Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29329
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Oekraïne

- asiel

- homoseksuele gerichtheid geloofwaardig

- vrees onvoldoende zwaarwegend

- beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/29329

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft de voorzieningenrechter gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 16/29367.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek, plaatsgevonden op 5 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N.M. Faes-Matsko, tolk in de Oekraïense taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Oekraïense nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum].

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij bij terugkeer naar Oekraïne in verband daarmee vreest dat zijn familie en vrienden zich van hem af zullen keren en dat het moeilijk zal zijn om werk te vinden. Eiser heeft verder verklaard dat hij via het internet contact heeft gekregen met ene ‘[naam]’ met wie hij vervolgens heeft afgesproken in een park. Op het tijdstip van de afspraak bleek [naam] in het gezelschap van andere personen te zijn en werd eiser door hen belaagd. Omdat het druk was in het park, kon hij aan zijn belagers ontkomen. Na dit incident werden dreigementen op eisers internetaccount geplaatst.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde identiteit en nationaliteit geloofwaardig zijn, alsmede zijn verklaringen over zijn gestelde homoseksualiteit. Verweerder acht de vrees voor problemen als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid onvoldoende zwaarwegend om te concluderen dat er gegronde reden is om vervolging te vrezen in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel dat er een reëel risico bestaat op ernstige schade. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder wijst de aanvraag bovendien af als kennelijk ongegrond op grond van het bepaalde in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, f, en h, van de Vw.
4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser geloofwaardig geacht. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus, dat hij niet aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer naar Oekraïne relevante problemen zal ondervinden in verband met zijn homoseksuele gerichtheid en dat eiser bovendien bescherming kan krijgen van de Oekraïense overheid indien hij deze nodig heeft in verband met zijn homoseksuele gerichtheid.

6. Eiser heeft verklaard dat hij zijn homoseksuele gerichtheid zoveel mogelijk geheim heeft gehouden, maar dat hij bij terugkeer naar Oekraïne daaraan wel uiting wenst te geven. De rechtbank acht dit relevant omdat van eiser bij terugkeer naar Oekraïne niet méér terughoudendheid bij het uiting geven aan zijn seksuele gerichtheid kan worden verlangd dan van personen met een heteroseksuele geaardheid. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2422). Anders dan eiser in beroep heeft aangevoerd, heeft verweerder met dit aspect in zijn besluitvorming rekening gehouden. Verweerder heeft immers in het voornemen, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, gewezen op de sterk verbeterde situatie in Oekraïne voor LHBT’s en om die reden het standpunt ingenomen dat niet wordt gevolgd dat eiser terughoudend zou moeten zijn waar het gaat om zijn geaardheid.

7. Eiser heeft betoogd dat hij bij terugkeer naar Oekraïne wel degelijk te vrezen heeft voor vervolging, dan wel dat sprake is van ernstige schade. Hij verwijst daartoe naar de landeninformatie die eerder door hem is overgelegd en hij maakt kanttekeningen bij de door verweerder aangehaalde en in het bestreden besluit besproken landeninformatie. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.

8. Uit eisers relaas kan niet worden afgeleid dat hij voor zijn vertrek uit het land van herkomst ernstige problemen heeft ondervonden in verband met zijn seksuele gerichtheid. Het enige gestelde probleem betreft het treffen met ‘[naam]’ en diens gezelschap in het park. Eiser heeft zich aan deze belagers kunnen onttrekken. Uit het relaas van eiser kan niet worden afgeleid dat hij bij terugkeer naar Oekraïne nog problemen van deze personen heeft te verwachten.

9. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt, gelet op de aangehaalde landeninformatie, dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid – los van de ondervonden problemen – bij terugkomst gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft terecht gewezen op het rapport van de LHBT-organisatie ‘Onze Wereld’ (Nash Mir) van 24 oktober 2016 waarin staat dat de maatschappij als geheel zich niet zozeer actief intolerant jegens LHBT’s uit, maar dat eerder sprake is van een passieve afwijzing. Ook staat in dat rapport dat homofobie en intolerantie niet zonder meer wijdverbreid zijn en dat journalisten toleranter, onpartijdiger en meer bewust van LHBT-kwesties zijn geworden. Verder dient betekenis te worden gehecht aan het door verweerder aangehaalde interview van 22 maart 2016 met Zorjan Kis, projectcoördinator van Freedom House Ukraine, tevens LHBT-activist, waarin deze verklaart dat in Oekraïne een grote omslag heeft plaatsgevonden in het maatschappelijk debat en bewustzijn ten gunste van LHBT’s, alsmede het feit dat de autoriteiten door wetgeving de positie van LHBT’s heeft verbeterd, onder meer de op 12 november 2015 door het Oekraïense parlement aangenomen ‘labour code’ die discriminatie op de werkvloer strafbaar stelt. Dat deze wetgeving door de Europese Unie zou zijn afgedwongen, neemt niet weg dat deze wet is aangenomen. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat dat de op 12 juni 2016 in Kiev gehouden Gay Pride vreedzaam en zonder gewelddadigheden is verlopen. De tegenwerping van eiser dat dit niet betekent dat elders Oekraïne geen problemen met soortgelijke manifestaties zijn te verwachten, overtuigt niet omdat de wel doorgegane manifestatie kan worden aangemerkt als een trendbreuk ten opzichte van het verleden. Eiser heeft er wel terecht op gewezen dat zich ook in het recente verleden in Oekraïne geweldincidenten tegen homoseksuelen hebben voorgedaan. Daarmee is echter nog niet aannemelijk gemaakt dat deze incidenten zo vaak voorkomen dat alle personen met een homoseksuele gerichtheid in Oekraïne vervolging hebben te vrezen dan wel een reëel risico lopen op ernstige schade.

10. Eiser heeft tot slot betoogd dat het in Oekraïne onmogelijk is om uiting te geven aan zijn homoseksuele gerichtheid en dat terugkeer gelet daarop een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden oplevert. Gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 6 heeft overwogen, faalt deze beroepsgrond.

11. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder door eiser bij terugkeer gevreesde problemen terecht onvoldoende zwaarwegend geacht. Verweerder heeft terecht bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft terecht artikel 31 van de Vw van toepassing geacht. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of eiser tegen de door hem gevreesde problemen voldoende bescherming van de autoriteiten in Oekraïne kan krijgen.

12. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder terecht de asielaanvraag kennelijk ongegrond heeft geacht op grond van het bepaalde in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, f, en h, van de Vw. Overwogen wordt dat verweerder eiser onder meer heeft tegengeworpen dat hij onrechtmatig Nederland is binnengekomen op 20 december 2014, maar eerst op 19 januari 2016, nadat hij voor de tweede maal was opgepakt door de politie, kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. De rechtbank acht de stelling van eiser in beroep dat hij niet wist dat de mogelijkheid bestond om internationale bescherming te vragen door een asielaanvraag in te dienen, ontoereikend ter rechtvaardiging van de late aanmelding van eiser. Dat betekent dat verweerder terecht met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw de aanvraag kennelijk ongegrond heeft verklaard. De rechtbank zal daarom de tegen de toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Vw aangevoerde beroepsgronden buiten beschouwing laten.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: