Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3917

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
AWB 17/5677
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel- en vertrouwensbeginsel. Eiser heeft meldplicht gehad om zijn vertrek naar Marokko zelfstandig te regelen. Hij heeft daarmee geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gekregen waaraan hij de rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat hij niet meer in bewaring zou worden gesteld. Daar komt bij dat ter zitting ook is toegelicht dat eiser weliswaar ten behoeve van een mvv-aanvraag zelf heeft gezorgd voor een geboorteakte op grond waarvan hij stelt een paspoort te kunnen krijgen, maar dat hij pas naar Marokko wil vertrekken als hem dat uitkomt.

Verweerder heeft geen lichter middel hoeven toepassen. Eiser is sinds 2013 illegaal in Nederland, heeft gebruik gemaakt van een alias en heeft een meldplicht gehad die niet heeft geleid tot zelfstandig vertrek.

Zicht op uitzetting ontbreekt niet. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat de Marokkaanse autoriteiten telefonisch een laissez passer hebben toegezegd en dat deze binnenkort wordt opgehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/5677


V-nr: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 maart 2017 in de zaak tussen

[de man]

geboren op [geboortedatum] 1989, van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit, eiser,

(gemachtigde mr. I.G. Hagg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M.G. van Pijkeren).

Procesverloop

Op 8 maart 2017 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 14 maart 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 23 maart 2017. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M.R. van Driest als tolk in de Arabische taal.

Overwegingen

1.1

Eiser voert allereerst aan dat hij is aangehouden toen hij zich kwam melden in het kader van zijn meldplicht en dat uit het proces-verbaal van aanhouding niet blijkt dat het gaat om een aanhouding op grond van artikel 50 van de Vw 2000. Verder meent eiser dat deze aanhouding in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat hij zich juist aan zijn meldplicht heeft gehouden.

1.2

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderwerp vermeld bovenaan het proces-verbaal (M105 – proces-verbaal staandehouding, overbrenging en ophouding als bedoeld in artikel 50 van de Vw 2000) en de verdere tekst van het proces-verbaal, voldoende duidelijk blijkt dat eiser is aangehouden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf zoals bedoeld in artikel 50 van de Vw 2000. Eisers betoog slaagt daarom niet.

1.3

De rechtbank is verder van oordeel dat de aanhouding niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel- en vertrouwensbeginsel. Eiser heeft vanaf juni 2016 een meldplicht gehad om zijn vertrek naar Marokko zelfstandig te kunnen regelen. Hij heeft daarmee geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gekregen waaraan hij de rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat hij niet meer in bewaring zou worden gesteld. Daar komt bij dat ter zitting ook is toegelicht dat eiser weliswaar ten behoeve van een mvv-aanvraag zelf heeft gezorgd voor een geboorteakte op grond waarvan hij stelt een paspoort te kunnen krijgen, maar dat hij pas naar Marokko wil vertrekken als hem dat uitkomt. Hij wil eerst de geboorte van zijn kind afwachten deze zomer. De beroepsgrond faalt.

2.1

Ter onderbouwing van het risico op onttrekking zijn aan eiser de navolgende feiten en omstandigheden tegengeworpen:

A. hij is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen, dan wel een poging daartoe gedaan;

B. hij heeft zich in strijd met vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken;

C. hij heeft eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij heeft daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg gegeven;

D. hij te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

E. hij heeft geen vaste woon of verblijfplaats;

F. hij beschikt niet over voldoende middelen van bestaan.

2.2

De rechtbank stelt vast dat eiser de grond onder A. niet heeft betwist, zodat verweerder deze grond heeft kunnen tegenwerpen. Verder heeft verweerder eveneens de grond genoemd onder F. kunnen tegenwerpen. Daarvoor is van belang dat niet is gebleken dat eiser beschikte over voldoende zelfstandige middelen van bestaan. Eisers stelling dat deze grond niet op de zaak van eiser is toegespitst slaagt niet. Uit de motivering van deze grond in de maatregel blijkt voldoende duidelijk waarom deze grond op eiser van toepassing is en niet op iedere vreemdeling. De motivering is daarom voldoende draagkrachtig. De twee gronden onder A. en F. zijn in onderlinge samenhang bezien al voldoende om het risico op onttrekking aan te nemen, zodat de andere gronden geen bespreking behoeven.

3.1

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder in zijn geval de meldplicht had moeten voortzetten, dat wil zeggen een lichter middel dan bewaring had moeten toepassen. Daartoe voert hij aan dat een vreemdeling die een meldplicht heeft onder bepaalde omstandigheden in bewaring kan worden gesteld, bijvoorbeeld als de vreemdeling een weigerachtige houding aanneemt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2951). Van een weigerachtige houding van de vreemdeling is in dit geval geen sprake. Eiser was hard bezig om zijn terugkeer zelfstandig te regelen. Verweerder had dan ook met eiser afspraken kunnen maken over zijn vertrek en dan had hij zich normaal op het vertrek kunnen voorbereiden. Hierbij is ook van belang dat eisers vrouw zwanger is.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen dusdanige persoonlijke feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan een individuele beoordeling zou moeten leiden tot een minder dwingende maatregel. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht heeft bij deze beoordeling een rol gespeeld dat eiser in ieder geval sinds 2013 illegaal in Nederland verblijft en hij zich nooit heeft gemeld. Verder heeft eiser gebruik gemaakt van een alias en heeft eisers meldplicht niet geleid tot een zelfstandige terugkeer naar Marokko. Eisers stelling dat hij, anders dan de vreemdeling in Afdelingsuitspraak van 10 september 2015, wel meewerkt aan het onderzoek volgt de rechtbank niet. Weliswaar heeft eiser in het kader van zijn beoogde mvv-aanvraag enige activiteiten ondernomen, zoals het regelen van een geboorteakte, maar dit heeft niet geleid tot zelfstandige terugkeer naar Marokko. Daarnaast hebben de Marokkaanse autoriteiten op 16 februari 2017 een laissez passer (lp) toegezegd en heeft eiser ter zitting verklaard dat hij pas van plan is om naar Marokko te vertrekken nadat zijn vrouw is bevallen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder niet het risico hoeven aanvaarden dat eiser zich niet meer zou melden, zodra zijn uitzetting daadwerkelijk in zicht zou komen en kon eiser in bewaring worden gesteld om de uitzetting zeker te stellen. Het betoog van eiser slaagt niet.

4.1

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Verweerder stelt dat sprake is van een lp-toezegging, maar zolang daarvan geen stukken in het dossier zitten twijfelt eiser aan de aanwezigheid daarvan. Het verbaast eiser dat er een daadwerkelijke toezegging is gedaan omdat hij niet is gepresenteerd en dat het normaal gesproken veel moeite kost om een lp bij de Marokkaanse autoriteiten te verkrijgen.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat de Marokkaanse autoriteiten telefonisch een lp hebben toegezegd en dat deze binnenkort wordt opgehaald bij het Marokkaanse consulaat. Verder acht de rechtbank van belang dat de vlucht staat gepland voor 30 maart 2017 om 09:40 uur. Verweerder moet dan ook vooralsnog in de gelegenheid worden gesteld om de lp op te halen en de uitzetting te effectueren. Als deze vlucht om welke reden dan ook niet doorgaat kan eiser (eventueel) een vervolgberoep instellen.

5.1

Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Op 16 februari 2017 is de lp-toezegging gedaan door de Marokkaanse autoriteiten en pas op 14 maart 2017 is de vlucht geboekt.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Eiser is op 8 maart 2017 in bewaring gesteld. Vanaf dat moment moet verweerder voortvarend handelen. Op 14 maart 2017 heeft verweerder een vertrekgesprek met eiser gevoerd en een vlucht geboekt. De termijn tussen de datum van inbewaringstelling en de vluchtaanvraag acht de rechtbank niet onredelijk lang. Het betoog van eiser slaagt niet.

6. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

7. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.