerman was aan het mopperen dat er auto’s geparkeerd stonden, waardoor hij steeds een eind moest lopen. De timmerman zei nog iets, waarop één van de schilders naar de timmerman rende en hem een klap gaf. De schilder zei: “kom maar, ik maak je kapot!”. De timmerman riep iets na. De schilder liep naar één van de personenauto’s en had vervolgens een hakbijl van ongeveer 1 meter in zijn hand. Hij rende hiermee in de richting van de timmerman. De schilder gilde: “ik maak je kapot, kom dan, ik maak je kapot.”7

De verdachte heeft verklaard dat hij op 25 november in de ochtend een woordenwisseling heeft gehad in Wassenaar met een meneer uit Brabant. Dat gebeurde bij een pandje waar ze met zijn drieën bezig waren. Zij stonden in de weg. Die man deed lelijk tegen hen. De verdachte stond naast zijn broer tijdens deze woordenwisseling.

Overweging

[slachtoffer 3 ] heeft verklaard dat de verdachte hem heeft bedreigd met een hakbijl. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van de - onafhankelijke - [getuige 2] , die tevens heeft verklaard over de verbale bedreiging. Hoewel de verklaring van [getuige 2] de mogelijkheid openlaat dat het niet de verdachte, maar zijn broer degene is geweest die [slachtoffer 3 ] aldus heeft bedreigd, volgt uit de verklaring van [slachtoffer 3 ] dat het de verdachte was. Daarbij betrekt de rechtbank dat [slachtoffer 3 ] sinds oktober, dus ruim een maand, werkzaam was in de woning waar ook de verdachte en zijn broer werkzaam waren. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [slachtoffer 3 ] zich heeft vergist. Ook heeft de broer van de verdachte ontkend dat hij [slachtoffer 3 ] heeft bedreigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat feit 4 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart – ten aanzien van de verdachte - bewezen dat:

2, subsidiair.

hij op 25 november 2015 te ’s-Gravenhage opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2 ] met een staaf (onderdeel van een steiger) met kracht tegen het borstbeen heeft gestoken;

3.

hij op 25 november 2015 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1 ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1 ] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op 25 november 2015 te Wassenaar, [slachtoffer 3 ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een hakbijl uit de auto gepakt en deze hakbijl getoond aan voornoemde [slachtoffer 3 ] en met deze hakbijl in de hand achter deze [slachtoffer 3 ] aan gerend en daarbij genoemde [slachtoffer 3 ] de woorden toegevoegd: “ik maak je kapot, kom dan, ik maak je kapot”.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 2, subsidiair:

mishandeling;

Ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij bij het bepalen van zijn strafeis rekening heeft gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Aldus heeft hij als uitgangspunt een gevangenisstraf van vijf maanden gehanteerd. De officier van justitie rekent het de verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen. Aan de andere kant heeft de officier van justitie in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met het feit dat hij 15 dagen vast heeft gezeten voor deze zaak en dat de feiten bijna anderhalf jaar geleden hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft zich gehouden aan de afspraken met de rechtbank en de reclassering. Uit zijn strafblad blijkt dat hij nooit eerder heeft vastgezeten.

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor twee mishandelingen en twee bedreigingen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten betekent dit dat hij niet naar de gevangenis hoeft, zodat een voorwaardelijke gevangenisstraf overblijft. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 180 uren geëist. Als de verdachte deze taakstraf niet uitvoert moet hij 90 dagen vervangende hechtenis uitzitten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de oriëntatiepunten van de rechtbank, omdat de eis volgens de raadsman niet overeenkomt met de straffen die deze oriëntatiepunten vermelden. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte wel verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft willen nemen. Hij heeft namelijk bij de politie verklaard dat hij spijt heeft en op de zitting heeft hij gezegd dat hij de volgende keer bij overlast in de straat de politie zal bellen. De verdachte heeft op deze manier gehandeld, omdat zijn dochter in gevaar was. Ze had er slecht vanaf kunnen komen. De verdachte is eigenlijk ook al door de media berecht, omdat daar geschreven werd dat hij woest met een ijzeren staaf iemand te lijf is gegaan. Dit is niet aan hem te wijten, nu hij zelf maar éénmaal de media heeft opgezocht. Dat heeft hij gedaan omdat hij zichzelf wilde verweren. De aandacht van de media en het kwijtraken van zijn werk daardoor moet als strafmatigend worden gezien.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een vrouw door haar met een steigerdeel te steken. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft daardoor ook een stekende pijn ondervonden. In het algemeen zijn dit feiten die bij slachtoffers en omstanders angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid veroorzaken.

Dat dit hier ook het geval was blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Het slachtoffer durfde een week niet naar school en is ook een paar weken niet naar het huis van haar vriend gegaan, omdat de verdachte in dezelfde straat woont.

Verder heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan een bedreiging. Tegen één persoon heeft de verdachte gezegd: “ik sla je dood” en tegen een ander persoon heeft hij gezegd: “ik maak je kapot, kom dan, ik maak je kapot”, terwijl hij een hakbijl toonde en met deze hakbijl achter die persoon aan rende. In beide gevallen begon het met een woordenwisseling die overging in een bedreiging. Deze bedreigingen hebben bij beide aangevers angst veroorzaakt.

Uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’)

De rechtbank heeft naar het strafblad van de verdachte van 9 maart 2017 gekeken, waaruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Op het strafblad staan geen recente veroordelingen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen een Pro Justitia-rapportage d.d. 4 februari 2016, opgemaakt door dr. [naam] , klinisch psycholoog.

Uit dit rapport komt naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 maart 2016 over de verdachte, opgemaakt en getekend door [naam] , reclasseringswerker. Daaruit volgt dat naar aanleiding van een eerder reclasseringsadvies – dat was opgesteld voor de voorgeleiding bij de rechter-commissaris – is onderzocht of een agressie-regulatietraining nodig is. De reclassering is tot de conclusie gekomen dat een agressie-regulatietraining niet nodig is. De verdachte is zich bewust van zijn handelen en de gevolgen hiervan en lijkt over voldoende zelfbeheersing te beschikken. Hij lijkt tijdens het delict er bewust voor gekozen te hebben de confrontatie met aangevers aan te gaan, omdat het gedrag hem niet aanstond. Hij zegt dit opnieuw te zullen doen wanneer de situatie zich voordoet. Hij geeft hierbij wel aan dat hij rustiger zal handelen om een aangifte te voorkomen. Gelet op het voorgaande en de informatie van het NIFP en De Waag is de reclassering van oordeel dat de verdachte geen toezicht nodig heeft.

Strafmaat

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafsoort en de hoogte van de straf rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn gebaseerd op hetgeen doorgaans in soortgelijke zaken wordt opgelegd. De rechtbank stelt voorop dat bij feiten zoals deze de oriëntatiepunten tot andere uitkomsten leiden dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Zo geldt bij mensen die niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld zijn als oriëntatiepunt voor “mishandeling met behulp van een slagwapen of door een kopstoot, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” een taakstraf van 120 uur. Voor “bedreiging met het tonen van een slag- of stootwapen” geldt als oriëntatiepunt een taakstraf van 40 uur.

De rechtbank houdt er verder, net als de officier van justitie, rekening mee dat de feiten anderhalf jaar geleden zijn gebeurd en dat de verdachte zich aan de afspraken met de rechtbank en de reclassering heeft gehouden. De verdachte heeft na de feiten – dus na 25 november 2015 – geen nieuwe strafbare feiten meer gepleegd. Daarnaast houdt de rechtbank in beperkte mate rekening met de financieel nadelige gevolgen die de verdachte door de aandacht van de media heeft ondervonden. De rechtbank houdt verder in strafverminderende zin rekening met het feit dat de verdachte bij de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een ingrijpende schorsende voorwaarde opgelegd heeft gekregen. Deze voorwaarde hield in dat de verdachte niet op zijn woonadres, het adres waar ook zijn vrouw en dochtertje woonachtig zijn, mocht verblijven. Deze voorwaarde had grote gevolgen voor het privéleven van de verdachte en de verdachte heeft zich hieraan twee maanden moeten houden, voordat deze kwam te vervallen.

De rechtbank vindt – gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat zij minder feiten bewezen acht – de door de officier van justitie deels voorwaardelijk geëiste gevangenisstraf niet passend. De rechtbank vindt wel, net als de officier van justitie, dat een forse onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden is. In alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank wel aanleiding minder uren taakstraf op te leggen dan door de officier van justitie geëist. Aangezien verdachte 15 dagen in voorlopige hechtenis heeft verbleven zullen deze dagen van de taakstraf worden afgetrokken.

7 De vordering van de benadeelde partij / De schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2 ] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 596,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[slachtoffer 1 ] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 749,-, bestaande uit € 249,- materiële schade en € 500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2 ] en tot gehele toewijzing van de vordering van [slachtoffer 1 ] , in beide gevallen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft voorts met betrekking tot beide vorderingen geconcludeerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het bedrag van de vordering van [slachtoffer 2 ] aanzienlijk te matigen. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij een uitspraak waarbij een verdachte was veroordeeld voor het slaan met een fietspomp op het hoofd. Het daarbij toegewezen bedrag van 80 euro is passend, aldus de raadsman.

De verdediging heeft verzocht de vordering van [slachtoffer 1 ] , gelet op hetgeen met betrekking tot de feiten door de raadsman is aangevoerd, af te wijzen danwel

niet-ontvankelijk verklaren. Verder is niet duidelijk waardoor de telefoon is stuk gegaan. Dit is ook niet met stukken onderbouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 2 ]

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 250,-, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2, subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 25 november 2015 is ontstaan.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, aangezien het bestaan van de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk is dat de benadeelde partij in een later stadium nog stukken ter verdere onderbouwing zal kunnen verschaffen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2, subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2 ] .

[slachtoffer 1 ]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren, nu de verdachte is vrijgesproken voor de mishandeling.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: “3 STK Paal, STEIGERMATERIAL”, zullen worden verbeurdverklaard.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzocht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling;

Ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 (honderdvijftig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (vijfenzeventig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2 ] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2 ] , een bedrag van € 250,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 november 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2 ] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1 ] niet-ontvankelijk in zijn vordering is en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte in verband met deze vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: 3 STK Paal, STEIGERMATERIAL;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Fetter, voorzitter,

mr. D.E. Alink, rechter,

mr. D.M. Drok, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Koolen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015343553, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag - West, bureau Scheveningen, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 94).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1 ] , p. 25-27.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2 ] , p. 29-30.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2 ] op 19 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door de rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] op 19 juli 2016, opgemaakt en ondertekend door de rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3 ] , p. 71-73.

7 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 78-79.