Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
C/09/524716 / HA ZA 17-37
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Briefadres in BRP geldt als woonplaatskeuze in de zin van art. 1:15 BW. Ten onrechte openbaar betekend. Dagvaarding nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/524716 / HA ZA 17-37

Vonnis van 29 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. C.H. Schreuder te Amersfoort,

tegen

[gedaagde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats, maar met een bekend briefadres te [plaats] ,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 15 februari 2017 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte uitlaten zijdens [eiser] , met producties.

2 De beoordeling

2.1.

Bij rolbeslissing van 15 februari 2017 heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over, onder andere, de woonplaats van [gedaagde] . [eiser] heeft daarop gesteld dat uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (thans Basisregistratie Persoonsgegevens (hierna: BRP)) volgt dat van [gedaagde] geen woonadres bekend is; in de BRP staat slechts een briefadres vermeld. Daarom kon de dagvaarding slechts openbaar betekend worden op de wijze voorgeschreven in artikel 54 lid 2 Rv, aldus [eiser] .

2.2.

Nu van [gedaagde] wel een geregistreerd briefadres bekend was, is bij de rechtbank de vraag gerezen of het exploot van dagvaarding niet op dat adres had kunnen, en wellicht had moeten worden betekend. De in de zesde afdeling Rv voorgeschreven wijzen van betekening hebben immers tot doel zoveel mogelijk zeker te stellen dat het te betekenen exploot de beoogde ontvanger daadwerkelijk ter kennis komt. De openbare betekening, zoals in dit geval aan de orde, geldt daarbij als laatste redmiddel, omdat de kans dat het exploot de beoogde ontvanger via die wijze van betekening ter kennis komt, zeer klein is.

2.3.

Ingevolge artikel 46 en artikel 47 Rv dient betekening – kort gezegd – indien mogelijk plaats te vinden in persoon of aan de woonplaats van de beoogde ontvanger. Voor het begrip woonplaats wordt aansluiting gezocht bij artikel 1:10 BW, dat – wederom kort gezegd – bepaalt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt daar waar diegene werkelijk woont of verblijft. Artikel 1:15 BW bepaalt daarnaast dat een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke woonplaats kan kiezen wanneer de wet hem daartoe verplicht of wanneer die keuze bij overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt, terwijl daarvoor een redelijk belang bestaat.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat het briefadres van [gedaagde] als een gekozen woonplaats in de zin van artikel 1:15 BW moet worden beschouwd. Voor dat oordeel is het volgende redengevend. Blijkens het door [eiser] overgelegde uittreksel uit de BRP heeft [gedaagde] zijn briefadres op 20 januari 2016 ingeschreven. Op die datum was de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet BRP) reeds in werking getreden. Volgens die wet is het briefadres het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken. Dit laatste wordt gewaarborgd door de bepaling dat alleen natuurlijke personen die zich daartoe bereid hebben verklaard en door het college van burgemeesters en wethouders (hierna: het college) aangewezen instellingen als briefadresgever kunnen optreden (2.42 Wet BRP). Ingevolge artikel 2.39 lid 3 Wet BRP dienen ingezetenen zonder woonadres een briefadres te kiezen. Ingevolge artikel 2.38 Wet BRP geldt hetzelfde voor niet-ingezetenen zonder woonadres die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zullen houden. In die zin legt de Wet BRP de betrokkene een verplichting tot het kiezen van een briefadres op, in feite vergelijkbaar met de verplichte woonplaatskeuze in artikel 1:15 BW. Daarnaast kan, uit privacy overwegingen, een briefadres worden gekozen indien de betrokkene verblijft in één van de in artikel 2.40 lid 3 en 4 Wet BRP genoemde instellingen of indien het opnemen van een woonadres naar het oordeel van burgemeester om veiligheidsredenen niet wenselijk is (artikel 2.41 Wet BRP). In die gevallen kunnen de op het briefadres ontvangen stukken, naar de rechtbank aanneemt, eenvoudig worden doorgezonden naar het bij de gemeente bekende, werkelijke adres van de betrokkene. Ook die mogelijkheden strekken er daarom expliciet toe de betrokkene bereikbaar te maken zonder aan zijn overige belangen afbreuk te doen. Logisch gevolg van het voorgaande is dat een betrokkene die gebruik maakt van deze mogelijkheid tot briefadreskeuze, ook mag verwachten dat hij daadwerkelijk op dat adres wordt aangeschreven door de instanties die met dat doel toegang hebben tot de BRP, waaronder de deurwaarder. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat een redelijke en op de praktijk toegespitste wetsuitleg met zich brengt dat het kiezen van een briefadres beschouwd moet worden als een woonplaatskeuze in de zin van artikel 1:15 BW, ook in die gevallen dat de Wet BRP de betrokkene daartoe niet expliciet verplicht. Dit leidt ertoe dat betekening van exploten plaats kan, en dus ook moet, vinden op een van de wijzen voorgeschreven in de artikelen 46 en 47 Rv. Openbare betekening is, nu sprake is van een bekende (gekozen) woonplaats, dan niet mogelijk, hetgeen in overeenstemming is met hiervoor 2.2 onder omschreven doel van de betekeningsvoorschriften. De kans dat de beoogde ontvanger via zijn briefadres kennis neemt van het betekende exploot moet immers vele malen groter worden geacht dan bij openbare betekening. Daarbij kan nog worden overwogen dat deze wetsuitleg ook in het belang van de dagvaardende partij kan worden geacht, nu deze daardoor in principe kan volstaan met dagvaarding tegen de gewone termijn van een week (artikel 115 lid 3 Rv).

2.5.

De slotsom luidt dan ook dat [eiser] het exploot van dagvaarding ten onrechte openbaar heeft betekend. Daarmee is sprake van een gebrek dat met nietigheid is bedreigd. Nu het aannemelijk is dat het exploot van dagvaarding [gedaagde] als gevolg van dat gebrek niet heeft bereikt, zal de rechtbank op grond van artikel 121 lid 3 Rv de nietigheid van de dagvaarding uitspreken.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart de dagvaarding van 13 juni 2016 nietig.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.1

1 type: coll: