Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8680
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einde uitkering o.g.v. Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk bij 65 jaar, waardoor AOW-gat. Bezwaar ontvankelijk, verweerder dient opnieuw te beslissen i.v.m. leeftijdsonderscheid. Rechtbank treft voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8680 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C. Boonstra),

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder

(gemachtigde: mr. R.L.J.J. Vereijken).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2006 heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 2006 een zogenoemde loongerelateerde werkloosheidsuitkering toegekend voor een periode van vier jaar met als einddatum 31 januari 2010.

Bij besluit van 24 maart 2006 heeft verweerder eiser op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (het Besluit) met ingang van 1 februari 2006 een aanvullende uitkering toegekend, die eindigt op hetzelfde moment als de loongerelateerde werkloosheidsuitkering. Over de periode 1 februari 2010 tot en met 31 maart 2017 wordt eiser een aansluitende uitkering toegekend.

Bij brief van 3 juni 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de einddatum van eisers uitkering was vastgesteld op 1 april 2017 en dat deze datum niet wordt verlegd naar de dag waarop eiser de leeftijd bereikt waarop hij in aanmerking kan komen voor een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij besluit van 26 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 3 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2017.

Eiser is verschenen bij gemachtigde (zijn echtgenote).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser is van 6 februari 1978 tot 1 februari 2006 werkzaam geweest bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS, de Facilitaire Dienst).

Bij besluit van 13 december 2005 is eiser met toepassing van artikel 96b, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 februari 2006 eervol ontslag verleend.

1.2

Bij besluit van 24 maart 2006 heeft verweerder eiser met ingang van 1 februari 2006 een zogenoemde loongerelateerde werkloosheidsuitkering toegekend voor een periode van vier jaar met als einddatum 31 januari 2010.

Bij besluit van 24 maart 2006, nr. 020461537/0007, heeft verweerder eiser op grond van het Besluit over de periode 1 februari 2006 tot 1 februari 2010 een aanvullende uitkering toegekend. Over de periode 1 februari 2010 tot en met 31 maart 2017 wordt eiser een aansluitende uitkering toegekend.

1.3

In verband met een door eiser ingediende hypotheekaanvraag heeft de hypotheekadviseur namens eiser aan verweerder verzocht te willen bevestigen dat de bovenwettelijke uitkering van eiser doorloopt tot zijn (gewijzigde) AOW-gerechtigde leeftijd.

Bij brief van 3 juni 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de einddatum van eisers uitkering was vastgesteld op 1 april 2017 en dat deze datum niet wordt verlegd naar de dag waarop eiser de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

Eiser heeft hiertegen bij brief van 22 juni 2016 bezwaar gemaakt. Hij heeft verweerder daarbij, gelet op het bepaalde in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Hij heeft afgezien van een hoorzittting.

Bij brief van 28 juli 2016 heeft verweerder eiser medegedeeld dat niet wordt ingestemd met het verzoekt tot rechtstreekse behandeling van het bezwaarschrift door de rechtbank.

Bij besluit van 26 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 3 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft bij brief van 26 oktober 2016 beroep ingesteld tegen dit besluit.

2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 3 juni 2016 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Er is sprake van een herhaald besluit. De brief roept geen andere rechtsgevolgen in het leven dan die al door het eerdere besluit van 24 maart 2006 in het leven waren geroepen.

3 Eiser heeft het bestreden besluit van 26 september 2016 gemotiveerd betwist.

4 De rechtbank zal allereerst oordelen of verweerder het bezwaar al dan niet terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.1

Niet in geschil is dat eiser verweerder via zijn hypotheekadviseur heeft verzocht te willen bevestigen dat de einddatum van zijn uitkering op grond van het Besluit samenvalt met het moment waarop hij de (gewijzigde) AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek (mede) dient te worden aangemerkt als een verzoek om het besluit van 24 maart 2006, nr. 020461537/0007, in die zin te herzien dat bepaald wordt dat zijn aansluitende uitkering ingevolge het Besluit eindigt op het moment dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Eiser heeft zijn verzoek ingediend vóór de einddatum van de aansluitende uitkering.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1071 en 8 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262) moet in een geval waarin een duuraanspraak aan de orde is, een onderscheid gemaakt worden tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen van een besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Duidelijk is dat eiser met zijn verzoek wenst dat verweerder bedoeld besluit van 24 maart 2006 voor de toekomst wijzigt. Eiser beoogt immers te bereiken dat het moment waarop zijn uitkering ingevolge het Besluit eindigt samenvalt met het moment waarop hij aanspraak maakt op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Met betrekking tot de periode na het verzoek om terug te komen van eerdere besluitvorming dient de bestuursrechter een minder terughoudende toets te hanteren dan voor wat betreft de periode die aan dit verzoek voorafgaat. In de regel zal het bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat dit besluit blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop ook een bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst minder van belang dan voor het verleden. Het eerdere toekenningsbesluit staat dan ook niet in de weg aan beoordeling van de gehandhaafde weigering om terug te komen van de einddatum van de aan eiser toegekende uitkering op grond van het Besluit.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit van 26 september 2016 komt voor vernietiging in aanmerking.

5 Verweerder heeft in zijn verweerschrift een inhoudelijk standpunt ingenomen terzake van hetgeen eiser primair en subsidiair heeft aangevoerd.

De rechtbank zal dan ook bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten dan wel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

5.1

Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij niet begrijpt waarom de laatste wijziging van het Besluit niet op hem van toepassing is.

Verweerder heeft in het verweerschrift medegedeeld dat in artikel 20 e van het Besluit overgangsrecht is opgenomen, waarin is bepaald dat voor bepaalde ambtenaren de uitkeringsduur wordt verlengd tot de dag waarop de betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Voor de toepassing van artikel 20 e, eerste lid, van het Besluit is bepalend wat de rechten van eiser waren op de peildatum 31 december 2011, meer in het bijzonder hetgeen is bepaald in artikel 2, derde lid, juncto artikel 8, vierde lid, van het Besluit, zoals deze artikelen luidden op de peildatum. Artikel 2, derde lid, van het Besluit was van toepassing op de ambtenaar die ten tijde van zijn ontslag 55 jaar of ouder is.

Eiser is op [geboortedatum] 1952 geboren en was op de datum van zijn ontslag aldus 53 jaar. Voornoemde overgangsregeling is derhalve niet van toepassing op eiser, aldus verweerder.

Eiser heeft hetgeen verweerder heeft gesteld niet bestreden. Het primaire standpunt van eiser slaagt dus niet.

6 Eiser heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat voor het door verweerder gemaakte leeftijdsonderscheid geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Hij wordt door het besluit van verweerder geconfronteerd met een AOW-gat van negen maanden. Hij wordt hierdoor gedwongen om zijn ABP-pensioen eerder te laten ingaan, hetgeen gevolgen heeft voor de hoogte van zijn pensioen. Voorts wordt hij door deze gedwongen keuze geconfronteerd met gevolgen voor rechten op nabestaandenpensioen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De einddatum van de bovenwettelijke uitkering is immers expliciet opgenomen in het Besluit dat, op het moment dat iedereen al met de verschuiving van de AOW-gerechtigde leeftijd bekend was, tussen werkgevers- en werknemersorganisaties als resultaat van uitvoerige bespreking is overeengekomen.

Nu verweerder heeft erkend dat onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd bij het (blijven) hanteren van de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de beëindiging van de uitkering op grond van het Besluit.

6.1

Ten tijde van het besluit van 28 maart 2006 was in artikel 8, vierde lid, van het Besluit (zoals gewijzigd met artikel VII, onderdeel E, van het Besluit van 8 december 2000, Stb. 2000, 573) bepaald dat het recht op aansluitende uitkering eindigt na ommekomst van de duur van de aansluitende uitkering, maar uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

6.2

In artikel 3, aanhef en onderdeel e, van de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij de Arbeid (WGBL) is, in samenhang met artikel 1 van de WGBL, bepaald dat onderscheid op grond van leeftijd verboden is bij de arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 1 van de WGBL is sprake van direct onderscheid op grond van leeftijd indien een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de WGBL, bepaalt dat het verbod van onderscheid op grond van leeftijd niet geldt wanneer het objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van het doel passend en noodzakelijk zijn.

Met de WGBL heeft Nederland Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep geïmplementeerd. Dit betekent dat de WGBL mede in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) over Richtlijn 2000/78/EG moet worden uitgelegd.

Ingevolge de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328, en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de AOW (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat betrokkenen niet vanaf 65-jarige leeftijd recht hebben op een AOW-ouderdomspensioen, maar pas vanaf de voor hen geldende verhoogde AOW-leeftijd.

6.3

De rechtbank overweegt dat het recht op de bovenwettelijke (aansluitende) uitkering valt onder de reikwijdte van de WGBL en dat dit recht een arbeidsvoorwaarde is als bedoeld in artikel 3, onder e, van de WGBL.

6.4

Het standpunt van verweerder dat geen sprake is van ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd ontbeert een motivering in het licht van de WGBL en de in dat kader geldende jurisprudentie. Verweerder heeft zich niet uitgelaten over de vraag wat het doel is van het gemaakte leeftijdsonderscheid en of dit doel legitiem is te achten. Niet is uiteengezet hoe verweerder het middel om de doelstellingen te bereiken ziet en of het middel passend en noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken. Verweerder heeft evenmin uiteengezet of het effect van de regelgeving, namelijk het aansluiten van de einddatum van de bovenwettelijke uitkering op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen ingevolge de AOW (zie bijvoorbeeld de Nota van Toelichting bij artikel VII, onderdeel E, van het Besluit van 8 december 2000, Stb. 2000, 573), een gerechtvaardigde verwachting is van eiser.

Ten slotte heeft verweerder zich niet uitgelaten over de vraag of - indien sprake is van een gerechtvaardigde verwachting van eiser en indien moet worden geoordeeld dat het middel niet kennelijk ongeschikt is om het gestelde doel te bereiken - dit middel al dan niet een excessieve inbreuk maakt op gerechtvaardigde verwachtingen van eiser.

De enkele grond dat de leeftijdsgrens is opgenomen in het Besluit na overleg met de bonden kan hier niet aan afdoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het standpunt van verweerder een deugdelijk motivering ontbeert.

Gelet op de standpunten van partijen zoals die zich nu in het dossier bevinden, kan de rechtbank niet op dit moment oordelen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten of dat zij zelf in de zaak kan voorzien. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van de bestuurlijke lus. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7 Ter zitting is met partijen de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb besproken. Verweerder verzet zich niet tegen het treffen van een voorlopige voorziening, met dien verstande dat eiser er rekening mee dient te houden dat, indien het besluit van verweerder stand houdt, een terugvordering zal plaatsvinden. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven zich hiervan bewust te zijn.

Omdat eiser op [geboortedatum] 2017 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, hij na 31 maart 2017 geen recht heeft op uitkering op grond van het Besluit en hij nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt en dus voorlopig nog geen AOW-ouderdomspensioen krijgt, ziet de rechtbank aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank treft de voorlopige voorziening dat aan eiser per 1 april 2017 bij wijze van voorschot uitkering wordt toegekend zoals in de periode voor 1 april 2017, uiterlijk tot de datum waarop eiser in aanmerking komt voor het ouderdomspensioen op grond van de AOW.

8 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Gebleken is dat de rechtbank abusievelijk € 168,- aan griffierecht heeft geheven en dat het griffierecht voor deze zaak € 46,- bedraagt. Hieruit volgt dat verweerder € 46,- aan eiser dient te vergoeden. De rechtbank zal hetgeen teveel is geheven terugbetalen aan eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 september 2016;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- treft de voorlopige voorziening dat aan eiser per 1 april 2017 bij wijze van voorschot uitkering wordt toegekend zoals in de periode voor 1 april 2017, uiterlijk tot de datum waarop eiser in aanmerking komt voor het ouderdomspensioen op grond van de AOW;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- bepaalt dat de rechtbank hetgeen teveel aan griffierecht is geheven, zijnde € 122,-, terugbetaalt aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.