Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3441

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
C-09-523012-KG ZA 16-1489
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding in vervolg op de vonnissen in kort geding ECLI:NL:RBDHA:2016:12632 en ECLI:NL:RBDHA:2016:15338. Gedaagde sub 1 is in de eerdere vonnissen veroordeeld om mee te werken aan de overdracht van N-certificaten aan de vijf eisers, met bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaringen van gedaagde sub 1 als zij daarmee in gebreke blijft. Gedaagde sub 2, aan wie in het verleden een pandrecht is verleend op de N-certificaten, weigert echter hieraan mee te werken. Zij geeft echter ook geen informatie/duidelijkheid over het pandrecht. Mede daarom heeft gedaagde sub 3, de notaris, aan eisers aangegeven dat zij niet aan haar ministerieplicht kan voldoen. De vorderingen van eisers worden in zoverre toegewezen dat gedaagde sub 2 duidelijkheid moet verschaffen over het pandrecht, dat er een regeling wordt bepaald ten aanzien van de betaling door eisers van de koopsom, afhankelijk van de inhoud van die informatie (eventueel deels naar gedaagde sub 2) en dat de notaris wordt gelast haar ministerie te verlenen ten aanzien van het passeren van een akte van levering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1851
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/523012 / KG ZA 16/1489

Vonnis in kort geding van 1 maart 2017

in de zaak van

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 1];

  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 2];

  3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 3];

  4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 4];

  5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres sub 5];

alle gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

eiseressen,

advocaten mrs. J. Fleming en L.M.H.A.A. Hennekens te Amsterdam,

tegen:

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2], gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,

advocaat van gedaagden sub 1 en 2 mr. H.J.M. van Schie te Haarlem (voorheen mrs. J.F. Ouwehand en G.J.L. Bergervoet te Amsterdam),

3 [de notaris] , domicilie kiezend te [plaats 2] ,

advocaat mr. S.P. Kamerbeek te Amsterdam.

Eiseressen worden hierna gezamenlijk aangeduid als [eiseres sub 1 c.s.] Gedaagden worden hierna ieder afzonderlijk aangeduid als ‘ [gedaagde sub 1] ’, ‘ [gedaagde sub 2] ’ en ‘de notaris’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] overgelegde conclusie van antwoord, met producties;

- de op 5 januari 2017 gehouden mondelinge behandeling bij voorzieningenrechter mr. G.H.I.J. Hage. Daarbij zijn door [eiseres sub 1 c.s.] en door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] pleitnotities overgelegd.

1.2.

Tijdens voormelde mondelinge behandeling (na de eerste termijn van zowel [eiseres sub 1 c.s.] als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) is de zaak pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. [eiseres sub 1 c.s.] hebben daarna verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. Deze is gepland op 15 februari 2017.

1.3.

[eiseres sub 1 c.s.] hebben daarna, bij brief van 13 februari 2017, aanvullende producties overgelegd. Aan het bezwaar dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ter zitting van 15 februari 2017 hebben gemaakt tegen het in aanmerking nemen van deze producties is de voorzieningenrechter voorbij gegaan, omdat het producties betreft die beperkt zijn van omvang en tijdig zijn overgelegd (meer dan 24 uur voor de zitting). De omstandigheid dat deze zitting een voortgezette behandeling betreft, kan dit niet anders maken.

1.4.

Partijen zijn op 13 februari 2017 telefonisch op de hoogte gesteld van een rechterswisseling, inhoudende dat mr. G.P. van Ham (hierna: de voorzieningenrechter) de zaak overneemt van mr. Hage voormeld, vanwege een onvoorziene verhindering aan de zijde van laatstgenoemde om de op 15 februari 2017 geplande mondelinge behandeling voor te zitten.

1.5.

Tijdens de mondelinge behandeling van 15 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter aan partijen meegedeeld dat de rechterswisseling tot gevolg heeft dat de zaak opnieuw door hem zal worden behandeld, waarbij hij heeft toegelicht dat hij alle tot het dossier behorende stukken als voormeld (waaronder de zittings- en pleitaantekeningen van de eerste zitting) heeft gelezen en in aanmerking zal nemen bij zijn beslissing. Hij heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld al hetgeen zij noodzakelijk achten naar voren te brengen.

1.6.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De [Z] en [Q] -groep is een familiebedrijf, waarin een onderneming wordt gedreven die actief is in de visserij en visverwerking (hierna: de Groep). De Groep bestaat uit verschillende werkmaatschappijen. De aandelen in de werkmaatschappijen worden gehouden door [de Holding] (hierna: de Holding). De aandelen in de Holding worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor van aandelen in [de Holding] (hierna: de STAK). De STAK heeft certificaten uitgegeven (hierna: de certificaten). De certificaten zijn verdeeld over vier staken, waarbij iedere staak in het bezit is van 25% van het totale aantal certificaten. Twee staken bestaan uit (beheermaatschappijen van) de familie [Q] . Zij houden de certificaten J en A. Twee staken bestaan uit (beheermaatschappijen van) de familie [Z] . Zij houden de certificaten N en D.

2.2.

Deze zaak heeft betrekking op de twee staken van de familie [Z] , die zijn gerelateerd aan de broers [A] en [B] . In de staak van [B] houden [eiseres sub 1 c.s.] ieder 5% van de certificaten, die zijn aangeduid met de letter D. In de staak die is gerelateerd aan [A] houdt [gedaagde sub 1] 25% van de certificaten, die zijn aangeduid met de letter N (hierna: de N-certificaten). De aandelen in [gedaagde sub 1] worden gehouden door de kinderen van [A] , te weten [C] , [D] , [E] en [F] . [A] is thans bestuurder van [gedaagde sub 1] .

2.3.

[A] en [B] hebben op enig moment (eind jaren negentig dan wel begin deze eeuw) een deel van hun belangen in de groep aan hun kinderen overgedragen. De constructie in de staak [A] behelsde onder meer dat [gedaagde sub 1] in 2002 een eerste pandrecht heeft verleend op de door haar gehouden N-certificaten aan [gedaagde sub 2] , waarvan [A] enig aandeelhouder is en waarvan de huidige bestuurder [G] is, zijnde de schoonzoon van [A] . Dit pandrecht (hierna: het pandrecht) strekte tot zekerheid voor de voldoening van een door [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 1] verstrekte geldlening van € 10.750.734,-. In de notariële akte van 14 december 2002, waarin het pandrecht is gevestigd, zijn als voorwaarden onder meer opgenomen dat i) het pandrecht eindigt zodra de schuldenaar uit hoofde van de geldlening niets meer aan de schuldeiser schuldig is en dat de schuldeiser alsdan de Holding daarvan onverwijld schriftelijk in kennis zal stellen (artikel 3 sub g) en ii) de schuldenaar de verpande certificaten niet zonder schriftelijke toestemming van de schuldeiser mag vervreemden en/of bezwaren (artikel 3 sub h).

2.4.

In december 2005 heeft de Holding aan alle staken/25% certificaathouders een bedrag van € 11.400.000,- uitgekeerd als superdividend. In ieder geval de staken die de certificaten J, A en D houden, hebben dit superdividend gebruikt om de leningen af te lossen die zijn aangegaan om de verwerving van de certificaten te financieren. Die leningen bedroegen elk € 10.750.734,- en de daarover verschuldigde rente bedroeg telkens € 649.266,-.

2.5.

In een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 19 oktober 2016, gewezen tussen [eiseres sub 1 c.s.] als eiseressen en [gedaagde sub 1] als gedaagde (hierna: het vonnis van 19 oktober 2016), heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, samengevat, met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde sub 1] gebonden is aan een in december 2014 gesloten koopovereenkomst. Uit die overeenkomst volgt dat [gedaagde sub 1] de N-certificaten onbezwaard in eigendom dient over te dragen aan [eiseres sub 1 c.s.] . Partijen hebben, zo luidt het oordeel van de voorzieningenrechter in dit vonnis, over de hoofdzaken/alle essentialia overeenstemming bereikt door de aanvaarding door [eiseres sub 1 c.s.] in een e-mailbericht van 28 december 2014 van het aanbod van [gedaagde sub 1] als vermeld in een e-mailbericht van 23 december 2014. Daarna hebben partijen nog aanvullende afspraken gemaakt, die staan vermeld in een bijlage bij een op 18 mei 2015 verzonden e-mailbericht, aldus de voorzieningenrechter in dat vonnis. [gedaagde sub 1] heeft echter geen uitvoering gegeven aan die overeenkomst en de N-certificaten niet aan [eiseres sub 1 c.s.] overgedragen. In het vonnis van 19 oktober 2016, verbeterd bij vonnis van 17 november 2016, heeft de voorzieningenrechter op de vorderingen van eiseressen onder meer beslist:

“5.1. veroordeelt gedaagde om binnen een maand na betekening van dit vonnis mee te werken aan de overdracht van de N-certificaten aan eiseressen – aan eiseres sub 1 de certificaten N1 tot en met N320.000, aan eiseres sub 2 de certificaten N321.000 tot en met N640.000, aan eiseres sub 3 de certifcaten N641.000 tot en met N960.000, aan eiseres sub 4 de certificaten N961.000 tot en met N1.280.000 en eiseres sub 5 de certificaten N1.281.000 tot en met N1.600.000 – welke certificaten alsdan vrij dienen te zijn van bijzondere lasten en beperkingen, waaronder van beslag, pandrechten en vruchtgebruik, onder meer door alle daartoe benodigde (rechts)handelingen te verrichten, zulks tegen betaling van een bedrag van € 122.500.000,- door eiseressen aan gedaagde, een en ander onder de voorwaarde dat eiseressen de N-certificaten daarna niet zullen vervreemden of bezwaren totdat dit vonnis onherroepelijk is geworden of in hoger beroep onherroepelijk is beslist;

5.2.

bepaalt dat, indien en voor zover gedaagde in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring(en) van gedaagde die benodigd is/zijn voor vorenbedoelde eigendomsoverdracht;

(…)

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(…)”

2.6.

[eiseres sub 1 c.s.] hebben het vonnis van 19 oktober 2016 op 20 oktober 2016 laten betekenen aan [gedaagde sub 1] , maar [gedaagde sub 1] heeft aan de veroordeling als vermeld onder 5.1 van dat vonnis geen gehoor gegeven. [gedaagde sub 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 oktober 2016, maar dat schorst de werking van dat vonnis niet.

2.7.

[eiseres sub 1 c.s.] zijn daarna opnieuw een kort geding gestart tegen [gedaagde sub 1] , stellende dat zij met de bepaling als in het vonnis onder 5.2 vermeld niet de overeengekomen overdracht van alle N-certificaten kunnen bewerkstelligen, omdat in het vonnis wordt gerefereerd aan onjuiste nummers en hierin een aantal N-certificaten ontbreken. In de opsomming bij de toewijzing van de N-certificaten aan de verschillende vennootschappen is volgens [eiseres sub 1 c.s.] op enig moment een fout gemaakt, die daarna in verschillende documenten is overgenomen. Dat was volgens hen onmiskenbaar een verschrijving, nu partijen de verkoop van álle N-certificaten zijn overeengekomen, te weten 1.600.000 stuks. De voorzieningenrechter heeft in die procedure voormelde stellingen van [eiseres sub 1 c.s.] gevolgd, onder verwerping van het door [gedaagde sub 1] daartegen gevoerde verweer en in een vonnis van 6 december 2016 (hierna: het vonnis van 6 december 2016) onder meer beslist:

“5.1 bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de partijverklaring(en) van gedaagde die benodigd zijn voor eigendomsoverdracht aan de respectieve kopers van de bij de koopovereenkomst gekochte certificaten die geen onderdeel uitmaken van het dictum van het vonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2016, te weten:

  1. de certificaten N320.001 tot en met N320.999 aan eiseres sub 2;

  2. de certificaten N640.001 tot en met N640.999 aan eiseres sub 3;

  3. de certificaten N960.001 tot en met N960.999 aan eiseres sub 4;

  4. de certificaten N1.280.001 tot en met N1.280.999 aan eiseres sub 5;

welke certificaten alsdan vrij dienen te zijn van bijzondere lasten en beperkingen, waaronder van beslag, pandrechten en vruchtgebruik, een en ander onder de voorwaarde dat eiseressen ook deze N-certificaten daarna niet zullen vervreemden of bezwaren totdat het vonnis van 19 oktober 2016 onherroepelijk is geworden of in hoger beroep tegen dat vonnis onherroepelijk is beslist;

(…)

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(…)”

De hiervoor vermelde vonnissen van 19 oktober 2016, verbeterd bij vonnis van 17 november 2016, en van 6 december 2016 worden hierna gezamenlijk aangeduid als “de vonnissen”.

2.8.

[eiseres sub 1 c.s.] hebben het vonnis van 6 december 2016 op 7 december 2016 aan [gedaagde sub 1] laten betekenen. Zij hebben daarna de notaris gevraagd om de akte van levering van de N-certificaten voor te bereiden en te passeren. De notaris heeft aan [gedaagde sub 1] gevraagd of zij wil meewerken aan het passeren van de akte van levering, daarbij kenbaar gemaakt dat zij als partijnotaris optreedt, [gedaagde sub 1] gevraagd of zij daar bezwaar tegen heeft en zo ja, om dan een andere notaris aan te wijzen en [gedaagde sub 1] gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over het pandrecht. [gedaagde sub 1] heeft die vragen deels door haar advocaat laten beantwoorden, aldus dat zij niet zal meewerken aan de levering van de N-certificaten en dat zij bezwaar heeft tegen het optreden van de notaris als passerend notaris. Daarbij heeft [gedaagde sub 1] de notaris voor alsdan aansprakelijk gesteld voor alle gevolgen van het passeren van de leveringsakte en bezwaar gemaakt tegen het feit dat de verzekering van de notaris een dekking heeft tot € 25.000.000,-. De overige vragen zijn door [gedaagde sub 1] niet beantwoord en [gedaagde sub 1] heeft desgevraagd door de notaris ook geen schriftelijke verklaring van [gedaagde sub 2] aangeleverd om het pandrecht door te kunnen halen.

2.9.

Een door de notaris aan [gedaagde sub 2] verzonden brief met daarin een verzoek aan [gedaagde sub 2] om duidelijkheid te geven over het pandrecht is door [gedaagde sub 2] niet in ontvangst genomen.

2.10.

De notaris heeft daarna aan [eiseres sub 1 c.s.] aangegeven dat zij niet aan haar ministerieplicht kan voldoen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1 c.s.] vorderen, zakelijk weergegeven:

Primair:

  1. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de door [eiseres sub 1 c.s.] als productie 5 overgelegde “eerste concept-akte” die strekt tot levering van de N-certificaten conform hetgeen omschreven is in die akte;

  2. [gedaagde sub 1] te veroordelen om in aanvulling op de eerdere veroordelingen in de vonnissen binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis volledig inzicht te verschaffen aan [eiseres sub 1 c.s.] en de notaris ten aanzien van alle rechten van pand, vruchtgebruik, beslag of enige andere beperking of bezwaring die op alle 1.600.000 N-certificaten rusten, en [eiseres sub 1 c.s.] en de notaris van schriftelijk bewijs van het voorgaande te voorzien, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag of gedeelte daarvan;

  3. [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis alle informatie aan [gedaagde sub 1] , de notaris en [eiseres sub 1 c.s.] te verschaffen die zij redelijkerwijs nodig hebben om onbezwaarde overdracht van alle 1.600.000 N-certificaten te bewerkstelligen, en daartoe in ieder geval een schriftelijke verklaring af te geven waaruit ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk volgt of zij (beperkt) gerechtigde is op (een deel van) voornoemde certificaten en zo ja, welke rechten zij in verband met voornoemde certificaten heeft en ten behoeve van welke vordering(en), een en ander om het ertoe te brengen dat [gedaagde sub 1] met de verstrekte informatie in staat moet worden geacht de vordering(en) ten behoeve waarvan voornoemde eventuele rechten zijn gevestigd, te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag of gedeelte daarvan;

Subsidiair:

  1. [gedaagde sub 1] te veroordelen om in aanvulling op de eerdere veroordelingen in de vonnissen binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis het ertoe te brengen dat aan [eiseres sub 1 c.s.] worden overgedragen de onbezwaarde 1.600.000 N-certificaten, derhalve vrij van rechten van pand, vruchtgebruik, beslag of enige andere beperking of bezwaring, onder meer door alle daartoe benodigde (rechts)handelingen te verrichten, waaronder het volledig verschaffen van inzicht aan [eiseres sub 1 c.s.] en de notaris ten aanzien van alle rechten van pand, vruchtgebruik, beslag of enige andere beperking of bezwaring die op alle 1.600.000 N-certificaten rusten, en waaronder het voldoen van alle schulden en vorderingen en verrichten van alle (rechts)handelingen die het ertoe brengen dat voornoemde certificaten vrij zijn van rechten van pand, vruchtgebruik, beslag of enige andere beperking en [eiseres sub 1 c.s.] en de notaris van schriftelijk bewijs van het voorgaande te voorzien, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag of gedeelte daarvan;

  2. [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis alle informatie aan [gedaagde sub 1] , de notaris en [eiseres sub 1 c.s.] te verschaffen die zij redelijkerwijs nodig hebben om onbezwaarde overdracht van alle N-certificaten te bewerkstelligen en daartoe in ieder geval een schriftelijke verklaring af te geven, waaruit ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk volgt of zij (beperkt) gerechtigde is op (een deel van) voornoemde certificaten en zo ja, welke rechten zij in verband met die certificaten heeft en ten behoeve van welke vordering(en), het beloop van de vordering(en) en de overige voorwaarden van de vordering(en), en voorts waaronder in ieder geval het geven van schriftelijke toestemming aan [gedaagde sub 1] voor het vervreemden van alle 1.600.000 N-certificaten als bedoeld in artikel 3 sub h van de akte van verpanding van 14 december 2002 en [eiseres sub 1 c.s.] en de notaris van schriftelijk bewijs van het voorgaande te voorzien, een en ander om het ertoe te brengen dat [gedaagde sub 1] in staat moet worden geacht de vordering(en) ten behoeve waarvan voornoemde eventuele rechten zijn gevestigd, te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag of gedeelte daarvan;

  3. de notaris te gelasten ministerie te verlenen tot het passeren van een akte van levering van alle onbezwaarde N-certificaten op de wijze en onder de voorwaarden als verwoord in de door de notaris opgestelde en door [eiseres sub 1 c.s.] als productie 6 overgelegde “tweede concept-akte”, zulks binnen twee kalenderdagen na betekening van dit vonnis;

meer subsidiair:

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen overeenkomstig de subsidiaire vorderingen, waarbij in plaats van de notaris dient te worden gelezen de aan te wijzen notaris en waarbij in plaats van de vordering ten aanzien van de notaris wordt gevorderd dat de voorzieningenrechter een notaris zal aanwijzen om ministerie te verlenen tot het passeren van een akte van levering van alle onbezwaarde N-certificaten op de wijze en onder de voorwaarden als verwoord in de door [eiseres sub 1 c.s.] als productie 6 overgelegde “tweede concept-akte”, zulks binnen veertien kalenderdagen na betekening van dit vonnis;

een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten, de buitengerechtelijke kosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van vijf dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

Daartoe voeren [eiseres sub 1 c.s.] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten weten of de in de pandakte bedoelde vordering nog bestaat en dus of de N-certificaten thans nog verpand zijn. Zij zijn gehouden hierover duidelijkheid te verschaffen aan [eiseres sub 1 c.s.] . Zij weigeren dit niet alleen beiden, maar nemen bovendien continu tegenstrijdige en ongeloofwaardige stellingen in over het al dan niet bestaan van een eventueel pandrecht op de N-certificaten. Op grond van de wet en van de vonnissen hebben eiseressen recht op informatie hieromtrent van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] . Tevens zijn zij allebei gehouden om mee te werken aan de onbezwaarde overdracht van de N-certificaten; [gedaagde sub 1] op grond van de vonnissen en [gedaagde sub 2] omdat zij geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar weigering. Haar belang reikt niet verder dan de verzekering tot verhaal van haar vordering op [gedaagde sub 1] . Als zij de benodigde informatie verstrekt, wordt haar vordering – als die al bestaat – voldaan. Onder die omstandigheden is haar weigering om mee te werken aan de overdracht onrechtmatig jegens [eiseres sub 1 c.s.] Verder is de notaris gehouden om de leveringsakte te passeren. Er is geen sprake van gegronde redenen voor weigering.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. De notaris heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

4 De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

4.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben betwist dat [eiseres sub 1 c.s.] een spoedeisend belang hebben bij het gevorderde, maar aan die betwisting wordt voorbij gegaan. Ondanks voormelde veroordelingen in de vonnissen – waartoe de voorzieningenrechter is overgegaan, omdat hij daarbij een spoedeisend belang aanwezig heeft geacht – heeft de overdracht van de N-certificaten nog steeds niet plaatsgevonden vanwege het huidige geschil tussen partijen. Het spoedeisend belang van [eiseres sub 1 c.s.] is hiermee gegeven.

Duidelijkheid verschaffen over het pandrecht

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiseres sub 1 c.s.] kunnen worden gevolgd in hun stelling dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [A] zowel in het verleden als binnen het bestek van deze procedure tegenstrijdige, en deels ongeloofwaardige, verklaringen hebben afgelegd over het pandrecht. Hiertoe is het volgende redengevend. Tijdens een getuigenverhoor, gehouden op 3 juni 2016, heeft [A] verklaard, samengevat, dat hij in 2002 niet meer wist van het pandrecht, dat hij dat pas weer wist toen iemand (mr. [X] ) hem dat berichtte, dat hij niet meer weet om welk bedrag het gaat en dat hij niet weet of de kinderen dat bedrag inmiddels hebben betaald. Bij een nieuw getuigenverhoor, gehouden op 16 augustus 2016, heeft [A] gesteld terug te willen komen op voormelde verklaring en verklaard, samengevat, dat hij sinds 2002 weet van het pandrecht, dat hij daarover regelmatig met zijn accountant spreekt, te weten het afgelopen jaar meerdere keren en twee weken daarvoor voor het laatst, maar eigenlijk al enkele jaren elke maand. Voorts heeft hij verklaard nog steeds niet te weten of het pandrecht nog op de certificaten rust, dit de laatste keer niet met de accountant te hebben besproken, maar toen wel over het pandrecht te hebben gesproken. Tijdens de eerste mondelinge behandeling in dit geding hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesteld dat de lening van € 10.750.734,00 nog bestaat en afgelost moet worden voordat het pandrecht teniet kan gaan. Tijdens die mondelinge behandeling hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voorgesteld om (onder protest en onverplicht) mee te werken, waarbij de medewerking van [gedaagde sub 2] inhoudt dat zij toestemming zal verlenen voor de vervreemding van de N-certificaten. Daaraan hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een aantal voorwaarden verbonden, waaronder betaling van een deel van de koopsom ter hoogte van € 30.750.734,- aan [gedaagde sub 2] als pandhouder (zijnde voormeld bedrag van de lening, vermeerderd met een bedrag van € 20.000.000,-, gelet op een volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door [gedaagde sub 1] afgegeven garantie, waarover onder 4.12 meer zal worden overwogen). Tijdens de tweede mondelinge behandeling in dit geding van 15 februari 2017 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een andere verklaring afgelegd, te weten dat (de huidige bestuurder van) [gedaagde sub 1] geen kennis heeft van de aflossing van de lening en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet in staat zijn hierover nadere informatie te geven. De voorzieningenrechter neemt het vorenstaande in aanmerking bij de beoordeling van de vorderingen als na te melden.

4.3.

Voor zover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gesteld dat [eiseres sub 1 c.s.] geen belang meer hebben bij het alsnog verkrijgen van de door hen gewenste informatie over het pandrecht en bij toewijzing van de daaraan ten grondslag liggende vorderingen, nu [gedaagde sub 2] zich op de tweede zitting bereid heeft verklaard afstand te doen van het pandrecht, wordt daaraan voorbij gegaan. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben immers niet onvoorwaardelijk afstand gedaan van het pandrecht, maar zij hebben daaraan diverse voorwaarden verbonden, met welke voorwaarden [eiseres sub 1 c.s.] niet hebben ingestemd.

4.4.

Het belang van [eiseres sub 1 c.s.] bij het verkrijgen van deze informatie is evident. Zij zijn immers een onbezwaarde levering aan hen van de N-certificaten overeengekomen en hebben er belang bij om aanspraken van derden te voorkomen. [eiseres sub 1 c.s.] hebben ook recht op die informatie en zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] zijn gehouden om die te geven. [gedaagde sub 1] is immers in de vonnissen veroordeeld om mee te werken aan, kort gezegd, de onbezwaarde overdracht van de N-certificaten aan [eiseres sub 1 c.s.] , onder meer door alle daartoe benodigde rechtshandelingen te verrichten. Hieronder moet onder meer worden begrepen dat [gedaagde sub 1] van [gedaagde sub 2] dient te verlangen dat zij de hiervoor bedoelde informatie verstrekt. [gedaagde sub 2] is op grond van artikel 3:241 van het Burgerlijk Wetboek gehouden om aan een dergelijk verzoek te voldoen. De omstandigheid dat [gedaagde sub 1] heeft nagelaten een dergelijk verzoek aan [gedaagde sub 2] te doen maakt het vorenstaande niet anders, nu voor die situatie in het vonnis van 9 oktober 2016 de voorziening is getroffen als vermeld in 5.2 van het dictum (kort gezegd inhoudende dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaringen van [gedaagde sub 1] ). Daarmee zijn [eiseres sub 1 c.s.] bevoegd om namens [gedaagde sub 1] van [gedaagde sub 2] te verlangen dat [gedaagde sub 2] deze informatie aan hen verschaft. Overigens is enig rechtens te respecteren belang van [gedaagde sub 2] bij het verzwijgen van deze informatie door haar niet gesteld en ook niet gebleken.

4.5.

Het vorenstaande betekent echter nog niet dat de door [eiseres sub 1] ingestelde primaire en subsidiaire vorderingen (onder b en c respectievelijk onder a en b) betreffende het verschaffen van volledig inzicht en informatie over het pandrecht, toewijsbaar zijn. Deze zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onnodig ruim geformuleerd. Dat kan leiden tot executie- en/of andere problemen, mede gelet op hetgeen hiervoor voorop is gesteld onder 4.2. Dergelijke problemen dienen in het belang van alle partijen te worden voorkomen. Naar voorshands oordeel strekt het belang van [eiseres sub 1 c.s.] – gelet op hetgeen zij in dit geding aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd alsmede op hetgeen reeds in de vonnissen is beslist – niet verder dan het verkrijgen van óf een – ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke – verklaring van [gedaagde sub 2] dat haar pandrecht is vervallen dan wel dat zij daarvan afstand doet, voor zover dat recht nog zou bestaan, óf een – ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke – verklaring van [gedaagde sub 2] hoe hoog de thans nog openstaande vordering is, waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt (zijnde maximaal het bedrag van de in de pandakte vermelde vordering vermeerderd met rente). Voor de aanname dat de N-certificaten nog op enige andere wijze bezwaard zouden zijn, biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt. Bovendien garandeert [gedaagde sub 1] in de leveringsakte dat de N-certificaten vrij zijn van beslag en dat daarop geen pandrecht rust of recht van vruchtgebruik is gevestigd.

4.6.

Daarnaast acht de voorzieningenrechter het verbinden van een dwangsom aan het geven van een van deze verklaringen overbodig. [eiseres sub 1 c.s.] willen aan het niet voldoen hieraan immers ook gevolgen verbinden voor wat betreft de betaling door hen van de koopsom voor de N-certificaten. De voorzieningenrechter gaat daar ook toe over, zo volgt uit het hierna vermelde. Dat moet afdoende worden geacht.

Verlenen van medewerking aan de onbezwaarde levering van de N-certificaten

4.7.

Vooropgesteld wordt dat reeds vaststaat dat [gedaagde sub 1] gehouden is haar medewerking te verlenen aan de onbezwaarde levering van de N-certificaten en dat bij gebreke daarvan de vonnissen in de plaats treden van de daarvoor benodigde wilsverklaringen van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] moet ook in staat worden geacht om onbezwaard te leveren. Immers, voor zover er nog een pandrecht op de N-certificaten zou rusten, komt dat te vervallen indien de in de pandakte genoemde vordering wordt afgelost. [gedaagde sub 1] moet zonder meer in staat worden geacht die vordering af te lossen, gelet op de koopsom die zij voor de N-certificaten zal ontvangen.

4.8.

[gedaagde sub 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat de toezegging door [gedaagde sub 1] ter zake van de onbezwaarde levering van de N-certificaten niet aan haar kan worden tegengeworpen. Ook als [gedaagde sub 2] daarin zou worden gevolgd, kan dat haar niet baten. Het belang van [gedaagde sub 2] strekt immers in ieder geval niet verder dan de verzekering tot verhaal van haar vordering op [gedaagde sub 1] , zo hebben [eiseres sub 1 c.s.] terecht gesteld, hetgeen door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook niet gemotiveerd is betwist. Indien die vordering wordt voldaan – mocht die nog bestaan – dan komt het belang van [gedaagde sub 2] geheel te vervallen. De vraag of voormeld standpunt juist is – hetgeen [eiseres sub 1 c.s.] gemotiveerd hebben betwist, gezien de wetenschap die [gedaagde sub 2] volgens hen moet hebben gehad van de door [gedaagde sub 1] gesloten koopovereenkomst ten aanzien van de N-certificaten vanwege de nauwe verbondenheid tussen beide vennootschappen – kan in dit geding dan ook onbesproken blijven.

4.9.

Aan het beroep van [gedaagde sub 2] op de bepaling in de pandakte dat de schuldenaar de verpande certificaten niet zonder haar toestemming mag vervreemden, wordt ook voorbij gegaan. [eiseres sub 1 c.s.] hebben er terecht op gewezen dat aan dit beding slechts verbintenisrechtelijke werking toekomt. Overigens ontbreekt ook hier, om dezelfde reden als hiervoor vermeld, bij [gedaagde sub 2] ieder belang om haar toestemming aan de overdracht te onthouden als haar vordering – mocht die nog bestaan – wordt voldaan. Het gebrek aan medewerking/toestemming van [gedaagde sub 2] aan de onbezwaarde levering van de N-certificaten, kan onder deze omstandigheden geen belemmering voor vormen voor die levering.

Betaling van de koopsom

4.10.

Voor die onbezwaarde levering en de betaling van de koopsom is van belang of de vordering, waarvoor het pandrecht is gevestigd, nog wel bestaat of dat deze door [gedaagde sub 1] al geheel is voldaan. Dat laatste komt de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen onder 2.4 staat vermeld in combinatie met de door [eiseres sub 1 c.s.] op 13 februari 2017 overgelegde informatie uit de administratie van de Holding en van [A] , zeer aannemelijk voor. Uit de administratie van de Holding blijkt immers dat het onder 2.4 genoemde superdividend van € 11.400.000,- óók aan [gedaagde sub 1] is uitgekeerd. Daarnaast hebben [eiseres sub 1 c.s.] de beschikking gekregen over een stuk uit de administratie van [A] (die destijds werd beheerd door de Holding), waarin dat bedrag staat vermeld met de toelichting “aflossing schuld [… 1] ”. Dit bedrag is daarna nader gespecificeerd in een bedrag van € 10.750.734,- met als toelichting “Lening [… 1] ” en een bedrag van € 649.266,- met als toelichting “ [… 2] ”. Deze bedragen stemmen exact overeen met de bedragen van de lening en de rente van de andere staken als vermeld onder 2.4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op deze gemotiveerde stellingname van [eiseres sub 1 c.s.] vóór de zitting in het geheel niet gereageerd richting [eiseres sub 1 c.s.] en tijdens de zitting hebben zij hierop niet anders gereageerd dan met de stelling dat zij niet weten hoe het zit. Indien de vordering inderdaad geruime tijd geleden al is afgelost, kan van [gedaagde sub 2] zonder meer worden gevergd dat zij na het wijzen van dit vonnis – ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk – aan de notaris en aan [eiseres sub 1 c.s.] verklaart dat haar pandrecht is vervallen dan wel dat zij afstand doet daarvan, voor zover dat recht nog zou bestaan. In dat geval kan de volledige koopsom aan [gedaagde sub 1] worden uitgekeerd.

4.11.

Indien [gedaagde sub 2] echter desondanks meent dat dit niet het geval is, dan ligt het op haar weg om – ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk – te verklaren hoe hoog de thans nog openstaande vordering is, waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt (zijnde maximaal het bedrag van de in de pandakte vermelde vordering vermeerderd met rente). In dat geval kan van de koopsom dat bedrag aan [gedaagde sub 2] worden betaald en het overige gedeelte aan [gedaagde sub 1] . Dit kan van zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] worden gevergd. [gedaagde sub 1] is immers met [eiseres sub 1 c.s.] overeengekomen de N-certificaten onbezwaard te zullen leveren en [gedaagde sub 2] krijgt in deze situatie haar vordering betaald.

4.12.

Mocht [gedaagde sub 1] het niet eens zijn met de mededeling van [gedaagde sub 2] , dan geldt dat het op de weg van [gedaagde sub 1] ligt om hierover een rechterlijke uitspraak te verkrijgen en [eiseres sub 1 c.s.] op die wijze van de juiste informatie te voorzien. In dat geval zijn [eiseres sub 1 c.s.] gerechtigd een bedrag van € 20.000.000,- van de koopsom onder zich te houden totdat die duidelijkheid is verschaft, waarbij zij het overige gedeelte van de koopsom aan [gedaagde sub 1] dienen te betalen. De voorzieningenrechter heeft dit bedrag in redelijkheid bepaald, gelet op de hoogte van de in de pandakte vermelde vordering, de daarover reeds verschuldigde rente en de daarover mogelijk in de toekomst nog verschuldigde rente over een thans nog onbekende periode. Een dergelijke omstandigheid kan immers in redelijkheid niet voor rekening en risico van [eiseres sub 1 c.s.] komen, maar dient voor rekening van [gedaagde sub 1] te blijven, nu zij heeft toegezegd de N-certificaten onbezwaard te zullen leveren. Het komt de voorzieningenrechter overigens onwaarschijnlijk voor dat deze situatie zich zal voordoen, gelet op de nauwe betrekkingen tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de omstandigheid dat zij in dit geding tezamen optreden, bijgestaan door één advocaat, die ook namens hen gezamenlijk voorstellen heeft gedaan. De voorziening ten aanzien van het recht van [eiseres sub 1 c.s.] om voormeld gedeelte van de koopsom onder zich te houden, zal ook hebben te gelden indien [gedaagde sub 2] in het geheel geen verklaring aflegt.

Vervreemdings- en bezwaringsverbod

4.13.

In het vonnis van 9 oktober 2016 is de voorwaarde opgenomen dat [eiseres sub 1 c.s.] de N-certificaten niet zullen vervreemden of bezwaren totdat dat vonnis onherroepelijk is geworden of in hoger beroep onherroepelijk is beslist. Deze voorwaarde is ook opgenomen in de door de notaris opgestelde tweede concept-akte, waarin sprake is van levering van de N-certificaten onder het “vervreemdings- en bezwaringsverbod”. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om deze voorwaarde uit te breiden in die zin dat dit verbod geldt totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wensen. Gelet op de duur die daarmee gemoeid kan zijn en de belangen over en weer afwegende, kan dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van [eiseres sub 1 c.s.] worden gevergd.

Schuldverklaring/garantiestelling

4.14.

Ten slotte heeft het volgende te gelden ten aanzien van de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in deze procedure overgelegde handgeschreven en ongedateerde “Schuldverklaring”, waarin als “geldverstrekker” wordt genoemd [gedaagde sub 2] , als “ontvanger crediet” [X Holding] en als “garantie verstrekker” [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] garandeert volgens dit stuk de terugbetaling van een lening in rekening-courant van € 20.000.000,-. In dit stuk staat onder meer vermeld: “Ter meerdere zekerheid zal de al reeds bestaande verpanding v/d Certificaten N opgesteld in 2002, tevens deze overeenkomst (schuldverklaring) af dekken (zie bijlage H). [gedaagde sub 1] garandeerd uitsluitend het opgenomen bedrag van OFH aan de geldverstrekker [gedaagde sub 2] vermindert met de aflossing.” Aan dit stuk is een overeenkomst van geldlening gehecht, waarin als schuldeiser niet [gedaagde sub 2] staat vermeld, maar [y] B.V., gevestigd te [Land] . Als schuldenaar is ook in dit stuk [X Holding] ., gevestigd te [Land] , vermeld. De conclusie die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan dit stuk hebben verbonden, te weten dat de verplichtingen op grond van deze verklaring eerst moeten worden voldaan, voordat sprake kan zijn van een onbezwaarde overdracht, kan niet worden gevolgd. De voorzieningenrechter heeft daarbij acht geslagen op de stellingen van [eiseres sub 1 c.s.] dat a) anders dan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen niet [gedaagde sub 2] maar een andere vennootschap volgens het handgeschreven stuk de geldverstrekker en beweerdelijk pandhouder is, b) in de aangehechte overeenkomst weer een andere vennootschap als schuldeiser wordt genoemd, c) die laatste vennootschap is vereffend en dus niet meer bestaat en d) in dit kader in ieder geval (nog) geen pandrecht is gevestigd op de certificaten. De vermelding in het stuk als hiervoor geciteerd is daartoe onvoldoende. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben deze stellingen niet weersproken en ook geen nadere toelichting meer gegeven op deze verklaring en de gevolgen daarvan voor het onderhavige geschil. [eiseres sub 1 c.s.] hebben aan deze verklaring, die volgens hen moeilijk serieus is te nemen, ook geen concrete gevolgen verbonden. Gelet op dit alles, behoeft deze verklaring dan ook geen nadere bespreking in dit vonnis.

Conclusie

4.15.

De voorzieningenrechter zal bepalen dat [gedaagde sub 2] binnen een week (zijnde een redelijker termijn dan de gevorderde termijn) na betekening van dit vonnis aan de notaris en [eiseres sub 1 c.s.] duidelijkheid dient te verschaffen in de vorm van het afleggen richting hen van een van de onder 4.5 genoemde verklaringen (zoals ook onder 4.10 en 4.11 vermeld). Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter niet dit vonnis in de plaats kan laten treden van een leveringsakte, zoals [eiseres sub 1 c.s.] primair hebben gevorderd, maar de notaris dient te gelasten haar ministerie te verlenen aan het verlijden van een leveringsakte, overeenkomstig de tweede concept-akte, zoals subsidiair gevorderd (binnen na te melden redelijker termijn dan gevorderd). Daarbij dient dan echter in plaats van de in die akte opgenomen regeling voor de betaling van de koopsom de hiervoor vermelde voorziening te worden gehanteerd. Nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in deze procedure niet te kennen hebben gegeven bezwaren te hebben tegen de persoon van de notaris en de notaris zich bereid heeft verklaard haar medewerking te verlenen en heeft verklaard zich te refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een andere notaris aan te wijzen.

Kostenveroordeling

4.16.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen, als in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit geding als na te melden. Ondanks dat na te melden voorziening ten aanzien van de notaris wordt getroffen, zal zij niet (mede) in de kosten van [eiseres sub 1 c.s.] worden veroordeeld, hetgeen [eiseres sub 1 c.s.] ook niet hebben gevorderd. De omstandigheid dat de notaris thans wordt gelast om haar ministerie te verlenen, maakt nog niet dat zij ten onrechte haar ministerie heeft geweigerd en bovendien komt zij in deze niet voor haar eigen belang op. Voor veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De vordering van [eiseres sub 1 c.s.] om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen om de buitengerechtelijke kosten te betalen zal worden afgewezen, nu deze vordering niet voldoende is geconcretiseerd en niet nader is toegelicht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om binnen een week na betekening van dit vonnis aan de notaris en aan [eiseres sub 1 c.s.] duidelijkheid te verschaffen over het pandrecht, in die zin dat zij:

1) – ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk – verklaart dat haar pandrecht is vervallen dan wel dat zij afstand doet daarvan, voor zover dat recht nog zou bestaan, óf

(2) – ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk – verklaart hoe hoog de thans nog openstaande vordering is, waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt, zijnde maximaal het bedrag van de in de pandakte vermelde vordering vermeerderd met rente;

5.2.

bepaalt dat:

  1. in het geval [gedaagde sub 2] de hiervoor onder 1) vermelde verklaring aflegt de volledige door [eiseres sub 1 c.s.] te betalen koopsom voor de N-certificaten aan [gedaagde sub 1] dient te worden uitgekeerd;

  2. in het geval [gedaagde sub 2] de hiervoor onder 2) vermelde verklaring aflegt, van die koopsom het bedrag van de nog openstaande vordering aan [gedaagde sub 2] dient te worden uitgekeerd en het overige gedeelte aan [gedaagde sub 1] ;

  3. in het geval [gedaagde sub 1] de door [gedaagde sub 2] afgelegde verklaring betwist of er in het geheel geen verklaring wordt afgelegd [eiseres sub 1 c.s.] gerechtigd zijn een bedrag van € 20.000.000,- van de koopsom onder zich te houden totdat die duidelijkheid is verschaft, waarbij zij het overige gedeelte van de koopsom aan [gedaagde sub 1] dienen te betalen;

5.3.

gelast de notaris om binnen drie weken na betekening van dit vonnis haar ministerie te verlenen ten aanzien van het passeren van een akte van levering van de 1.600.000 certificaten van aandelen met de aanduiding N, uitgegeven door de STAK, op de wijze en onder de voorwaarden als verwoord in de door haar opgestelde tweede concept-akte, met dien verstande dat het daarin opgenomen artikel 6 ten aanzien van de uitbetaling van de koopsom dient te worden gewijzigd in een van de onder 5.2 vermelde betalingswijzen, al naar gelang welke van de daar beschreven situaties zich heeft voorgedaan;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de kosten van dit geding aan [eiseres sub 1 c.s.] te betalen, tot dusverre aan de zijde van [eiseres sub 1 c.s.] begroot op € 1.524,39, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 619,-- aan griffierecht en € 89,39 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.5.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.

ts