Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3804

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-02-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
AMS 16/830
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een asielaanvraag gedaan en deze is afgewezen omdat zijn verklaringen dat hij meerdere keren ontvoerd zou zijn door milities niet geloofwaardig zijn geacht. In beroep heeft eiser een iMMO-rapport overgelegd. Uit het rapport blijkt dat de lichamelijke en psychische problematiek van eiser als ‘typerend’ zijn beoordeeld voor het gestelde asielrelaas van eiser. Ook blijk uit het rapport dat de ernstige psychische klachten bij betrokkene op het moment van het advies ‘zeker’ interfereren met het doen van een compleet, coherent en consistent relaas en dat deze klachten ten tijde van de gehoren ‘zeer waarschijnlijk’ interfereerden met het doen van een compleet, coherent en consistent verhaal. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat het iMMO rapport zowel naar wijze van totstandkoming zorgvuldig, als naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Met de beantwoording van de vraagstellingen weerlegt het iMMO-rapport het eerdere FMMU-advies. Omdat dit rapport medisch gezien het asielrelaas van eiser ondersteunt, had verweerder niet zonder nader onderzoek tot de conclusie kunnen komen dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte het iMMO-rapport terzijde gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/830

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 februari 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, van Libische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 juli 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 15 januari 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 3 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J.R. Bekink. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Eiser is in de gelegenheid gesteld om te kijken of medisch onderzoek gedaan kan worden naar onder andere de littekens van eiser door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) en zo ja, op welke termijn.

Vervolgens is een nadere zitting gehouden op 16 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. A.H. Noordeloos. Tevens was K. Blom, tolk in de Engelse taal, aanwezig. Het onderzoek ter zitting is wederom geschorst met zes maanden in afwachting van het rapport van het iMMO.

Eiser heeft bij brief van 11 november 2016 het rapport van het medisch onderzoek van het iMMO van 1 november 2016 (het iMMO-rapport) overgelegd. Verweerder heeft bij brief van 12 december 2016 gereageerd op dit iMMO-rapport.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 26 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig H. Jelten-Amin, tolk in de Arabisch-Libische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

De feiten en omstandigheden

1.1

Eiser is op 23 juni 2015 en opnieuw op 3 juli 2015 Nederland ingereisd. Hij heeft zich op die laatste datum in Ter Apel gemeld. Op 7 juli 2015 heeft hij een asielaanvraag ingediend.

1.2

Eiser heeft – samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een weeskind is en opgevoed is door pleegouders. Deze pleegouders hebben hem slecht behandeld. Toen eiser er op zijn vijftiende achter kwam dat zijn pleegouders niet zijn echte ouders zijn, heeft hij het huis verlaten. Na het uitbreken van de revolutie heeft hij op verschillende plekken gewoond. In de periode van 2012 tot 2014 is hij meer dan tien keer ontvoerd door verschillende milities, waarbij hem werd gevraagd waarom hij niet aan de revolutie deelnam. Hierbij is een keer gepoogd hem te liquideren en is hij seksueel misbruikt. Omstreeks april of mei 2014 is eiser naar [plaats] gegaan. Vanwege de algemene slechte situatie daar en vanwege het risico om gerekruteerd te worden door het leger van Hafar of Fajr Libya, heeft eiser Libië verlaten.

2.1

Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het relaas van eiser onderscheiden:

a. zijn identiteit en nationaliteit;

b. weeskind zijn;

c. de ontvoeringen door milities;

d. de algemeen onveilige situatie in Libië.

2.2

Vooralsnog gaat verweerder wat betreft de elementen a. en b. uit van de verklaring van eiser. Verweerder acht daarnaast element d. geloofwaardig, maar acht element c. ongeloofwaardig. Verweerder vindt het namelijk bevreemdingwekkend dat eiser verklaarde juist in de avond de straat op te gaan, terwijl hij ook verklaarde dat het dan rustiger was, hij eerder opviel en zo dus ontvoerd kon worden. Niet valt in te zien, aldus verweerder, dat hij steeds weer de straat op ging als hij dan weer werd opgepakt, mishandeld en bedreigd. Verder vindt verweerder het merkwaardig dat eiser tot wel tien keer toe werd ontvoerd en steeds weer werd vrijgelaten. Ook ziet verweerder niet in waarom de vriend van eiser wel het risico neemt om eiser te huisvesten, maar geen eten voor hem kan regelen. Tevens stelt verweerder zich op het standpunt dat de algemene situatie in Libië de verklaringen van eiser als zodanig niet ondersteunen. Verweerder heeft eisers aanvraag hierom afgewezen.

3.1

Tijdens de beroepsfase heeft eiser het iMMO-rapport van 1 november 2016, opgesteld door M. Hoogstad, GZ-psycholoog, en [naam] , huisarts, ingebracht. In dit rapport concluderen zij – kort samengevat – dat eiser:

1) psychische klachten heeft die passen bij zijn asielrelaas;

2) littekens heeft die passen bij zijn verhaal hoe die ontstaan zijn, namelijk door het ondergaan van elektroshocks;

3) zeer waarschijnlijk niet in staat was om ten tijde van het nader gehoor een compleet, coherent en consistent verhaal te vertellen.

3.2

Verweerder heeft zich bij brief van 12 december 2016 op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport om verschillende redenen terzijde moet worden gelegd.

Het al dan niet terzijde leggen van het iMMO-rapport

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder het iMMO-rapport buiten beschouwing mocht laten bij de beoordeling van eisers asielverzoek.

5. Voor zover hier relevant, blijkt uit het iMMO-rapport het volgende:

- In paragraaf 1.4 is de vraagstelling opgenomen en is vermeld dat de onderzoekers hebben gewerkt volgens de richtlijnen van het Istanbul Protocol1.

- In paragraaf 2.2 is het verslag vermeld, zoals eiser het aan de onderzoekers heeft verklaard. Onder meer staat hier – samengevat – dat eiser, toen hij besloten had naar Italië te gaan, met tien anderen stond te wachten op de reisagent. Een militie van zes gewapende mannen arriveerde. Eiser moest vervolgens in een kuil staan waarna een van de militieleden frequent enkele seconden twee elektriciteitskabels, aangesloten op een autoaccu, tegen de rug van eiser duwde. Eiser voelde tintelingen in zijn hele lichaam en op zijn rug twee hete, brandende plekken. Vervolgens kwam de reisagent met eigen mensen, die eiser en de andere tien mannen opeiste.

- Paragraaf 4.2 luidt, voor zover hier van belang:

“(…) De mictie en defecatieklachten die betrokkene stelt te hebben kunnen worden geduid als het gevolg van bekkenbodemproblematiek. Verder onderzoek door een uroloog zou dit kunnen bevestigen. Bekkenbodemproblematiek wordt vaker gezien na seksueel misbruik. [Toolkit Istanbul Medical Curriculum Module 4, Chapter 2.8]”.

- In paragraaf 9.2 wordt de vraagstelling van het onderzoek beantwoord. Deze paragraaf luidt als volgt:

“A. Is het aannemelijk dat de lichamelijke problematiek (littekens en/of fysieke klachten) is voortgekomen uit het gestelde relaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag?

Ja, dat is aannemelijk. De overeenkomstige en symmetrisch georiënteerde littekens op zijn rug worden beoordeeld als typerend voor de gestelde ondergane elektroshocks. De littekens vormen hiermee zeer sterk steunbewijs voor het asielrelaas van betrokkene (…).

B. Is het aannemelijk dat de psychische problematiek is voortgekomen uit het gestelde relaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag?

Ja, dat is aannemelijk. De bevindingen van het onderzoek zijn vanwege de aard, de inhoud en het verloop van de klachten, zoals betrokkenes intrusies aan de fysieke martelingen, verkrachtingen en elektroshocks, het zien van de gezichten van de daders, horen van de stemmen en geluiden ten tijde van de martelingen en daaraan gerelateerde vermijdingsklachten typerend voor de kern van het asielrelaas van betrokkene. Hierbij zijn andere stressvolle ervaringen conform §105 (e) van het Istanbul Protocol meegewogen.

De huidige psychische klachten vormen hiermee zeer sterk steunbewijs voor het asielrelaas van betrokkene over de ondergane ontvoeringen en (fysieke en seksuele) martelingen. (…)

C. Is er sprake van medische problematiek die interfereert met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren in het kader van de asielaanvraag?

Concluderend kan gesteld worden dat de ernstige psychische klachten bij betrokkene op dit moment zeker interfereren met het doen van een compleet, coherent en consistent relaas. Tevens kan gesteld worden dat, gezien het begin en beloop van de gedocumenteerde psychische klachten, deze klachten ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het doen van een compleet, coherent en consistent verhaal. (…)”

(i) deugdelijkheid onderzoek

6.1.

Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat onderzoek niet zorgvuldig is geweest en de rapportage niet concludent is. De onderzoekers gaan namelijk uit van feiten die verweerder niet geloofwaardig acht. Daarbij concluderen de onderzoekers zelf dat eiser tijdens hun onderzoek niet coherent, compleet en consistent kan verklaren.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport dat de medisch onderzoekers van het iMMO eisers medische klachten hebben geduid. Vervolgens hebben de onderzoekers een oordeel gegeven over de waarschijnlijkheid dat deze geconstateerde medische klachten veroorzaakt kunnen zijn door wat eiser stelt dat hem overkomen is. Hierdoor gaan de onderzoekers dus niet uit van de juistheid of volledigheid van eisers relaas, maar beoordelen ze enkel of medisch gezien het relaas zoals eiser dat brengt, past bij de klachten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het iMMO-rapport zowel naar wijze van totstandkoming zorgvuldig, als naar inhoud inzichtelijk en concludent is.

6.3.

Voorts stelt de rechtbank vast dat wat eiser naar eigen zeggen is overkomen, in paragraaf 2 van het iMMO-rapport is weergegeven. Dit relaas valt in twee delen uiteen. Het ene deel komt sterk overeen met wat eiser eerder al had verklaard tegenover verweerder in het nader gehoor (eisers oorspronkelijke relaas). Verweerder heeft dit ook in zijn brief van 12 december 2016 bevestigd. Het andere deel betreft eisers verklaring over hoe hij zijn littekens op zijn rug heeft opgelopen (eisers relaas over de littekens). Tussen partijen is niet in geschil dat dit gedeelte van eisers relaas pas bij verweerder bekend is geworden in de beroepsfase, meer in het bijzonder door toezending van het iMMO-rapport.

(ii) het iMMO-rapport ten aanzien van eisers oorspronkelijke relaas

7.1.

In het iMMO-rapport geven de medisch onderzoekers met beantwoording van vraagstelling B – de psychische problematiek – met name een conclusie over eisers oorspronkelijke relaas. De medisch onderzoekers hebben bij eiser psychische klachten geconstateerd en vervolgens de conclusie getrokken dat die klachten passen bij situaties waarvan eiser verklaart dat die hem zijn overkomen. De onderzoekers beoordelen die passendheid als ‘typerend’. Dit is de een na hoogste waarschijnlijkheidsbeoordeling binnen het Istanbul-protocol. Hoewel deze conclusie minder ver strekt dan de conclusie ‘kenmerkend’, is de conclusie ‘typerend’ een sterke aanwijzing dat de bij eiser vastgestelde psychische klachten zijn veroorzaakt op de manier zoals eiser stelt wat hem is overkomen in zijn oorspronkelijke relaas, meer in het bijzonder dat wat onder het element c is gegroepeerd.

7.2.

Verweerder brengt hiertegen in dat deze psychische klachten ook kunnen zijn veroorzaakt door wat zijn gestelde pleegouders hem hebben aangedaan.

7.3.

De rechtbank volgt verweerder niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft immers in de uitspraak van 31 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:621) geoordeeld dat als medisch deskundigen volgens het Istanbul-protocol een medische klacht als ‘typerend’ bij het relaas beoordelen, verweerder dat enkel met een eigen tegenrapportage kan bestrijden. Verweerder heeft hier geen tegenrapportage ingebracht, zoals een nader onderzoek door het inschakelen van het Bureau Medische Advisering, waardoor zijn standpunt niet aannemelijk is geworden.

(iii) het iMMO-rapport ten aanzien van eisers relaas over de littekens

8.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat eiser pas na het besluit, en dus te laat, heeft verklaard dat hij littekens heeft opgelopen en hoe dat is gebeurd. Verweerder mocht namelijk op het advies van de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) afgaan. In dat advies is vermeld dat er geen beperkingen zijn voor het horen en beslissen en staat niet vermeld dat eiser littekens heeft. Voorts dateert het iMMO-onderzoek van één jaar na de gehoren in de asielprocedure, zodat het iMMO-rapport geen zinnig oordeel meer kan geven of eiser al dan niet gehoord had kunnen worden, aldus verweerder.

8.2.

Het is juist dat een FMMU-advies moet worden aangemerkt als een deskundigenadvies waar verweerder op af mag gaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2539), kan de uitkomst van een deskundigenadvies slechts succesvol worden weerlegd door het overleggen van een andersluidend deskundigenadvies. Eiser heeft met het iMMO-rapport een andersluidend deskundigenadvies ingebracht. Met de beantwoording van de vraagstellingen A en C weerlegt dit iMMO-rapport namelijk het FMMU-advies op respectievelijk de conclusie dat eiser geen littekens heeft en de conclusie dat er geen beperkingen zijn bij het horen of beslissen. Gelet op de ex-nunc-toetsing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan dit tegenbewijs bij de beoordeling van het beroep toegelaten worden. Voorts is het juist dat het iMMO-onderzoek ongeveer een jaar na de gehoren in de asielprocedure heeft plaatsgevonden, maar de medisch onderzoekers van het iMMO hebben hier in hun advies rekening mee gehouden. De waarschijnlijkheidsgraad dat eiser bij beantwoording van vraagstelling C is teruggebracht van ‘zeker’ een beperking ten tijde van het onderzoek naar ‘zeer waarschijnlijk’ een beperking ten tijde van het nadere gehoor.

8.3.

Hieruit volgt dat het iMMO-rapport, voor zover dat betrekking heeft op de littekens van eiser en dat hij tijdens zijn gehoor daar niet over heeft verklaard, niet te laat is ingebracht, althans niet ter zijde kon worden gelegd.

(iv) conclusie over het terzijde leggen van het iMMO-rapport

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte het iMMO-rapport terzijde gelegd. Omdat dit rapport medisch gezien het asielrelaas van eiser ondersteunt, had verweerder niet zonder nader onderzoek tot de conclusie kunnen komen dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt.

Overige grond

10.1.

Eiser voert aan dat verweerder een verkeerde conclusie heeft getrokken uit zijn verklaringen over het halen van eten door de vriend in wiens huis hij verbleef.

10.2.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het vreemd is dat de vriend eiser wel onderdak biedt, maar geen eten voor hem kan regelen.

10.3.

De rechtbank stelt vast dat op pagina 19 van het nader gehoor staat vermeld dat de vriend van eiser zelf niet woonde in het huis waar hij eiser onderdak verleende. Zonder nadere onderbouwing van verweerder kan niet worden geoordeeld dat het vreemd is dat die vriend geen eten voor eiser haalt als hij er zelf niet woont. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

11. Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet in redelijkheid zonder nader onderzoek heeft kunnen afwijzen.

12. Het beroep van eiser is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen mogelijkheid het geschil finaal te beslechten, omdat verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas met medeneming van het iMMO-rapport opnieuw zal moeten beoordelen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op eisers aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.

Proceskosten

13.1.

Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de door hem ingeschakelde deskundigen van het iMMO. Deze laatste tot een bedrag van € 4.446,75 inclusief btw (€ 3.675,- exclusief btw).

13.2.

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wijst de rechtbank toe en stelt deze op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.485,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tweemaal 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zittingen met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

13.3.

Voorts wijst de rechtbank de kosten van het medisch onderzoek toe nu eiser de kosten van het iMMO heeft onderbouwd en het rapport mede aanleiding heeft gegeven tot de gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank overweegt dat het bedrag van de kosten van een deskundige bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken. De rechtbank stelt vast dat voor het opstellen van een iMMO-rapportage in strafzaken geen speciaal tarief is bepaald. Op grond van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken geldt dan een uurtarief van € 116,09 per uur. Gelet op de overgelegde factuur zou met het opstellen van het iMMO-rapportage ongeveer 31 uur (€ 3.675 / € 116,09) zijn gemoeid. Hoewel de werkzaamheden niet nader zijn gespecificeerd, komt de rechtbank de door eiser overgelegde factuur niet onredelijk over. Dit mede gelet op de werkzaamheden die gemoeid zijn met het opstellen van een iMMO-rapportage, zoals dat blijkt uit de ‘Werkwijze IMMO en Toelichting bij IMMO rapportage’. Eiser komt in aanmerking voor vergoeding van de kosten van zijn in de procedure gebrachte iMMO-rapportage tot een bedrag van € 4.446,75.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5.931,75 (zegge: vijf duizend negenhonderdeenendertig euro en vijfenzeventig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Dalman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 United Nations, ‘Istanbul Protocol. Manual on the Effective Investigation and Documentation of Torture and Other Cruel or Degrading Treatment or Punishment’, New York en Geneve: United Nations Publication (1999).