Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3186

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
AWB 17/4539
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2781, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door verweerder gegeven toelichting rechtvaardigt niet de conclusie dat Tunesië als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.

Verweerder heeft niet aangetoond dat er in Tunesië algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f van het VV 2000.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding de ministeriële regeling van 11 oktober 2016 onverbindend te verklaren voor zover daarbij Tunesië is aangemerkt als veilig land van herkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4539

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , van Tunesische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

Procesverloop

Bij bestreden besluit van 27 februari 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond. Voorts heeft verweerder aan eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 verleend en is aan hem geen uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 verleend. Tevens heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 17/4540).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2017, waar het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig zijn behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft – verkort en zakelijk weergegeven – het navolgende asielrelaas.

Eiser is geboren op [geboortedag] 1995 in Kairouan, Tunesië. Hij heeft daar tot 2011 gewoond. Zijn broer heeft in februari 2011 [persoon A] gedood tijdens een ruzie, waarvoor eisers broer een gevangenisstraf van 25 jaar uitzit. De familie van [persoon A] wil vanwege zijn dood nu wraak nemen op eiser door hem te vermoorden. Eiser heeft daarom zijn land verlaten en uiteindelijk in Zwitserland asiel aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen en eiser is in juni 2014 gedwongen uitgezet naar Tunesië. Hij heeft vervolgens een jaar in Tunis gewoond en daarna Tunesië opnieuw verlaten, omdat hij nog steeds vreest voor bloedwraak van de zijde van de familie van [persoon A] .

2. Verweerder onderscheidt in het asielrelaas van eiser de navolgende relevante elementen.

  • -

    Eiser verklaart dat hij [naam 1] heet, geboren is op [geboortedag] 1995, behoort tot de bevolkingsgroep van de Arabieren en in het bezit is van de Tunesische nationaliteit;

  • -

    Eiser verklaart dat zijn broer naar aanleiding van een ruzie met [persoon A] deze persoon op zijn hoofd heeft geslagen als gevolg waarvan hij is overleden. De broer van eiser zit voor dit misdrijf een gevangenisstraf van 25 jaar in Tunesië uit;

  • -

    Eiser vreest voor de familie van [persoon A] , omdat zij de dood van [persoon A] op hem willen wreken door eiser te vermoorden.

3. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht echter niet geloofwaardig dat de broer van eiser [persoon A] om het leven heeft gebracht en eiser daarom heeft te vrezen door de familie van [persoon A] te worden vermoord.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Volgens verweerder is Tunesië te beschouwen als een veilig land van herkomst. Verweerder heeft voor de motivering daarvan verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 11 oktober 2016 over de derde tranche nationale lijst veilige landen van herkomst. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Tunesië, in afwijking van de algemene situatie, jegens hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.

5. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Volgens eiser kan Tunesië in het algemeen en zeker in zijn geval niet als veilig land van herkomst worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar het rapport van Amnesty International van 22 februari 2017 “Amnesty International Report 2016/17 – The State of the World’s Human Rights- Tunesia” en het rapport van US State Department van 3 maart 2017 “Country Report on Human Rights Practices 2016 – Tunesia”. Voorts heeft eiser aangevoerd dat zijn asielrelaas niet innerlijk tegenstijdig is en derhalve geloofwaardig is.

6. Op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Veilig land van herkomst

7. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

8. Op grond van artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan bij ministeriële regeling een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt met de Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 oktober 2016, nummer 750970, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), Staatscourant 2016, nr. 55444 (hierna: de Regeling). Bij deze Regeling is de in bijlage 13 (behorend bij artikel 3.37f, derde lid, van het VV 2000) opgenomen lijst van veilige landen van herkomst uitgebreid met onder meer Tunesië.

9. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2474) betreft de Regeling een algemeen verbindend voorschrift, waartegen op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep mogelijk is.

De bestuursrechter kan de rechtmatigheid van de regeling met de aanwijzing van een bepaald land als veilig land van herkomst toetsen als de regeling is toegepast in een besluit op een aanvraag van een vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen en de vreemdeling de rechtmatigheid van die regeling in zijn beroep tegen dat besluit aan de orde stelt (de zogenoemde exceptieve toetsing). Hiervan is in het onderhavige geval sprake.

Aan een algemeen verbindend voorschrift kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien dit in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel indien dit in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. De toetsing of een land een veilig land van herkomst is moet door de bestuursrechter zonder terughoudendheid plaatsvinden.

10. Zoals ook volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling is het aan verweerder om aan te tonen dat aan de vereisten voor aanwijzing als veilig land van herkomst is voldaan. Hij dient dit kenbaar en deugdelijk te motiveren. Gelet op de toepasselijke regelgeving (artikel 3.37f van het VV 2000) geldt voor die aanwijzing als norm dat er in het desbetreffende land algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) plaatsvindt. Bij de beoordeling of aan deze norm wordt voldaan, moet verweerder de rechtstoestand in het land, de algemene politieke omstandigheden en de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel betrekken en rekening houden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van wetten en voorschriften in het land en de wijze waarop die worden toegepast, de naleving van rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, de naleving van het beginsel van non-refoulement en het beschikbaar zijn van daadwerkelijke rechtsmiddelen. Dit betekent dat hij de juridische en feitelijke situatie in het land moet onderzoeken en, in verband met eventueel te verwachten veranderingen in die situatie, acht moet slaan op de algemene politieke omstandigheden. Dat onderzoek moet verweerder overeenkomstig artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 baseren op objectieve en recente informatie, waarbij in ieder geval, voor zover beschikbaar, informatie uit andere lidstaten, van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties wordt betrokken. Daaruit moet blijken dat er in het desbetreffende land wet- en regelgeving is die vorenbedoelde vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM verbiedt en die het voor de autoriteiten van dat land mogelijk maakt om hiertegen bescherming te bieden (de juridische situatie). Tevens moet daaruit blijken dat die wet- en regelgeving in de praktijk wordt toegepast en dat bescherming dus ook feitelijk wordt geboden, waarvoor onder meer de daadwerkelijke beschikbaarheid van een systeem van rechtsmiddelen relevant is (de feitelijke situatie). Bovendien moet verweerder de situatie in een land na de aanwijzing als veilig land van herkomst regelmatig opnieuw onderzoeken.

11. Bij voornoemde Regeling is Tunesië aangemerkt als een veilig land van herkomst, met uitzondering ten aanzien van LHBTI’s. Bij brief van 11 oktober 2016 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de daarbij gevoegde bijlage “Beoordelingen derde tranche” heeft verweerder deze aanwijzing van (onder meer) Tunesië toegelicht. Verweerder heeft in onderhavige zaak naar deze toelichting verwezen en de aanwijzing niet nader schriftelijk toegelicht.

12. In voornoemde toelichting om Tunesië als veilig land van herkomst aan te merken staat het volgende vermeld:

“Verdragen

Tunesië is partij bij de volgende verdragen:

- Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten en het daarbij behorende (eerste) Facultatief Protocol;

- Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

- Het verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het daarbij behorende Protocol.

Wetten en voorschriften

De grondwet bepaalt dat alle burgers gelijk zijn – zonder onderscheid – in rechten, vrijheden en algemene verplichtingen. Foltering, intimidatie, en fysieke en psychische schade zijn niet toegestaan. Verdachten worden verondersteld onschuldig te zijn en worden geïnformeerd over de feiten waarvan zij verdacht worden.

Artikel 230 van de Strafwet stelt ‘sodomie’ strafbaar met een gevangenisstraf van 3 jaar. De rechterlijke macht interpreteert ‘sodomie’ als seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht. Dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. Uit informatie van Human Rights Watch blijkt dat deze wet in 2015 enkele malen is toegepast en dat verdachten onder dit wetsartikel vernedering en onmenselijke behandeling ten deel valt.

Vervolging of ernstige schade

Er zijn meldingen van mishandeling en foltering van gedetineerden die veelal hebben plaatsgevonden in de eerste dagen na de arrestatie. Om de rechten van gedetineerden te verbeteren, is op 2 februari 2016 een wijziging van het Tunesische Strafprocesrecht/ Wetboek van Strafvordering aangenomen. Gezien de recente datum van het aannemen van de wetswijziging is niet bekend of deze wijzigingen in de praktijk worden nageleefd.

Algemene mensenrechtensituatie

In Tunesië hebben in 2015 en 2016 terroristische aanslagen plaatsgevonden die zijn opgeëist door terreurbeweging IS. Naar aanleiding van de aanslag in het Bardo Museum in Tunis op 18 maart 2015 waarbij 39 doden vielen, is op 25 juli 2015 nieuwe antiterreurwetgeving aangenomen die verstrekkender is dan de voorgaande wet uit 2003. Diverse organisaties hebben aangegeven dat de definitie van het woord ‘terrorisme’ te breed en voor velerlei uitleg vatbaar is en dat waarborgen die in de grondwet zijn verankerd ten aanzien van de mensenrechten door deze nieuwe wetgeving in gevaar komt.

Ook in 2016 zijn aanslagen gepleegd. In maart 2016 werd de stad Ben Guerdane (Tunesische veiligheidstroepen werden daar getraind door Britse troepen) in het grensgebied met Libië aangevallen met 30 doden tot gevolg. Deze aanval van islamitische strijders werd afgeslagen. In juli en augustus 2016 werden Tunesische militairen in respectievelijk Bouchebka en Kasserine bij de grens met Algerije door jihadisten aangevallen waarbij doden en gewonden vielen. In het land is sinds november 2015 een noodtoestand van kracht die laatstelijk 19 september 2016 werd verlengd met één maand.

Er zijn meldingen van discriminatie van vrouwen en kinderen in recht en praktijk. In 2014 is gewerkt aan een wet om (seksueel) geweld tegen vrouwen en kinderen tegen te gaan. Deze wet is nog niet aangenomen. Wel is in november 2015 een wet aangenomen die de discriminatie tussen mannen en vrouwen opheft ten aanzien van reisdocumenten en het recht om te reizen.

Tunesië staat op de 86ste plaats op de Fragile State Index 2016 (Ter vergelijking: Finland staat op de 178ste plaats en Somalië op de 1e plaats).

De Amerikaanse NGO Freedom House heeft Tunesië aangemerkt als een ‘vrij’ land waarbij het op een schaal van 1 tot 7 (1 meest vrij en 7 minst vrij) een score van 1 heeft voor wat betreft ‘political rights’ en een score van 3 voor wat betreft ‘civil liberties’. Daarbij is tevens opgemerkt dat het land gezien wordt als een ‘electoral democracy’.

Overige informatie

Aantal eerste asielaanvragen in Nederland:

2015: 4

2016 (t/m augustus): 47

Tunesië is door geen van de EU-lidstaten geplaatst op een nationale lijst met veilige landen van herkomst. In Duitsland is momenteel een wetsvoorstel in behandeling waarin Tunesië wordt aangemerkt als veilig land van herkomst.

Conclusie

Uit bovengenoemde informatie komt naar voren dat ten aanzien van Tunesië kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vluchtelingrechtelijke vervolging, of van een reëel risico op ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn, met uitzondering ten aanzien van LHBTI’s. Tunesië heeft wetten en andere voorschriften en is partij bij verschillende mensenrechtenverdragen die waarborgen bieden, al lijken deze niet altijd te worden nageleefd. Er zijn geen aanwijzingen dat eigen burgers worden verwijderd of uitgeleverd naar gebieden in andere landen waar zij worden vervolgd of een reëel risico lopen op onmenselijke behandeling. Het systeem van rechtsmiddelen biedt waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden, al worden wettelijke bepalingen niet altijd nageleefd.

Op basis hiervan kom ik tot de conclusie dat Tunesië kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, met uitzondering ten aanzien van LHBTI’s.”

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser terecht aangevoerd dat uit de toelichting van verweerder om Tunesië als veilig land van herkomst aan te wijzen onvoldoende blijkt dat verweerder heeft onderzocht of sprake is van een daadwerkelijk beschikbaar systeem van rechtsmiddelen tegen schendingen van mensenrechten. Uit de enkele vermelding in de conclusie van deze toelichting dat het systeem van rechtsmiddelen waarborgen biedt tegen schendingen van de rechten en vrijheden en dat deze wettelijke bepalingen niet altijd worden nageleefd, blijkt op geen enkele wijze op grond van welke bevindingen verweerder tot deze conclusie is gekomen. Dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de beschikbaarheid van daadwerkelijke rechtsmiddelen wel is onderzocht en is gebleken dat de rechterlijke macht onafhankelijk is, blijkt echter niet uit deze toelichting. Niet blijkt of is onderzocht welke rechtsmiddelen een burger in geval van schending van mensenrechten tot zijn beschikking heeft en op welke wijze politie en justitie, waaronder de rechterlijke macht, functioneren in Tunesië en of zij in zodanige mate functioneren dat geconcludeerd kan worden dat de materiële en procedurele mensenrechtenwetgeving wordt toegepast en er daadwerkelijk rechtsmiddelen beschikbaar zijn. Zoals volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016 dient verweerder aan te tonen en kenbaar en deugdelijk te motiveren dat aan de vereisten voor aanwijzing als veilig land van herkomst is voldaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarin in ieder geval ten aanzien van het vereiste gesteld in artikel 3.37f, tweede lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 niet is geslaagd. Reeds om die reden heeft verweerder niet aangetoond dat er in Tunesië algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM plaatsvindt.

14. De aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst voldoet daarom niet aan artikel 3.37f van het VV 2000, zodat de rechtbank aanleiding ziet de ministeriële regeling van 11 oktober 2016 onverbindend te verklaren voor zover daarbij Tunesië door een wijziging van bijlage 13 van het VV 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst. Hetgeen eiser verder in beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst behoeft daarom geen bespreking meer.

15. Verweerder heeft dan ook ten onrechte met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen.

Dit brengt met zich dat verweerder niet op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 heeft kunnen bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk diende te verlaten en daarmee ten onrechte op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000 een inreisverbod aan eiser heeft opgelegd. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, waarin het zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste zijn neergelegd.

16. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 als ongegrond af te wijzen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Geloofwaardigheid asielrelaas

17. Verweerder heeft niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat de broer van eiser [persoon A] om het leven heeft gebracht en dat eiser om die reden te vrezen zou hebben voor bloedwraak van de zijde van de familie van [persoon A] . Verweerder heeft dit standpunt voldoende deugdelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.

18. Verweerder heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas terecht betrokken dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over de redenen van zijn vertrek uit Tunesië. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij Tunesië heeft verlaten vanwege de problemen met zijn vader, terwijl hij tijdens het gehoor veilig land van herkomst heeft verklaard dat hij vanwege de problemen met de familie van [persoon A] zijn land heeft verlaten. De stelling dat eisers verklaring tijdens het aanmeldgehoor hierbij niet mag worden betrokken, volgt de rechtbank niet. Weliswaar dient een aanmeldgehoor niet ter vaststelling van het asielrelaas van een vreemdeling, maar dit impliceert niet dat een daarin gegeven verklaring, die tegenstrijdig is met een verklaring afgelegd tijdens het gehoor over het asielrelaas, niet aan de vreemdeling zou kunnen worden tegengeworpen. De geconstateerde tegenstrijdigheid over de redenen van eisers vertrek doet immers afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. In het geval van eiser des te meer nu hij ook wisselende verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft afgelegd.

19. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat evenmin geloofwaardig is dat eiser zelf wordt bedreigd. Eiser is immers in 2014 voor een jaar teruggekeerd naar Tunesië en gesteld noch gebleken is dat hij in die tijd problemen heeft ondervonden van de familie van [persoon A] . Weliswaar heeft eiser toen in Tunis gewoond en niet in zijn geboorte-/woonstad, maar verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat eiser, ondanks zijn gestelde angst, zonder problemen aan het openbare leven heeft kunnen deelnemen.

20. Nu verweerder het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, behoeft de vraag of eiser bescherming kan krijgen van de Tunesische autoriteiten niet te worden beantwoord. Verweerder heeft de asielaanvraag dus terecht afgewezen.

21. De rechtbank wijst erop dat voor eiser de rechtsgevolgen gelden die aan een afwijzing op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in de verlengde asielprocedure zijn verbonden. Dit houdt in dat de uitspraak heeft te gelden als een terugkeerbesluit als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 en dat de vertrektermijn ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 vier weken bedraagt. Verder bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift, gelet op artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000, vier weken.

22. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, voorzitter, mr. A.F.C.J Mosheuvel en

mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. van Vugt-Jansen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.