Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:395

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
C/09/522138 / FT RK 16/2469
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingsrechten van verzoeksters niet summierlijk komen vast te staan. Vonnis dat ten grondslag is gelegd aan vorderingen bevat veroordeling tot betaling van niet-afgedragen premies. Die hebben echter grotendeels op andere periode betrekking dan periode vermeld in rekest.

Voor zover dat vonnis al zou kunnen worden beschouwd als voldoende onderbouwing van de bedragen die verzoeksters vorderen, is daarmee niet gebleken van de vereiste pluraliteit. In dat vonnis is verweerster immers veroordeeld tot betaling aan Bpf c.s. Hieruit blijkt niet van drie separate vorderingsrechten van verzoeksters.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/810
INS-Updates.nl 2017-0068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/522138 / FT RK 16/2469

uitspraakdatum: 17 januari 2017

1) DE STICHTING ‘STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID’,

2) DE STICHTING ‘STICHTING AANVULLINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID’,

en

3) DE STICHTING ‘STICHTING OPLEIDINGS- EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR DE BOUWNIJVERHEID’,

verzoeksters,

advocaat mr. E.T. van den Hout,

hebben een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:

[verweerster]

verweerster.

Het verzoekschrift is op 10 januari 2017 behandeld in raadkamer. Verweerster is daarbij gehoord.

Verzoeksters hebben het faillissement van verweerster aangevraagd stellende dat verweerster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen nu zij hun vorderingen onbetaald laat. Verzoeksters vorderen (behoudens nader gespecificeerde bedragen aan rente en kosten) niet-afgedragen premies van respectievelijk € 2.107,91, € 53,86 en € 115,56.

Verweerster heeft de vorderingen van verzoeksters gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat hierop, voor zover van belang, als volgt in.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingsrechten van verzoeksters niet summierlijk komen vast te staan, zodat het verzoek tot faillietverklaring moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoeksters aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd een vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 september 2013. Verweerster is daarbij veroordeeld te betalen een bedrag van € 2.256,99 inzake niet-afgedragen premies. Deze premies hebben betrekking op de periode van november 2012 tot en met februari 2013. Echter, het onderhavige faillissementsrekest heeft betrekking op premies inzake de periode van 28 januari 2013 tot en met 24 april 2014. Dit bestrijkt dus slechts ongeveer een kwart van de periode in voormeld vonnis (iets meer dan de maand februari 2013). Hiermee zijn de vorderingen dus onvoldoende onderbouwd.

Voor zover voormeld vonnis al zou kunnen worden beschouwd als voldoende onderbouwing van de bedragen die verzoeksters vorderen, is daarmee niet gebleken van de vereiste pluraliteit. In dat vonnis is verweerster immers veroordeeld tot betaling van € 2.256,99 aan Bpf c.s. (behoudens rente en kosten). Hieruit blijkt niet van drie separate vorderingsrechten.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring van [verweerster], voornoemd.

Gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en uitgesproken op 17 januari 2017, in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.