Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3443

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
05-04-2017
Zaaknummer
AWB 16/18451
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de door eiser aangehaalde rapporten, waaronder het algemeen ambtsbericht van november 2016, blijkt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan weliswaar is verslechterd, maar nog niet dat die dusdanig erg is dat er gesproken kan worden van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. De omstandigheid dat de ons omringende landen de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan wellicht anders beoordelen, doet hier niet aan af. Het is immers onduidelijk welke lidstaten dit zouden zijn en op welke gebieden in Afghanistan dit zou zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/18451

V-nr: [volgnummer]

einduitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 maart 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1986, van Afghaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. E. van Kempen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M. Dalhuisen).


Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 20 januari 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

Op 16 augustus 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. C. Brand. Ook was ter zitting aanwezig G. de Vries, als tolk in de taal Dari. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij tussenuitspraak van 23 september 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit een gebrek vertoont en is verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

Verweerder heeft bij fax van 20 oktober 2016 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiser heeft bij fax van 17 november 2016 zijn zienswijze daarover naar voren gebracht.

De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 28 november 2016 aan partijen medegedeeld dat zij aanleiding ziet om het beroep op een nadere zitting verder te behandelen, gelet op de nieuwe rapporten die zijn verschenen over de situatie in Afghanistan, waaronder het algemeen ambtsbericht Afghanistan van november 2016.

Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig D. Hosseini, als tolk Dari. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

De tussenuitspraak maakt deel uit van deze einduitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door eiser ingeroepen rapporten, met uitzondering van het UNAMA rapport van februari 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan verweerder om naar aanleiding van de zienswijze al in het bestreden besluit te beoordelen of uit de rapporten1 blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in het algemeen dat tot een andere beoordeling in het kader van artikel 15c van de Definitierichtlijn2 gekomen moet worden.

1.2

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld het onder 1.1 vermelde gebrek te herstellen.

2.1

Verweerder heeft bij brief van 20 oktober 2016 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Verweerder overweegt hiertoe dat de door eiser ingebrachte informatie over de veiligheidssituatie in Afghanistan in het EASO-rapport van januari 2016, de UNHCR Eligibility Guidelines van 19 april 2016 en het jaarrapport van de UNAMA van 14 februari 2016 (grotendeels) de periode van 2015 beslaat. Weliswaar is uit deze rapporten op te maken dat de situatie in Afghanistan in 2015 is verslechterd, maar eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan, en in de [provincie] in het bijzonder, sindsdien zodanig sterk is verslechterd dat een burger die terugkeert het reële risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict. Het EASO-rapport van januari 2016 is verder al meegenomen in de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 5 juli 2016 in de zaak van A.M. tegen Nederland. Uit die uitspraak volgt dat het EHRM voor heel Afghanistan geen situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn aanneemt. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de strekking van de UNHCR Guidelines van 19 april 2016 en het jaarrapport van de UNAMA van 14 februari 2016 dusdanig anders is dan die van het genoemde EASO-rapport van januari 2016, welke laatstgenoemd rapport is meegenomen door het EHRM in haar uitspraak van 5 juli 2016.

2.2

Eiser voert in reactie op de herstelpoging van verweerder aan dat de Procedurerichtlijn3 bepaalt dat eiser recht heeft op een effectief rechtsmiddel dat inhoudt dat een volledig en ex nunc onderzoek zowel de feitelijke als de juridische gronden dient plaats te vinden. Naast dat verweerder ten onrechte niet – zoals door de rechtbank is vastgesteld – is ingegaan op de landenrapporten die in de zienswijze zijn genoemd, heeft verweerder ook ditmaal nagelaten zelfstandig onderzoek te doen naar de vraag of uitzetting van eiser in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM4 vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan. Artikel 10 van de Procedurerichtlijn verplicht verweerder ertoe zelf landeninformatie bij de beoordeling te betrekken. Het EHRM kan zich bovendien niet uitlaten over artikel 15c van de Definitierichtlijn, maar alleen over artikel 3 van het EVRM. Zie daartoe het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 februari 2009 in de zaak Elgafaji. Verweerder motiveert ook niet waarom de strekking van de rapporten gelijk is aan eerdere rapporten. Bovendien vinden elf lidstaten wel dat er sprake is van een 15c situatie in (bepaalde delen van) Afghanistan. Zonder duidelijk inzicht waarom andere lidstaten wel 15c toepassen op Afghanistan, ontbreekt er een deugdelijke motivering. Tot slot is op 16 november 2016 een nieuw ambtsbericht verschenen over Afghanistan. Gelet op die recente informatie is aannemelijk gemaakt dat eiser in aanmerking dient te komen voor subsidiaire bescherming.

2.3

Bij brief van 3 februari 2017 heeft verweerder in reactie op het standpunt van eiser overwogen dat het algemeen ambtsbericht Afghanistan van november 2016 de periode van augustus 2014 tot en met oktober 2016 beslaat. De door eiser aangehaalde rapporten zijn ouder (en daarom minder actueel) dan het ambtsbericht. Het nieuwe ambtsbericht biedt in vergelijking met het voorgaande volgens verweerder geen aanknopingspunten voor een dermate verslechtering van de situatie, dat tot een ander oordeel moet worden gekomen. Daarbij wordt er met betrekking tot Ghazni op gewezen dat wordt gesproken over zowel gericht geweld – dat voor de beoordeling van 15c niet relevant is – als willekeurig geweld waarvan burgers het slachtoffer kunnen worden. Van dusdanige toename en omvang van dat laatste type geweld dat een situatie als bedoeld in artikel 15c aan de orde zou kunnen zijn, geeft het nieuwe ambtsbericht geen blijk volgens verweerder.

3.1

De rechtbank overweegt dat eiser, gelet op deze procedure, een effectief rechtsmiddel heeft zoals hij met recht heeft betoogd. Uit artikel 83a van de Vw 2000 volgt daarnaast ook dat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek omvat naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

3.2

Voorop staat dat in de tussenuitspraak al een oordeel is gegeven over de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3009) gaat dan ook niet (meer) op. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank al overwogen dat verweerder de werkzaamheden voor buitenlandse mogendheden van eiser geloofwaardig heeft kunnen achten, maar de daarop gestelde gevolgen, dat de Taliban hiervan op de hoogte is geraakt, niet. Dat de Taliban achter eisers arbeidsverleden zal komen, is een onzekere toekomstige gebeurtenis.

3.3

De rechtbank overweegt verder dat verweerder in zijn herstelpoging alle rapporten die eiser heeft aangehaald, zoals was verzocht in de tussenuitspraak, heeft betrokken bij zijn beoordeling van de veiligheidssituatie in Afghanistan. Verweerder heeft nadien ook het nieuwe algemeen ambtsbericht betrokken bij zijn beoordeling. Dat verweerder niet, overeenkomstig artikel 10 van de Procedurerichtlijn, nauwkeurige en actuele informatie heeft verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, heeft eiser niet onderbouwd.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, met zijn aanvullende motivering, deugdelijk gemotiveerd heeft dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn en overweegt daartoe als volgt.

3.5

De Afdeling heeft op 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731) geoordeeld dat hoewel uit de overgelegde stukken naar voren komt dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan zorgelijk is, verweerder terecht naar voren heeft gebracht dat zich geen wezenlijke veranderingen hebben voorgedaan in de daar aanwezige veiligheidsstructuur en dat voorts het aantal burgerslachtoffers dat het gewapend conflict tot gevolg heeft, mede gelet op het totale inwoneraantal van Afghanistan, relatief niet zo hoog is dat gesproken kan worden van een uitzonderlijke situatie. Dit oordeel is volgens de Afdeling in lijn met de rechtspraak van het EHRM, onder meer het arrest van 12 januari 2016, A.W.Q. en D.H. tegen Nederland, en het arrest van 5 juli 2016, A.M. tegen Nederland. Aldus is de mate van willekeurig geweld in Afghanistan, meer in het bijzonder de [provincie] , niet dermate hoog dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die daar naartoe terugkeert, louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op de ernstige schade bestaande uit de bedreiging bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000.

3.6

De Afdeling heeft in bovengenoemde uitspraak de door eiser ingeroepen UNHCR Eligibility Guidelines van 19 april 2016 en het EASO rapport van januari 2016 betrokken. Vervolgens heeft de Afdeling op 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3513) wederom een uitspraak gedaan over Afghanistan, in het bijzonder over de provincie waar eiser vandaan komt, [provincie] In die uitspraak wordt herhaald dat zich in Afghanistan, in het bijzonder in de [provincie] , niet de bijzondere situatie als bedoeld in artikel 15c voordoet.

3.7

Uit de door eiser aangehaalde rapporten blijkt dat de veiligheidssituatie weliswaar is verslechterd, maar nog niet dat die dusdanig erg is dat er gesproken kan worden van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Kortom, eiser heeft niet aangetoond, want onvoldoende onderbouwd, dat zich in Afghanistan op dit moment wel de uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bescherming biedt. De omstandigheid dat de ons omringende landen de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan wellicht anders beoordelen, doet hier niet aan af. Het is immers onduidelijk welke lidstaten dit zouden zijn en op welke gebieden in Afghanistan dit zou zien.

4. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft in dit kader kunnen verwijzen naar het arrest van het EHRM van 5 juli 2016, A.M. tegen Nederland. Dat op dit moment anders moet worden geoordeeld, heeft eiser niet onderbouwd.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen, zoals eiser heeft verzocht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 5 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3231). De Afdeling heeft overwogen dat prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, punt 10; ECLI:EU:C:1982:335). De vraag wanneer zich een uitzonderlijke situatie voordoet als vorenbedoeld heeft het Hof beantwoord in het arrest van 17 februari 2009, Elgafaji, punt 43; ECLI:EU:C:2009:94. De vraag of zich een dergelijke uitzonderlijke situatie voordoet, vergt geen nadere uitleg door het Hof van het Unierecht, maar gaat uitsluitend over de beoordeling van een feitelijke situatie, die is voorbehouden aan de lidstaten (zie voormeld arrest van 17 februari 2009, punt 43 en onder meer het arrest van het Hof van 30 maart 2006, Servizi Ausiliari Dottori Commercialisti, punt 69; ECLI:EU:C:2006:208).

6. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, gelet op de overwegingen uit de tussenuitspraak. Gelet op de overwegingen in deze einduitspraak, is er wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.485,- (zegge: veertienhonderd en vijfentachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JvB

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 EASO-rapport over Afghanistan uit 2016, de Eligibility Guidelines van april 2016, het UNAMA rapport uit juli 2016, het jaar rapport van de UNAMA van 14 februari 2016 en het UK Home Office rapport van juli 2016.

2 Richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als persoon die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiair bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).

3 Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking).

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.