Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3709

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek om informatie mbt geplande afspraken met de Somalische autoriteiten over gedwongen uitzettingen naar Somailië. Mededeling van verweerder dat hij behalve de e-mailwisseling van 13 en 14 december 2014 niet over de gevraagde informatie (neergelegd in documenten) beschikt niet ongeloofwaardig. Openbaarmaking e-mailwisseling in redelijkheid op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/2015

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Somalië), eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: S. Raterink).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van informatie met betrekking tot geplande afspraken met de Somalische autoriteiten over gedwongen uitzettingen naar Somalië afgewezen.

Bij besluit van 3 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2017.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft verweerder op 26 maart 2015 verzocht om openbaarmaking van informatie met betrekking tot geplande afspraken met de Somalische autoriteiten over gedwongen uitzettingen naar Somalië. Daarbij heeft eiser de vraag gesteld op welke dag en op welk tijdstip de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) kennis heeft genomen van het feit dat de afspraken met de Somalische autoriteiten met betrekking tot gedwongen uitzettingen naar Somalië zijn komen te vervallen of wanneer de Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) deze afspraken heeft afgezegd of heeft moeten concluderen dat deze afspraken niet zouden doorgaan. In bezwaar heeft eiser aangegeven dat hij met zijn verzoek tevens heeft beoogd om documenten te verkrijgen die betrekking hebben op het besluit om uitzettingshandelingen en het plannen van de vluchten tijdelijk op te schorten.

1.2.

Aanleiding voor het verzoek is de informatie die is verstrekt in het kader van procedures die de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) betreffen.

1.3.

Eiser, die inmiddels in [woonplaats] (Somalië) verblijft, was met ingang van 29 november 2014 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 december 2014, is het eerdere beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard. Eiser heeft op 13 januari 2015 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Bij uitspraak van 2 februari 2015 (zaaknummer AWB 15/689) heeft de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op basis van de door verweerder verstrekte informatie, bevestigd ter zitting van de rechtbank op 26 januari 2015, dat in de tweede helft van januari 2015 gesprekken met de Somalische autoriteiten over terugname zijn gepland, waarbij de eerder gemaakte afspraken en de weigeringen van 14 december 2014 en 23 december 2014 aan de orde zullen worden gesteld, geen grond gezien om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep van eiser is door de rechtbank ongegrond verklaard. Op 23 februari 2015 heeft eiser nogmaals beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. De rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 10 maart 2015 (zaaknummer AWB 15/3744) op basis van door verweerder ter zitting afgelegde verklaringen vastgesteld dat op 7 december 2014 de laatste twee gedwongen uitzettingen naar Somalië hebben plaatsgevonden en dat de Somalische autoriteiten vanaf dat moment ook de reeds geplande uitzettingen hebben verhinderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden volgehouden dat ten aanzien van eiser zicht op uitzetting naar Somalië bestaat, nu het niet mogelijk is geweest om met de Somalische autoriteiten een gesprek aan te gaan over gedwongen uitzettingen omdat zij bij herhaling geplande gesprekken afzeggen en er geen enkel zicht bestaat op wanneer een dergelijk gesprek daadwerkelijk gaat plaatsvinden. De rechtbank heeft overwogen dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Somalië ontbreekt doordat het eind februari geplande gesprek met de Somalische autoriteiten wederom geen doorgang heeft gehad terwijl er geen concrete aanknopingspunten zijn dat een dergelijk gesprek met een overeenkomst als uitkomst op korte termijn zal plaatsvinden, zodat de bewaring onrechtmatig is vanaf 1 maart 2015.

1.4.

De rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft daarentegen, bij uitspraak van 28 januari 2015 (AWB 15/752) het beroep van een vreemdeling van Somalische nationaliteit tegen het voortduren van de bewaring gegrond verklaard en de maatregel van bewaring met ingang van 27 januari 2015 onrechtmatig geacht, omdat niet kon worden gezegd dat een redelijk uitzicht op verwijdering bestaat. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4 een uiteenzetting gegeven van de feiten en omstandigheden die haar tot dit oordeel hebben geleid: “Er stond voor eiser een vlucht naar Somalië gepland op 21 december 2014. Op 16 december 2014 is deze vlucht geannuleerd, omdat de bevoegde immigratieautoriteiten niet langer toestemming verlenen aan gedwongen terugkeer. Verweerder heeft ter zitting het volgende verklaard over het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Somalië, waarbij verweerder onder meer heeft gewezen op de ter zitting overgelegde brief van 24 december 2014, waarin verweerder antwoord heeft gegeven op vragen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), gesteld op 16 december 2014, voor een zitting die op 6 januari 2015 heeft plaatsgevonden. In de onderhandelingen met de nieuwe Somalische regering is besloten een nieuw Memorandum of Understanding (MOU) te sluiten en daarmee het addendum bij het MOU uit 2010 los te laten. Op 20 november 2014 is voor het laatst gesproken met de Somalische minister van Veiligheid. Dit was volgens verweerder een constructief gesprek. Er hebben sinds de uitspraak van de ABRvS van 5 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4022) drie succesvolle uitzettingen plaatsgevonden, te weten op 23 november 2014, 30 november 2014 en op 7 december 2014. Twee geplande uitzettingen daarna, te weten op 14 en 21 december 2014, zijn niet doorgegaan, als gevolg van de omstandigheid dat Somalië niet altijd even stabiel opereert. Aan de Nederlandse ambassade in Nairobi is gevraagd te informeren naar de achtergronden van de weigeringen en op dit moment is hier nog geen uitsluitsel over. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de Somalische autoriteiten in het algemeen medewerking weigeren aan gedwongen terugkeer naar Somalië. Een bespreking met de Somalische autoriteiten is dus noodzakelijk om tot hervatting van gedwongen terugkeer over te gaan. Verweerder heeft besloten de uitzettingshandelingen en het plannen van vluchten tijdelijk te schorten in afwachting van een bespreking met de Somalische autoriteiten. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd niet kunnen verklaren op welke datum dit is besloten. Zoals eerder door verweerder is verklaard, stond in de tweede helft van januari 2015 een gesprek gepland met de Somalische autoriteiten, waarbij de eerder gemaakte afspraken en de weigeringen van 14 december 2014 en 21 december 2014 aan de orde zouden worden gesteld. Verweerder heeft ter zitting verklaard niet met zekerheid te kunnen zeggen of dat gesprek in januari wel gepland was maar niet is doorgegaan, of dat er nog geen concrete afspraak was. In ieder geval vindt dit gesprek geen doorgang. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd niet kunnen verklaren wat de reden is geweest dat dit gesprek geen doorgang heeft gevonden. Verweerder heeft verklaard met maximale inspanning te proberen om een nieuwe bespreking te plannen. Tot op heden is er nog geen datum bekend en ook is niet bekend op welke termijn dit kan worden verwacht.”.

1.5.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de rechtbank tijdens de behandeling ter zitting van zijn beroep van 13 januari 2015 tegen het voortduren van de bewaring onjuist heeft voorgelicht. Hij acht het niet uitgesloten dat indien de gegevens wel bekend waren bij de rechtbank, zij tot een ander oordeel was gekomen over het zicht op uitzetting naar Somalië en in dat geval de bewaring van eiser korter zou hebben geduurd dan nu het geval is geweest. Eiser overweegt een verzoek om herziening van de uitspraak van 2 februari 2015 bij de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch in te dienen en heeft om die reden de gevraagde gegevens nodig.

2. Verweerder heeft eisers verzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat hij niet over de gevraagde informatie beschikt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat bij de DT&V geen documenten beschikbaar zijn waaruit blijkt dat en wanneer een intern besluit is genomen om de vluchten tijdelijk op te schorten in afwachting van een bespreking met de Somalische autoriteiten. Wel is na nader onderzoek een e-mailconversatie gevonden tussen de DT&V en de Somalische autoriteiten van 13 en 14 december 2014 met betrekking tot de uitzettingen naar Somalië. Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob heeft verweerder de openbaarmaking van deze e-mailconversatie geweigerd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het belang van de betrekkingen van Nederland met Somalië zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid aangezien de verwachting is dat door openbaarmaking van de e-mailconversatie de relatie met de Somalische autoriteiten onder druk komt te staan. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat uit het nadere onderzoek niet is gebleken dat andere documenten aanwezig zijn dan de e-mailconversatie tussen DT&V en de Somalische autoriteiten van 13 en 14 december 2014.

Verweerder kan daarom niet melden of er een afspraak gepland stond en zo ja, op welke datum deze gepland stond en wat de reden voor de annulering van de afspraak was.

3. Eiser voert in de kern aan dat hij het niet aannemelijk acht dat er niet meer documenten zijn die betrekking hebben op zijn verzoek. Daarbij stelt eiser dat de DT&V onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van documenten zoals genoemd in zijn verzoek. De voornoemde e-mailconversatie moet volgens eiser openbaar gemaakt worden.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht. De rechtbank heeft eiser een formulier betalingsonmacht toegestuurd. De gemachtigde van eiser heeft dit formulier ingevuld teruggestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze stukken genoegzaam dat eiser niet in staat is de kosten van het griffierecht te voldoen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eiser in Somalië verblijft en geen eigen inkomsten, vermogen of bezittingen heeft. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen.

4.2.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties.

4.3.

Zoals onder 2. is beschreven heeft verweerder eiser meegedeeld dat bij DT&V geen documenten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat (en wanneer) er een besluit is genomen om uitzettingshandelingen en het plannen van vluchten tijdelijk op te schorten in afwachting van een bespreking met de Somalische autoriteiten en dat evenmin documenten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat de geplande afspraken zijn afgezegd dan wel wanneer duidelijk is geworden dat deze niet zouden doorgaan.

4.4.

Indien een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, het document toch onder het bestuursorgaan berust. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3297) en 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3429).

De rechtbank is voldoende gebleken dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar documenten waarvan eiser om openbaarmaking heeft gevraagd. Voor het oordeel dat verweerder wat dat betreft onzorgvuldig heeft gehandeld, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

Hoewel de rechtbank het opmerkelijk vindt dat er geen documenten zijn waarin dergelijke informatie is vastgelegd, acht de rechtbank de mededeling van verweerder dat hij behalve de bewuste e-mailwisseling van 13 en 14 december 2014 niet over de gevraagde informatie (neergelegd in documenten) beschikt niet ongeloofwaardig.

Ter zitting heeft verweerder nogmaals duidelijk gemaakt dat behalve de e-mailconversatie van 13 en 14 december 2014 geen documenten zijn aangetroffen. Dat dit mogelijk moeilijk voorstelbaar voor eiser is, is onvoldoende voor twijfel aan deze mededeling. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat meer documenten bij verweerder berusten dan de e-mailconversatie. Verweerder is naar aanleiding van het verzoek niet verplicht documenten te vervaardigen (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2102).

4.5.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de e-mailconversatie tussen de DT&V en de Somalische autoriteiten van 13 en 14 december 2014 met betrekking tot de uitzettingen naar Somalië.

4.6.

Ten aanzien van dit document oordeelt de rechtbank als volgt. In zijn uitspraken van 10 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7635) en 16 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP4737) heeft de Afdeling overwogen dat met deze uitzonderingsgrond blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 34) wordt beoogd te voorkomen dat de wettelijke plicht tot het verstrekken van informatie tot gevolg zou hebben dat de Nederlandse internationale betrekkingen schade zouden lijden. Voor toepassing van deze bepaling is voldoende dat men als gevolg van het verschaffen van informatie voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Deze concreetheid kan er uit bestaan dat aan Nederland uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dat op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende documenten wordt gerekend, aldus de wetsgeschiedenis. De Afdeling heeft in voormelde uitspraken overwogen dat ook uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf kan volgen dat die voor de andere staat vertrouwelijk is.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en inhoud van het document al de vertrouwelijkheid van de daarin vervatte correspondentie volgt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat openbaarheid van deze documenten, waarin gesproken is over uitzettingen naar Somalië, de relatie met de Somalische autoriteiten onder druk kan zetten. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat een zekere stroefheid in de contacten met de Somalische autoriteiten aan de orde is en dat als gevolg van het openbaar maken van de informatie is te voorzien dat de contacten op het punt van de uitzettingen stroever zullen gaan lopen. Verweerder heeft het belang bij goede betrekkingen met Somalië zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarheid en heeft daarom in redelijkheid op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob kunnen weigeren om de e-mailconversatie tussen de DT&V en de Somalische autoriteiten van 13 en 14 december 2014 openbaar te maken.

4.8.

De rechtbank overweegt voorts dat de omstandigheid dat de strekking van de e-mailwisseling van 13 en 14 december 2014 uit hetgeen verweerder daarover in het verweerschrift naar voren heeft gebracht kan worden afgeleid, niet betekent dat de e-mails op grond van de Wob openbaar gemaakt moeten worden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzitter, en mr. J.J.P. Bosman en mr. A.G.J. van Ouwerkerk, leden, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.