Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3468

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-04-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
C-09-527470-KG ZA 17-231
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Korpschef van politie moet officiële waarschuwing aan beveiliger intrekken, omdat (i) de procedure niet zorgvuldig is geweest en (ii) niet kan worden aangenomen dat er een gegronde reden was voor het geven van een waarschuwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/527470 / KG ZA 17-231

Vonnis in kort geding van 5 april 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,

eisers,

advocaat mr. A.H. Staring te Arnhem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE POLITIE,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

in persoon verschenen (gevolmachtigde: P.R.Barendrecht).

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als enerzijds ' [eiser sub 1] ' en ' [eiseres sub 2] ' (gezamenlijk ook wel als ' [eiser sub 1] cs') en anderzijds 'de Politie'.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de brief van de Politie van 13 maart 2017, met producties;

- de op 22 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser sub 1] cs pleitnotities, inhoudend een vragenlijst, zijn overgelegd; op de zitting hebben [eiser sub 1] cs hun vorderingen jegens de aanvankelijke mede-gedaagde, de Staat der Nederlanden, ingetrokken.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiseres sub 2] houdt zich bezig met het beheren en uitoefenen van een particulier beveiligings- en bewakingsbedrijf. Haar enig bestuurder is [B.V.1] , waarvan [eiser sub 1] enig bestuurder en aandeelhouder is.

2.2.

Bij besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 april 2012 is - op de voet van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus ('Wpbr') en de daaruit voortvloeiende regelgeving - aan [eiseres sub 2] een vergunning voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie in de zin van artikel 3, onder a Wpbr verleend en aan [eiser sub 1] toestemming gegeven hem te belasten met de leiding van [eiseres sub 2] , telkens tot 1 april 2017.

2.3.

[eiseres sub 2] is ingeschakeld om gedurende de periode van 18 tot en met 26 juni 2016 de beveiliging van de jaarlijkse TT Kermis te Assen op zich te nemen.

2.4.

Tijdens dat evenement vond op 25 juni 2016 een incident plaats tussen [eiser sub 1] en een persoon genaamd [X] (hierna ' [X] ').

2.5.

[eiser sub 1] heeft naar aanleiding van het incident aangifte gedaan bij de politie tegen [X] wegens mishandeling. Voor zover hier van belang verklaart [eiser sub 1] daarin:

"(…) Toen ik ter plaatse was kwam er een persoon (voorzieningenrechter: [X] ) op mij aflopen. Deze persoon wilde mij tegen houden. Ik heb deze persoon gezegd dat hij van mij af moest blijven en dat hij aan de kant moest gaan. Ik ben naar [A] gelopen en de man kwam weer aan mij. Hij pakte mij bij mijn schouder. Ik de man gezegd dat hij van het terrein af moest gaan. Ik heb de man 3 x gevorderd om weg te gaan. Ik zag dat [A] en [B] de zaak onder controle kregen. De man die mij weer tegen wilde houden heb ik toen aangehouden omdat hij mij weer wilde tegen houden. Ik heb de man naar de werkunit van de beveiliging gebracht. De man maakte toen een beweging als of hij mij wilde slaan. Ik zag de man zijn rechter vuist balde. Ik zag toen dat de man een slaande beweging maakte in mijn richting. Ik heb de slag geweerd met mijn linker arm. Hierdoor heb ik een wondje op mijn linker elleboog gekregen. Dit kwam omdat ik door het afweren tegen de unit aan kwam. De deur van de unit stond open. Ik heb de man toen van mij afgeduwd en tegen de achterwand van de unit gedrukt. De man kwam weer op mij af en ik hoorde de man zeggen: "ik maak je kapot". Ik heb de man weer naar de achterwand van de unit gedrukt en hoorde hem weer zeggen: "Ik maak je kapot". Dit gebeurde wel drie keer. De man was helemaal onder invloed. Bij de 2de keer dat de man mij duwde viel mijn portofoon op de grond. (…) Bij de 3de keer heb ik de man duidelijk gemaakt dat hij moest gaan zitten heb hem op de stoel gezet, hardhandig."

2.6.

Naar aanleiding van het incident heeft [X] bij de politie aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving door [eiser sub 1] .

2.7.

Bij brief van 11 juli 2016 heeft (de korpschef van) de Politie [eiser sub 1] medegedeeld voornemens te zijn om de toestemming om te beveiligen in te trekken op de voet van het bepaalde in artikel 7 Wpbr. De brief vermeldt onder meer:

"U, als directeur en beveiligingsmedewerker van uw eigen beveiligingsbedrijf, dient te handelen zoals van een goede beveiliger mag worden verwacht.

Een bezoeker van een evenement meenemen naar de container van het beveiligingsbedrijf, hem hier klappen geven en opsluiten, strookt niet met het uitgangspunt van een betrouwbare veiligheidszorg.

Ik beschouw deze feiten als een ernstige aantasting van de rechtsorde en hiermee heeft u zich onvoldoende betrouwbaar getoond. Door uw gedragingen kan de goede naam van de beveiligingsbranche ook zeker worden geschaad."

[eiser sub 1] is in die brief in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op het voornemen te geven.

2.8.

Bij brief van 12 juli 2016 heeft de officier van justitie aan [eiser sub 1] bericht dat de zaak tegen [X] (naar aanleiding van de aangifte van [eiser sub 1] ) wordt geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en dat [X] niet verder zal worden vervolgd.

2.9.

Naar aanleiding van het onder 2.7 vermelde voornemen van de korpschef heeft op 8 augustus 2016 een hoorzitting bij de Politie plaatsgevonden, waarbij [eiser sub 1] zijn zienswijze - schriftelijk en mondeling - heeft gegeven.

2.10.

Op 24 augustus 2016 heeft (de korpschef van) de Politie - onder meer - het volgende bericht aan [eiser sub 1] :

"Uit de politiegegevens is het volgende gebleken:

Op 25 juni 2016 is door u, als beveiliger tijdens de TT-kermis te Assen, geweld gebruikt tegen een bezoeker. Deze heeft aangifte van mishandeling gedaan.

De bezoeker is in de container van het beveiligingsbedrijf mishandeld en in de container opgesloten.

Uit uw zienswijze is gebleken dat de situatie, zoals hierboven beschreven, iets genuanceerder ligt.

Gezien de politiegegevens en uw uitvoerige zienswijze zal ik uw toestemming niet intrekken, maar blijf ik van mening dat u, als directeur en beveiligingsmedewerker van uw eigen beveiligingsbedrijf, dient te handelen zoals van een goede beveiliger mag worden verwacht.

Een bezoeker van een evenement meenemen naar een container, hem hier klappen geven en opsluiten, strookt niet met het uitgangspunt van een betrouwbare veiligheidszorg.

Thans wil ik nog niet overgaan tot intrekking van uw toestemming, doch volsta ik met deze officiële waarschuwing, welke in u dossier wordt opgelegd. Bij een tweede waarschuwing binnen een termijn van twee jaar volgt in ieder geval een intrekking."

2.11.

Op 26 september 2016 heeft [eiser sub 1] - per e-mail - bezwaar gemaakt tegen de waarschuwing. De Politie heeft daarop - bij brief van 27 oktober 2016 - aan de advocaat van [eiser sub 1] aangegeven dat het maken van bezwaar langs elektronische weg niet is opengesteld. Voor het overige houdt de brief - onder meer - het volgende in:

"Ter informatie wil ik u nog meegeven dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State een schriftelijke waarschuwing zoals gegeven aan uw cliënt, in deze omstandigheden, niet wordt aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht."

2.12.

Bij brief van 27 januari 2017 heeft de officier van justitie aan [eiser sub 1] bericht dat de zaak tegen hem (naar aanleiding van de aangifte van [X] ) wordt geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] cs vorderen, na intrekking van de vorderingen tegen de Staat der Nederlanden:

I. de Politie te bevelen met onmiddellijke ingang, althans binnen twee dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, de beslissing van 24 augustus 2016 tot het opleggen van een officiële waarschuwing te (laten) herzien, in die zin dat deze wordt vervallen verklaard, althans ingetrokken;

II. de Politie te bevelen binnen acht dagen na de betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser sub 1] cs schriftelijk te (laten) bevestigen dat de officiële waarschuwing is vervallen, althans ingetrokken;

een en ander met veroordeling van de Politie in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voeren [eiser sub 1] cs - samengevat - het volgende aan.

Om twee redenen handelt de Politie onrechtmatig jegens [eiser sub 1] cs, door [eiser sub 1] op 24 augustus 2016 officieel te waarschuwen wegens diens optreden tegen [X] op 25 juni 2016. Enerzijds is de procedure die tot de waarschuwing heeft niet deugdelijk en zorgvuldig verlopen, aangezien [eiser sub 1] geen inzage heeft gekregen in de stukken waarop de korpschef zijn beslissing om [eiser sub 1] een officiële waarschuwing te geven baseert. Hierdoor kan [eiser sub 1] zich daartegen niet, althans onvoldoende verweren. Het is ook volstrekt onduidelijk op welke gronden de korpschef is teruggekomen op zijn aanvankelijke voornemen om de aan [eiser sub 1] verleende toestemming om te mogen beveiligen in te trekken niet heeft gehandhaafd en vervolgens heeft besloten [eiser sub 1] officieel te waarschuwen. Anderzijds heeft [eiser sub 1] [X] op de bewuste avond van 25 juni 2016 niet geslagen en/of opgesloten in een container. Dat blijkt ook uit de door [eiser sub 1] cs overgelegde (drie) getuigenverklaringen. Kennelijk is de korpschef enkel afgegaan op de aangifte van [X] , zonder deze op haar juistheid te verifiëren.

3.3.

De Politie voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser sub 1] cs baseren hun vorderingen op onrechtmatig handelen van de Politie. Daarmee is - in zoverre - de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven. Bovendien is niet is geschil dat [eiser sub 1] cs geen andere rechtsingang heeft om de waarschuwing aan te vechten dan die bij de civiele rechter. [eiser sub 1] cs zijn - in dat opzicht - dan ook ontvankelijk in hun vorderingen.

4.2.

De Politie heeft aangevoerd dat [eiser sub 1] cs geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Daarin kunnen zij echter niet worden gevolgd. Gelet op de negatieve gevolgen die de waarschuwing voor zowel [eiser sub 1] als [eiseres sub 2] kan meebrengen, hebben zij er belang bij dat - indien moet worden geoordeeld dat de waarschuwing ten onrechte is gegeven - aan die (onrechtmatige) situatie zo snel mogelijk een einde wordt gemaakt. Dat klemt hier te meer nu de Politie heeft aangegeven dat bij een tweede officiële waarschuwing binnen twee jaar zal worden overgaan tot intrekking van de bevoegdheid van [eiser sub 1] om te mogen beveiligen.

4.3.

Zoals uit hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen volgt, stellen [eiser sub 1] cs zich op het standpunt dat de beslissing van de korpschef om [eiser sub 1] te waarschuwen zowel om formele als materiële redenen geen stand kan houden. De daartoe door hen aangevoerde argumenten zullen hierna worden besproken.

4.4.

Voor wat betreft de stelling van [eiser sub 1] cs dat de procedure die tot de waarschuwing heeft geleid niet deugdelijk en onzorgvuldig was, wordt vooropgesteld dat de korpschef beleidsvrijheid toekomt bij het vaststellen of een 'beveiliger' voldoende betrouwbaar is en - zo niet - jegens die beveiliger maatregelen/sancties te treffen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter in een procedure als de onderhavige de beslissing van de korpschef in beginsel slechts marginaal kan en mag toetsen. Die beleidsvrijheid brengt echter niet mee dat de korpschef een beslissing, waarbij hij een maatregel/sanctie treft jegens een beveiliger, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd kan nemen. Hij dient in ieder geval voldoende inzichtelijk te maken op grond waarvan en op welke gronden hij tot zijn beslissing is gekomen, zodat de betreffende beveiliger zich daartegen behoorlijk kan verdedigen.

4.5.

Aan die voorwaarde is ten aanzien van [eiser sub 1] niet voldaan. Eerst op de zitting heeft de Politie duidelijk gemaakt dat de beslissing tot het geven van de waarschuwing is gebaseerd op de aangifte van [X] , een mutatierapport van de politie en de aangifte van [eiser sub 1] voor zover deze daarin verklaart dat hij [X] hardhandig op een stoel in de beveiligingsunit heeft gezet. Vast is komen te staan dat [eiser sub 1] geen kennis heeft gekregen van de - al dan niet geanonimiseerde - aangifte van [X] en het mutatierapport, noch dat hij van de (zakelijke) inhoud ervan op de hoogte is gesteld. Ook van het verslag van de onder 2.9 vermelde hoorzitting heeft [eiser sub 1] geen afschrift ontvangen, wat volgens de Politie wel gebruikelijk is. Daar komt bij dat zowel in de brief van de korpschef van 11 juli 2016, waarin het voornemen tot intrekking van de toestemming om te beveiligen wordt aangekondigd, als in diens brief van 24 augustus 2016, waarbij de officiële waarschuwing wordt gegeven, als reden wordt aangevoerd dat [eiser sub 1] [X] heeft geslagen en opgesloten in een container. De Politie maakt niet inzichtelijk waarom die reden in de eerste brief leidde tot (het voornemen tot) intrekking van de toestemming om te mogen beveiligen en in de tweede brief tot een officiële waarschuwing. In welk opzicht de situatie genuanceerder ligt - nadat [eiser sub 1] zijn zienswijze had gegeven - geeft de korpschef in ieder geval niet aan in de brief van 24 augustus 2016.

4.6.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de besluitvorming met betrekking tot de aan [eiser sub 1] gegeven officiële waarschuwing ondeugdelijk en onzorgvuldig is geweest, aangezien de korpschef niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan hij heeft besloten [eiser sub 1] te waarschuwen, zodat [eiser sub 1] zich daartegen niet behoorlijk heeft kunnen verweren.

4.7.

Daar komt bij dat - in het beperkte bestek van dit kort geding - niet kan worden aangenomen dat [eiser sub 1] [X] heeft geslagen en/of opgesloten in de container. Daarvoor is het volgende van belang.

4.8.

Zoals hiervoor - onder 4.5 - aangegeven baseert de korpschef de waarschuwing van [eiser sub 1] op de aangifte van [X] , een mutatierapport van de politie en de aangifte van [eiser sub 1] voor zover deze daarin verklaart dat hij [X] hardhandig op een stoel in de beveiligingsunit heeft gezet. Noch [eiser sub 1] , noch de voorzieningenrechter heeft kennis kunnen nemen van de aangifte van [X] en het mutatierapport, aangezien de Politie deze ook in de onderhavige procedure niet heeft overgelegd. Die stukken kunnen dan ook niet worden meegenomen bij de beoordeling en beslissing in dit kort geding. Uit de (resterende) aangifte van [eiser sub 1] volgt niet dat dat hij [X] heeft opgesloten in de container/beveiligingsunit. Hij verklaart immers uitdrukkelijk dat de deur van de beveiligingsunit openstond. Dat [eiser sub 1] [X] heeft geslagen kan evenmin worden afgeleid uit de aangifte van [eiser sub 1] . [eiser sub 1] verklaart slechts dat hij [X] tot tweemaal toe tegen de achterwand van de unit heeft gedrukt en hem hardhandig op een stoel heeft gezet. Zonder nadere toelichting, die niet wordt gegeven, kan dat handelen niet als het slaan van [X] worden aangemerkt. Bovendien volgt uit de aangifte van [eiser sub 1] dat [X] de aanwijzingen van [eiser sub 1] negeerde, zich recalcitrant gedroeg en dreigende taal sprak. In een dergelijke situatie kan [eiser sub 1] niet worden verweten dat hij, als redelijk handelend beveiliger, op dat moment zijn 'gezag' heeft moeten laten gelden teneinde [X] tot de orde te roepen. Niet kan worden uitgesloten dat [X] daarbij proportioneel - en binnen de voor hem geldende grenzen - is opgetreden tegen [X] .

4.9.

Bovendien sluit de inhoud van de door [eiser sub 1] in het geding gebrachte - nagenoeg eensluidende - schriftelijke getuigenverklaringen van zijn collega's [B] , [A] en [C] , naadloos aan op de inhoud van de aangifte van [eiser sub 1] . Ook die getuigen verklaren expliciet dat de deur van de beveiligingsunit continu openstond en dat [eiser sub 1] geen (fysiek) geweld heeft gebruikt jegens [X] . Voorts vormt het sepot door de officier van justitie van de zaak tegen [eiser sub 1] (naar aanleiding van de aangifte van [X] ) een aanwijzing voor de juistheid van de stellingen van [eiser sub 1] .

4.10.

Een en ander betekent dat de in dit geding vaststaande feiten en omstandigheden het oordeel van de korpschef dat [eiser sub 1] een niet-betrouwbare beveiliger is en diens besluit om [eiser sub 1] officieel te waarschuwen niet kunnen dragen.

4.11.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser sub 1] cs zullen worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

4.12.

De Politie zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

beveelt de Politie met onmiddellijke ingang de beslissing van (de korpschef van) 24 augustus 2016 tot het opleggen van een officiële waarschuwing aan [eiser sub 1] te (laten) herzien, door deze vervallen te verklaren, dan wel in te trekken en [eiser sub 1] daarvan schriftelijk op de hoogte te stellen binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis;

5.2.

veroordeelt de Politie in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser sub 1] cs begroot op € 1.514,42, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 618,-- aan griffierecht en € 80,42 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2017.

jvl