Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3750

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
awb 16/30487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

- 8 EVRM

- Chakroun

- IOAZ-uitkering

- geen objectieve belemmering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/30487

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. N. van Bremen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

Procesverloop

Eiseres heeft op 27 december 2016 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 december 2016 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 maart 2017. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [referent], de echtgenoot van eiseres (hierna: referent) en C. Beghtel, tolk in de Spaanse taal. Verweerder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Zij heeft op 28 juli 2015 een aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van familieleven conform artikel 8 van het EVRM bij haar partner [referent].

2. De aanvraag is afgewezen en het bezwaar daartegen is ongegrond verklaard, omdat eiseres volgens verweerder niet voldoet aan de voorwaarden van het verblijfsdoel, meer in het bijzonder het middelenvereiste. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen kennelijk ongegrond verklaard.

3. Niet in geschil is dat referent ten tijde van het bestreden besluit voor de voorziening in zijn levensonderhoud afhankelijk was van een IOAZ-uitkering. Verweerder heeft hiervan terecht geoordeeld dat dit geen zelfstandige inkomsten betreft. Verder staat vast dat eiseres geen eigen middelen heeft om in haar levensonderhoud te voorzien. Het beroep van eiseres op de rechtspraak naar aanleiding van de zaak Chakroun (C‑578/08, EU:C:2010:117) faalt dan ook. Van enige inkomsten zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is immers geen sprake: referent was voor het levensonderhoud van hem en eiseres volledig afhankelijk van collectieve middelen. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste dat de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De rechtbank volgt eiseres niet in het namens haar ingenomen standpunt dat er niettemin een verdere belangenafweging zou moeten plaatsvinden, omdat toelating in haar geval hoe dan ook niet van invloed zou zijn op het beroep op de collectieve middelen. Reeds vanwege het gegeven dat de uitkeringsgrondslag van de IOAZ voor gehuwden hoger is dan die voor alleenstaande gewezen zelfstandigen, moet rekening worden gehouden met een aanvullend beroep op de collectieve middelen indien eiseres wordt toegelaten.

4. Verder is niet in geschil dat eiseres en referent met elkaar een familieleven hebben in Nederland, zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dienaangaande geldt dat artikel 8 van het EVRM op zich geen recht geeft op toelating of domiciliekeuze. Verder geldt dat op grond van artikel 8 van het EVRM een restrictief migratiebeleid mag worden gevoerd in het algemeen belang van het economisch welzijn van een land, hetgeen erop neer komt dat alleen verblijfsvergunning wordt verleend, indien aan de voorwaarden voor toelating is voldaan.

5. Anders dan eiseres heeft gesteld, heeft verweerder dit algemeen belang weldegelijk benoemd bij zijn afwijzing van de aanvraag. Verder kan niet worden gezegd dat verweerder het algemeen belang van de Nederlandse staat niet op een evenwichtige manier heeft afgewogen tegen het individuele belang van eiseres om haar familieleven in Nederland voort te zetten. Daarbij heeft verweerder doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de vaststelling dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor eiseres en referent om hun familieleven in de Dominicaanse Republiek uit te oefenen. Verweerder heeft terecht overwogen dat de leeftijd van referent (65 jaar), noch de feitelijke verblijfsduur en worteling van eiseres in Nederland kunnen gelden als objectieve belemmering. Voor zover eiseres daarnaast heeft gesteld dat een en ander subjectieve belemmeringen oplevert en dat sprake is van ‘a certain degree of hardship’, heeft verweerder er terecht op gewezen dat dit door eiseres niet verder is geconcretiseerd. Verder geldt dat het gezinsleven van eiseres en referent is begonnen op een moment dat eiseres niet over een verblijfsvergunning beschikte. De gevolgen van het weigeren van toelating dienen dan voor eiseres te blijven.

6. Gelet hierop en aangezien op grond van het primaire besluit en de gronden van bezwaar aanstonds duidelijk was dat het bezwaar ongegrond was, heeft verweerder kunnen afzien van het horen van eiseres op bezwaar.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.