Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8775
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:934, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VOG; chauffeurskaart. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Krommendijk),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.P. Niestern).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Om een chauffeurskaart te verkrijgen en als taxichauffeur te kunnen werken, heeft eiser op 31 mei 2016 een VOG aangevraagd. Verweerder heeft geweigerd die te verstrekken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat binnen de terugkijktermijn van vijf jaren een aantal justitiële gegevens zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: JDS):

een openstaande zaak wegens belastingfraude gepleegd in de periode van 24 december 2012 tot en met 22 juni 2015, een strafbeschikking wegens het niet voldoen aan de vordering van een ambtenaar in functie en een strafbeschikking wegens het niet aanwezig hebben van een geldig vergunningsbewijs in de auto/taxi. Omdat eiser met justitie in aanraking is gekomen wegens aan fraude gerelateerde delicten, bestaat volgens verweerder, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, het risico dat eiser zijn functie misbruikt om met deze delicten samenhangende criminele activiteiten te faciliteren en/of te bevorderen teneinde zichzelf of anderen (financieel) te bevoordelen. Daarom bestaat een verhoogde kans dat eisers passagiers in aanraking komen met criminele activiteiten. Tevens bestaat volgens verweerder het risico dat eiser zijn administratieve handelingen niet naar behoren verricht en hij op die manier zijn werkgever en/of passagiers benadeelt. Daarnaast bestaat volgens verweerder doordat eiser met justitie in aanraking is gekomen wegens het niet voldoen aan de vordering van een ambtenaar in functie, indien herhaald in de functie van taxichauffeur een risico dat aanwijzingen en bevelen van ambtenaren die zijn belast met het openbaar gezag niet worden opgevolgd. Bovendien getuigt dit strafbare feit van ondermijnend gedrag tegenover personen bekleed met openbaar gezag en voldoet deze ondermijning niet aan de norm die aan een verantwoordelijke taxichauffeur kan worden gesteld. Voorts bestaat er, gelet op het feit dat eiser in aanraking is gekomen met justitie wegens het overtreden van de Wet personenvervoer 2000, indien herhaald in de functie van taxichauffeur, een risico dat eiser taxivervoer zal verrichten zonder te voldoen aan de daarvoor gestelde (kwaliteits)eisen. Deze overtredingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor zijn passagiers en/of voor controlerende instanties. Daarnaast bestaat een risico voor concurrentievervalsing, omdat eiser hiermee taxichauffeurs die wel aan deze eisen voldoen, kan benadelen. Het overtreden van de Wet personenvervoer 2000 is volgens verweerder dan ook niet te verenigen met een functie in de taxibranche, omdat deze regelgeving ertoe strekt de taxibranche te reguleren.

Vanwege de voornoemde risico’s vormen deze strafbare feiten een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.

In het kader van het subjectieve criterium heeft verweerder van belang geacht dat sprake is van meerdere relevante antecedenten. Ook is het tijdsverloop nog te kort om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving in voldoende mate is afgenomen. Dat eiser als gevolg van de weigering van de VOG niet als taxichauffeur kan werken, is inherent aan de afwijzing en als zodanig verdisconteerd in de beleidsregels. Dit gevolg is op zichzelf daarom onvoldoende reden om tot verlening van de VOG over te gaan. De nadelige gevolgen van het besluit zijn volgens verweerder niet onevenredig in verhouding met de in het besluit te dienen doelen.

2. Eiser voert aan dat het bestreden besluit op een onjuiste en/of onvolledige feitelijke en juridische grondslag berust, waardoor de VOG ten onrechte is geweigerd. Hij verwijst hierbij naar wat hij in de bezwaarprocedure al naar voren heeft gebracht. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat het tweede feit hem niet bekend is en dat wat betreft het derde feit de beschikking voor rekening komt van zijn toenmalige werkgever die de boete ook heeft betaald. Voor wat betreft de openstaande fraudezaak ontkent eiser zich aan enig strafbaar feit schuldig te hebben gemaakt.

Daarnaast heeft eiser zich beroepen op het fair play beginsel als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts heeft eiser aangegeven dat de gemeente Zoetermeer inmiddels in bezwaar heeft besloten af te zien van terugvordering van uitkeringsgelden.

Ten aanzien van het objectieve criterium heeft eiser aangevoerd dat het lopend onderzoek door het Openbaar Ministerie betrekking heeft op een verdenking van strafbare feiten die niets te maken hebben met het als chauffeur veilig vervoeren van personen. Eiser wordt niet vervolgd voor het oplichten of beroven van klanten, voor rijden onder invloed, het veroorzaken van aanrijdingen, geweld tegen klanten of iets dat wel direct met de werkzaamheden als taxichauffeur te maken heeft. Eiser wordt verdacht van belastingfraude c.q. -ontduiking als eigenaar/bedrijfsleider van een onderneming. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij er van wordt verdacht als bedrijfsleider van een taxibedrijfje geen juiste administratie te hebben gevoerd. Ook het niet voldoen aan een vordering van een ambtenaar in functie en het niet aanwezig hebben van een vergunningsbewijs staan volgens eiser niet in de weg aan het fatsoenlijk en veilig vervoeren van klanten in een taxi. Daarbij heeft eiser opgemerkt dat eiser de vergunning had maar dat deze op kantoor lag door een omissie van het bedrijf.

Volgens eiser is niet dan wel onvoldoende gebleken van een objectiveerbaar risico voor de samenleving dat een belemmering van een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur vormt. De justitiële informatie (twee bekeuringen en een fraudeverdenking) is onvoldoende relevant om de VOG op basis van het objectieve criterium te weigeren.

2.1.

Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan de minister bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de VOG van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens.

2.2.

Volgens paragraaf 3.2. van de Beleidsregels VOG NP-RP 2013 (Stcrt. 2013, 5409, hierna: de beleidsregels) wordt de afgifte van een VOG in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor een VOG is aangevraagd.

2.3.

In het screeningsprofiel "Taxibranche; chauffeurskaart" (het screeningsprofiel) staat onder meer vermeld dat bij de toetsing aan dit screeningsprofiel een terugkijktermijn geldt van vijf jaren.

De houder van de chauffeurskaart is verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag.

Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de houder van de chauffeurskaart. Het risico bestaat van geweld- en zedendelicten, afpersing, chantage (afdreiging), diefstal, verduistering of vervalsing van bijvoorbeeld de chauffeurskaart. De houder van de chauffeurskaart is verantwoordelijk voor de veiligheid van goederen van de passagiers. Deze houders kunnen ook omgaan met contant en giraal geld. Het risico van diefstal en verduistering is aanwezig.

2.4.

Bij de beoordeling van de aanvraag om de afgifte van een VOG mocht de staatssecretaris uitgaan van de justitiële gegevens in het JDS. De beoordeling of aan het objectieve criterium wordt voldaan, houdt een objectieve toets in. De omstandigheden waaronder een strafbaar feit is begaan, zijn in dit kader niet van belang.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van het objectieve criterium niet wordt gekeken of eiser het feit, of de feiten, opnieuw zal gaan plegen maar of het feit, op zichzelf en afgezien van de persoon van eiser, indien herhaald, een belemmering vormt voor uitoefening van de functie. Het criterium ‘indien herhaald’ ziet slechts op de vraag of sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer soortgelijke strafbare feiten zouden worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie waarvoor de VOG wordt aangevraagd.

Ten aanzien van de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie nog geen vervolgingsbeslissing heeft genomen en dus ook nog niet in rechte vast is komen te staan dat eiser belastingfraude heeft gepleegd, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder andere de uitspraken van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:205 en van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2306) dat de enkele verdenking van een strafbaar feit al voldoende grondslag kan vormen voor de afwijzing van een VOG.

Daar komt bij dat de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument is dat een preventief doel dient en geen oplegging van een sanctie inhoudt. Door de registratie van het strafbare feit aan de weigering ten grondslag te leggen geeft verweerder geen oordeel over de vraag of eiser schuldig is aan hetgeen waarvan hij wordt verdacht. Het is dan ook niet in strijd met de onschuldpresumptie om desbetreffende strafbare feiten aan de weigering ten grondslag te leggen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de weigering mede kon baseren op de in het JDS ten aanzien van eiser voorkomende justitiële gegevens in de openstaande zaak met betrekking tot belastingfraude (zie onder meer de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling). De omstandigheid dat de gemeente Zoetermeer afziet van terugvordering van uitkeringsgelden maakt dat niet anders, nu dit geheel los staat van de openstaande strafzaak. Eisers betoog dat sprake is van strijd met het beginsel van fair play treft gelet op het voorgaande geen doel.

Het betoog van eiser dat het tweede feit hem niet bekend is en de beschikking ten aanzien van het derde feit voor rekening van zijn toenmalige werkgever komt, faalt. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder mag afgaan op de justitiële gegevens zoals die in het JDS zijn vastgelegd en zijn oordeel daarop mag baseren (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2289).

De rechtbank is van oordeel dat de in het JDS opgenomen antecedenten naar hun aard niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet voldoen aan de in het Besluit personenvervoer 2000 gestelde eisen nadelige gevolgen kan hebben voor de veiligheid van passagiers en voor controlerende instanties, waarbij het risico voor concurrentievervalsing in de taxibranche bestaat.

De verdenking van belastingfraude vormt een belemmering voor de uitvoering van het beroep van taxichauffeur omdat een taxichauffeur zich schuldig kan maken aan verduistering, diefstal en afpersing. Voor zover eiser naar voren heeft gebracht dat het gelet op de boordcomputer niet mogelijk is om fraude te plegen, merkt de rechtbank op dat dit standpunt te laat naar voren is gebracht en bovendien onvoldoende is onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het objectieve criterium.

3. Ten aanzien van het subjectieve criterium heeft eiser aangevoerd dat hij zichzelf en zijn gezin financieel dient te onderhouden. Zijn echtgenote heeft gezondheidsklachten en kan ook wegens de zorg voor een jong kind moeilijk aan betaald werk komen.

Eiser heeft zijn werkzaamheden als chauffeur altijd naar behoren verricht en is bij de uitoefening daarvan nooit betrokken geweest bij activiteiten die gevaarlijk of nadelig voor klanten zouden kunnen zijn. Er is geen historie van geweld tegen klanten, rijden onder invloed, afpersing of oplichting van klanten, betrokkenheid bij ongevallen of gevaarlijk rijgedrag of diverse verkeersovertredingen.

Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat een VOG moet worden afgegeven wanneer niet is gebleken van (relevante) bezwaren. Daarvan is volgens eiser geen sprake.

3.1.

Volgens paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels betrekt de staatssecretaris, indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

Volgens paragraaf 3.3. kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt een VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1. zijn omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. (…) In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

3.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiser als gevolg van de weigering van de afgifte van een VOG de door hem beoogde functie als taxichauffeur niet kan uitoefenen inherent is aan de weigering van de afgifte van de VOG. Deze omstandigheid moet als zodanig verdisconteerd worden geacht in de beleidsregels. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL: RVS:2016:2840 overweegt de rechtbank dat dit niet een juiste benadering is. In deze uitspraak komt de Afdeling terug van haar jurisprudentie dat de omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, reeds daarom bij de belangenafweging buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Niettemin hoefde verweerder de omstandigheid dat eiser als gevolg van de weigering van de afgifte van een VOG de door hem beoogde functie niet kan uitoefenen niet zwaarder te laten wegen dan het belang de samenleving te beschermen tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico, gelet op de omstandigheid dat sprake is van een beperkt tijdsverloop sedert de datum waarop eiser voor het laatst met justitie is gekomen en sprake is van meerdere strafbare feiten binnen de terugkijktermijn die niet zijn te verenigen met de functie van taxichauffeur (zie ook de uitspraken van de Afdeling van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3261 en 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:32940).

Overigens blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder de gevolgen van de weigering aan eiser een VOG te verstrekken in zijn belangenafweging heeft meegewogen.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.