Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:363

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
C/09/523409 / FT RK 16/2599
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[Uitspraak 17 januari 2017]:

Twee verzoekers in verzoek tot faillietverklaring vennootschap. Vordering verzoeker 1 reeds ingediend in faillissement van bestuurder van verweerster in privé. Geen deugdelijke verklaring waarom nu hetzelfde bedrag wordt gevorderd. Voorts ter onderbouwing slechts ING-bankafschrift overgelegd zonder voldoende onderbouwing. Verzoeker 2: ter onderbouwing slechts bankafschrift waaruit blijkt van overmaking aan gemeente Zoetermeer. Niet gebleken dat verzoeker 2 heeft voorgeschoten voor verweerster. Verweerster betwist dat betaling namens haar zou zijn verricht. Stelling dat sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen verweerster en verzoeker 2 niet onderbouwd.

Kostenveroordeling [uitspraak 31 januari 2017]:

Proceskostenveroordeling. Verzoek van verweerster tot verbetering van beschikking tot afwijzing faillissementsverzoek op voet van art. 31 Rv. Door rb aangemerkt als verzoek ex artikel 32 Rv want gaat om verzuim te beslissen over onderdeel van het verzochte (kostenveroordeling), en niet om kennelijke fout die zich eenvoudig voor herstel leent als bedoeld in artikel 31 Rv. Voldoende aannemelijk gemaakt dat advocaatkosten zijn gemaakt. Nu verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld. Uitgegaan wordt van liquidatietarief, tariefgroep II (vordering van onbepaalde waarde) en twee punten. Integrale kostenveroordeling moet terughoudend worden gegeven.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/812
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/523409 / FT RK 16/2599

uitspraakdatum: 17 januari 2017

1) FRESHPOOL VASTGOED B.V. (hierna te noemen: Freshpool)

en

2) [verzoeker sub 2] (hierna te noemen: [verzoeker sub 2]),

verzoekers,

advocaat mr. M. de Wijs,

hebben een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:

POOLSCHOOL H20 BEHEER B.V.,

verweerster,

advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart.

Het verzoekschrift is op 10 januari 2017 behandeld in raadkamer. Verweerster is daarbij verschenen, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. Uittenbogaart voornoemd en haar bestuurder [X].

Verzoekers hebben het faillissement van verweerster aangevraagd stellende dat verweerster verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen nu zij hun vorderingen onbetaald laat.

Verweerster heeft de vorderingen van verzoekers gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat hierop, voor zover van belang, als volgt in.

Ten aanzien van de vordering van Freshpool overweegt de rechtbank als volgt.

Freshpool vordert een bedrag van € 70.000,-- (hoofdsom) van verweerster. Van dit vorderingsrecht is echter naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

In de eerste plaats heeft verweerster onweersproken verklaard dat Freshpool ditzelfde bedrag reeds heeft ingediend in het faillissement van [X] in privé dat op 12 april 2016 was uitgesproken. Nu wordt hetzelfde bedrag gevorderd, maar van verweerster. Freshpool heeft geen deugdelijke verklaring voor deze wijziging gegeven; de enkele mededeling dat de tenaamstelling nu wel correct is, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een vorderingsrecht op verweerster.

In de tweede plaats is ter onderbouwing slechts een ING-bankafschrift overgelegd, waarop staat vermeld: “interne verrekening ten behoeve van de overname”. Zonder nadere onderbouwing met stukken, welke ontbreekt, volgt niet dat daarmee sprake is van het bestaan van een vorderingsrecht.

Ten aanzien van de vordering van [verzoeker sub 2] overweegt de rechtbank als volgt.

[Verzoeker sub 2] vordert een bedrag van € 35.000,-- van verweerster. Verweerster betwist deze vordering en heeft dat voldoende aannemelijk gemaakt. [Verzoeker sub 2] heeft ter onderbouwing van zijn vordering slechts een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt van overmaking van voormeld bedrag aan de gemeente Zoetermeer. Niet is gebleken dat hij dat heeft voorgeschoten voor verweerster. Verweerster heeft verklaard dat Poolschool H2O Vastgoed B.V. – thans Freshpool – betalingen verschuldigd was aan de gemeente, wegens nutsvoorzieningen voor het vastgoed (het zwembad); verweerster betwist daarom dat de betaling namens haar zou zijn verricht. De stelling dat sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen verweerster en [verzoeker sub 2] is niet met stukken onderbouwd en wordt door verweerster betwist.

Voormelde betwistingen zijn niet, althans onvoldoende door verzoekers weerlegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat reeds hierom niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat uitgegaan kan worden van de vorderingsrechten van verzoekers. Hetgeen verweerster verder naar voren heeft gebracht, behoeft daarom geen bespreking.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring van POOLSCHOOL H20 BEHEER B.V., voornoemd.

Gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en uitgesproken op 17 januari 2017, in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/523409 / FT RK 16/2599

uitspraakdatum: 31 januari 2017

Ten aanzien van de beschikking van deze rechtbank van 17 januari 2017 op het verzoekschrift van

1) FRESHPOOL VASTGOED B.V. (hierna te noemen: Freshpool)

en

2) [verzoeker sub 2] (hierna te noemen: [verzoeker sub 2]),

verzoekers,

advocaat mr. M. de Wijs,

om failliet te verklaren:

POOLSCHOOL H20 BEHEER B.V.,

verweerster,

advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart,

heeft verweerster middels haar advocaat de rechtbank op 19 januari 2017 verzocht, onder verwijzing naar haar verweerschrift, de beschikking tot afwijzing van het faillissementsverzoek te verbeteren op de voet van artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Aangezien verweerster heeft gevraagd alsnog te beslissen op haar verzoek om een proceskostenveroordeling, merkt de rechtbank het onderhavige verzoek aan als een verzoek ex artikel 32 Rv. Het gaat immers om een verzuim te beslissen over een onderdeel van het verzochte, en niet om kennelijke fout die zich eenvoudig voor herstel leent als bedoeld in artikel 31 Rv.

Conform artikel 32 lid 1, tweede volzin, Rv zijn verzoekers in de gelegenheid gesteld te reageren. Bij brief van 25 januari 2017 stellen verzoekers dat voor (integrale) toewijzing van advocaatkosten geen plaats is, omdat geen sprake is van evidente ongegrondheid van vorderingen. Een verzoek om integrale proceskostenveroordeling kan volgens verzoekers slechts worden toegewezen als sprake is van onrechtmatig handelen. Daarnaast zijn de kosten volgens verzoekers niet onderbouwd. Zij concluderen dan ook tot afwijzing van het verzoek.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster terecht geklaagd dat bij de afwijzing van het faillissementsrekest geen beslissing over de gevraagde proceskostenveroordeling is genomen. De rechtbank zal alsnog daarop beslissen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij advocaatkosten heeft gemaakt. Haar advocaat heeft immers een verweerschrift opgesteld en is ter zitting van 10 januari 2017 verschenen en heeft verweer gevoerd. Nu verzoekers in de beschikking van 17 januari 2017 in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat bij de berekening van de te vergoeden kosten wordt uitgegaan van het liquidatietarief, tariefgroep II (vordering van onbepaalde waarde) en twee punten. Met verzoekers is de rechtbank van oordeel dat een integrale kostenveroordeling terughoudend moet worden gegeven. In het onderhavige geval is daar geen reden voor.

BESLISSING

De rechtbank:

- veroordeelt Freshpool en Goes tot vergoeding van de proceskosten, aan de zijde van POOLSCHOOL H20 BEHEER B.V. begroot op € 904,--;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en uitgesproken op 31 januari 2017, in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.