Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3829

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9605
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:3374, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft terecht de door eiser in aftrek gebrachte studiekosten omschreven als Editie Cremers losbladig en Ars Aequi, niet geaccepteerd.

Van strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM is geen sprake. Eiser kan voorts geen rechtstreeks beroep doen op artikel 13 van het IVESC

omdat die bepaling geen rechtstreekse werking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1510
FutD 2017-1637
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/9605

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

12 april 2017 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 25 oktober 2016 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2013 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] en mr. J.H. van Wier.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 gekozen voor fiscaal partnerschap met [persoon 1] (partner).

2. De partner van eiser volgde in het in geschil zijnde belastingjaar een opleiding sociaal juridische dienstverlening aan de Hogeschool InHolland.

3. In zijn aangifte IB/PVV 2013 heeft eiser een bedrag van € 7.607 ter zake van studiekosten van zijn partner in aftrek gebracht. Deze kosten zijn de volgende:

- Inschrijving InHolland € 1.835

- Bijles Academie Leiden € 116

- Editie Cremers losbladig, Ars Aequi € 5.592

- Schrijfmateriaal, kopieën, internet € 152

- Printerinkt, Norton € 162

- Drempel € 250 -/-

Totaal aftrekbaar bedrag scholingsuitgaven € 7.607.

4. Met dagtekening 23 december 2015 is de definitieve aanslag IB/PVV opgelegd. De door eiser geclaimde aftrek ter zake van de Editie Cremers losbladig en Ars Aequi is daarbij niet verleend. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

5. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

6. In geschil is of verweerder terecht de door eiser in aftrek gebrachte studiekosten omschreven als Editie Cremers losbladig en Ars Aequi, niet heeft geaccepteerd.

7. Eiser stelt dat de in geschil zijnde studiekosten in aftrek dienen te worden toegelaten aangezien het gaat om studiemateriaal wat voor de opleiding van zijn partner als aanbevolen literatuur is aangemerkt. Daarnaast stelt eiser dat sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESC).

8. Verweerder stelt dat het studiemateriaal omschreven als Editie Cremers losbladig en Ars Aequi niet in aftrek kunnen worden gebracht aangezien het desbetreffende studiemateriaal niet door de onderwijsinstelling verplicht is voorgeschreven.

9. Ambtshalve overweegt de rechtbank als volgt. Het bezwaar van eiser tegen de aan hem met dagtekening 23 december 2015 opgelegde aanslag IB/PVV, is vóór de dagtekening van de aanslag bij verweerder binnengekomen. Hiermee heeft eiser prematuur bezwaar gemaakt. De rechtbank gaat er vanuit dat in het algemeen de dagtekening van de aanslag op een later tijdstip wordt gezet dan het moment waarop de aanslag wordt verzonden . De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de onderhavige aanslag reeds vóór de dagtekening daarvan bekend was gemaakt aan eiser. Uit het voorgaande volgt derhalve dat verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht.

10. Op grond van artikel 6.27 van de Wet IB 2001 worden als scholingsuitgaven aangemerkt de uitgaven die zijn gedaan wegens het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 260-261) is doel en strekking van deze bepaling als volgt toegelicht:

"Met de term ‘met het oog op het verwerven van inkomen uit arbeid en woning’ wordt beoogd aan te geven dat het doel van de opleiding bepalend is voor de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven. Het geobjectiveerde doel van het volgen van de opleiding of studie moet zijn hetzij het verbeteren van de financieel-economische positie van de belastingplichtige, hetzij het op peil houden of verbeteren van kennis en vaardigheden die de belastingplichtige nodig heeft voor het verwerven of behouden van inkomen uit tegenwoordige arbeid. Uitgaven voor een opleiding of studie die wordt gevolgd als hobby of uit persoonlijke interesse, kunnen dus niet als scholingsuitgaven in aanmerking komen, evenmin als dergelijke uitgaven in een te ver verwijderd verband staan met het verwerven van inkomen uit werk en woning."

11. Per 1 januari 2013 is artikel 6.27 van de Wet IB 2001 gewijzigd. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 3, p. 24 en 25) blijkt dat die wijziging tot doel heeft het type uitgaven nader te omschrijven, beter gezegd te limiteren:

“In artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is aangegeven wat wordt verstaan onder scholingsuitgaven. Dit zijn uitgaven die wegens het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning worden gedaan. Met de wijziging van het eerste lid worden de desbetreffende uitgaven limitatief beperkt tot de uitgaven voor lesgeld, cursusgeld, collegegeld, examengeld of promotiekosten en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen.

(…)

Met de hantering van voornoemde definities wordt enerzijds voorkomen dat onderwijsinstellingen ten behoeve van de aftrek scholingsuitgaven een ruimer arsenaal aan middelen voorschrijven dan strikt genomen noodzakelijk is voor het volgen van de opleiding of studie. Anderzijds wordt hiermee voorkomen dat uitgaven voor zaken waarvoor geen aftrek is beoogd, zoals kosten van levensonderhoud, reiskosten, excursiereizen en dergelijke, onder de scholingsuitgaven worden gebracht. De bestaande beperkingen van artikel 6.28, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden hiermee gehandhaafd, maar de vermelding daarvan in die bepaling is als zodanig overbodig geworden door de nieuwe definitie in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 van hetgeen tot de scholingsuitgaven wordt gerekend. (…).”

12. Niet in geschil is dat het studiemateriaal omschreven als Editie Cremers losbladig en Ars Aequi, geen verplichte literatuur betreft. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat deze studiekosten niet voor aftrek in aanmerking komen.

13. Voor zover eiser stelt dat de wettelijke bepalingen voor hem tot een onredelijk en onbillijk resultaat leiden, overweegt de rechtbank dat het de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij staat formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid, dan wel de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Wel kan worden getoetst aan hogere verdragsrechtelijke normen. Eiser stelt in dat kader dat sprake is van strijd met artikel 1 van het EP bij het EVRM. Gezien de hierboven vermelde passages uit de wetsgeschiedenis, heeft de wetgever bij zijn keuze om door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen in aftrek te brengen als scholingsuitgaven, belang gehecht aan de conflictgevoeligheid van aftrekposten met een gemengd karakter en de daardoor opgeroepen uitvoeringsproblemen. Er is gekozen voor een eenvoudig toe te passen aftrekpost. Naar het oordeel van de rechtbank is deze door de wetgever gemaakte keuze niet evident van iedere redelijke grond ontbloot en dient deze keuze derhalve te worden geëerbiedigd. Voorts is niet gebleken dat sprake is van een individuele en buitensporige last voor eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van schending van artikel 1 van het EP bij het EVRM.

14. Eiser kan voorts geen rechtstreeks beroep doen op artikel 13 van het IVESC omdat die bepaling geen rechtstreekse werking heeft. Eisers beroep op voornoemd artikel moet daarom worden verworpen.

15. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden ingediend tegen de berekening van de belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of tot een te hoog bedrag is berekend.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

17. Voor een proceskostenveroordeling heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.