Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3228

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/22607
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt zich op het standpunt dat hem ten onrechte de toegang tot de VBL is geweigerd. Immers, hij wil wel meewerken aan zijn vertrek, maar vanwege zijn psychische gesteldheid kan hij zijn handelen niet overzien. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een lijvig patiëntendossier van de GGD Amsterdam overgelegd. Uit dit dossier blijkt onder meer dat eiser op en af dakloos is, dat hij aan meerdere ernstige psychische stoornissen lijdt, dat hij ernstig zelfbeschadigend gedrag vertoont, dat hij waarschijnlijk zwak begaafd is, dat er sprake is van verslavingsproblematiek en dat een steunnetwerk ontbreekt. Zonder nadere motivering van verweerder rechtvaardigt deze medische problematiek niet de conclusie dat in dit geval geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415). Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 72
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/22607

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Smit, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 14 juli 2016 heeft verweerder geweigerd eiser opvang te bieden in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). Deze weigering wordt op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gelijkgesteld met een beschikking (het primaire besluit).

Bij besluit van 15 september 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 16 januari 2017 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde, en verweerder door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft eiser de toegang tot de VBL geweigerd, omdat er geen reden is om aan te nemen dat eiser actief zal meewerken aan zijn vertrek uit Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien.

  2. Eiser voert aan dat hij wil meewerken aan zijn vertrek maar dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid zijn eigen handelen niet kan overzien. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser in zijn geval niet voor opvang in de VBL in aanmerking komt.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen medische rapportage heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn weigering om mee te werken aan zijn vertrek. De stelling van eiser, dat hij wel wil meewerken aan zijn vertrek, maar dat dit niet lukt, omdat hij niet weet uit welk land hij afkomstig is en geen papieren heeft, brengt verweerder niet tot een ander besluit. Eiser heeft in het kader van zijn vertrekplicht geen enkele inspanning verricht om aan documenten te komen. Uit de vertrekgesprekken met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) blijkt dat eiser in het verleden op geen enkele wijze medewerking heeft verleend en wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn herkomst. Gelet daarop is de opvang in de VBL terecht geweigerd.

2.2

Onbestreden is dat eiser meerderjarig is en niet rechtmatig in Nederland verblijft.

2.3

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3415) het volgende overwogen. Gelet op de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), 13, aanhef en vierde lid, en 31, aanhef en tweede lid, van het Europees Sociaal Handvest en de beslissing van het Europees Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014 in zaak nr. 90/2013 (CEC tegen Nederland; www.coe.int/socialcharter), kan verweerder, in reactie op een verzoek van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende meerderjarige vreemdeling om onderdak te verstrekken, volstaan met een aanbod van onderdak in een VBL onder de voorwaarde dat hij meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland en met dien verstande dat het onderdak gepaard zal gaan met de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 56, eerste lid, Vw.

2.4

De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 november 2015 ook overwogen dat verweerder uit het oogpunt van zorgvuldigheid rekening moet houden met het feit dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waaronder hij aan het bieden van onderdak niet bij voorbaat de voorwaarde mag verbinden dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor, indien uit hetgeen die vreemdeling aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid, althans voorlopig, niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan die vreemdeling om aan zijn verzoek zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen. Het voorgaande laat voormelde op die vreemdeling rustende plicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten evenwel onverlet.

2.5

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij zijn eigen handelen niet kan overzien heeft eiser een lijvig patiëntendossier van GGD Amsterdam overgelegd waarin de medische geschiedenis van eiser van 18 februari 2013 tot en met 14 juni 2016 wordt beschreven. Uit dit patiëntendossier blijkt onder meer dat hij op en af dakloos is, dat hij aan meerdere ernstige psychische stoornissen lijdt, dat hij ernstig zelfbeschadigend gedrag vertoont, dat hij waarschijnlijk zwak begaafd is, dat er sprake is van verslavingsproblematiek en dat een steunnetwerk ontbreekt. Zonder nadere motivering van verweerder rechtvaardigt deze medische problematiek niet de conclusie dat in dit geval geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 2.4. De beroepsgrond slaagt.

3. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Immers, in zijn verweerschrift noch ter zitting heeft verweerder alsnog een deugdelijke motivering gegeven waarom in geval van eiser, gelet op de ingebrachte medische informatie, geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het niet meewerken aan zijn vertrek.

4. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

5. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 990,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.