Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:310

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 29461
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:3737, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Opvolgende aanvraag

- Somalië

- Mogadishu

- Gesteld verwesterd, alleenstaande vrouw en behorend tot een minderheidsclan (Reer Hamar)

- Beroep ongegrond

- Geen afzonderlijk beroep tegen inreisverbod nodig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/29461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Kaptein,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft verweerder eiseres een vertrektermijn onthouden en haar een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.H. Idilis, tolk in de Somalische taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is van Somalische nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum]. Op 11 augustus 2015 heeft zij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 16 januari 2016 afgewezen en het daartegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 16 februari 2016 ongegrond verklaard (NL16.83). Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 maart 2016 is deze afwijzing onherroepelijk geworden (kenmerk: 201601352/1/V2).

2. Op 13 december 2016 heeft eiseres een opvolgende asielaanvraag ingediend, waaraan zij ten grondslag heeft gelegd dat zij bij terugkeer naar Mogadishu vreest in de negatieve aandacht van Al-Shabaab te staan en als spion te worden aangemerkt. Zij heeft daartoe een beroep gedaan op het beleid zoals vastgelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2016/14. Eiseres is inmiddels verwesterd, zij is een alleenstaande vrouw en zij behoort tot de Reer Hamar, een minderheidsclan. Gelet op al haar persoonlijke omstandigheden en in het licht van de landeninformatie ten aanzien van Somalië, behoort zij tot een risicogroep.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

4. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Asielbesluit en inreisverbod

5. De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende. Het door eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag gerichte beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bij het bestreden besluit mede opgelegde inreisverbod. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling, recentelijk nog de uitspraak van 15 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3349), is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een zelfstandig inreisverbod waartegen een afzonderlijk rechtsmiddel moet worden ingesteld. Gelet op de nauwe verwevenheid tussen de afwijzing van de aanvraag, het opleggen van het inreisverbod en de gewenste concentratie van rechtsbescherming, staan tegen het inreisverbod dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de afwijzing van de asielaanvraag.

Asielbesluit

6. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, van de Vw niet-ontvankelijk is verklaard.

7. In geschil is of verweerder op grond van de onder punt 2 aangevoerde omstandigheden eiseres in het bezit had dienen te stellen van een verblijfsvergunning asiel.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat ten tijde van het bestreden besluit WBV 2016/14, dat met ingang van 2 november 2016 het oude WBV 2015/7 vervangt, van toepassing was. Verweerder heeft bij de beoordeling of sprake is van verwestering echter verwezen naar de oude bepalingen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) die sinds inwerkingtreding van het nieuwe beleid ten aanzien van Somalië niet langer van toepassing zijn. Omdat er thans helemaal geen beleid meer geldt voor verwesterde Somalische asielzoekers als bijzondere (risico- of kwetsbare) groep is niet aannemelijk dat eiseres door dit motiveringsgebrek in haar belangen is geschaad. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht dit gebrek passeren.

9. De rechtbank overweegt dat volgens het WBV 2016/14 een vreemdeling die zich erop beroept dat hij er door Al-Shabaab van wordt verdacht te spioneren voor de overheid en afkomstig is uit gebieden die niet onder controle staan van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu) aannemelijk moet maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. Eiseres is hier niet in geslaagd. Haar enkele terugkeer uit het westen is daartoe onvoldoende. Met betrekking tot haar afkomst, het feit dat zij als een alleenstaande vrouw gezien moet worden en zij inmiddels is verwesterd, wordt het volgende overwogen.

10. Eiseres heeft aangevoerd dat zij bij terugkeer te vrezen heeft vanwege haar afkomst. Niet in geschil is dat eiseres behoort tot de Reer Hamar. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3146) verwezen naar haar uitspraak van 16 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2221) waarin is overwogen dat uit het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van november 2012 blijkt dat veel Benadiri, een synoniem voor de term Reer Hamar, hun voormalige bezittingen - waaronder huizen - hebben teruggekregen en geen risico lopen slachtoffer te worden van schendingen van mensenrechten. Uit de daarna verschenen ambtsberichten van december 2013 en december 2014 blijkt dat de positie van Reer Hamar sinds 2012 niet is veranderd, aldus de Afdeling.

11. In het ambtsbericht van 30 maart 2016 staat het volgende (pag. 64):

Positie van de Reer Hamar/Benadiri

Deze minderheidsgroep is niet zonder macht en vormt geen straffeloos doelwit voor andere clans. Dit betekent niet dat zij niet langer gediscrimineerd worden, maar dat er een aantal verzachtende omstandigheden in hun voordeel werken. Zij worden geëxploiteerd maar zijn niet gemarginalizeerd. Door hun zaak internationaal onder de aandacht te brengen en te bepleiten hebben zij ook in Somalië bewustwording gegenereerd. Velen zijn relatief welvarend, hebben sleutelposities in het bestuur van de regio Banadir, en slagen erin bescherming te kopen van meerderheidsclans, doch kunnen ook het slachtoffer worden van afpersing en chantage door milities van de grotere clans. Zij zijn ook doelwit van religieuze vervolging door Al-Shabaab.

In de bijbehorende noot staat het volgende:

Bron: Home Office, UK: “Country Information and Guidance; South and central Somalia: Majority clans and minority groups”, maart 2015. § 2.6.14-2.6.20. Dit rapport noemt geen gevallen van vervolging van deze groep door Al-Shabaab.

12. De rechtbank overweegt dat - anders dan eiseres stelt - hieruit niet blijkt dat zij louter door het behoren tot de Reer Hamar te vrezen heeft voor vervolging door Al-Shabaab, reeds nu blijkens de noot geen gevallen van vervolging worden genoemd. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling op het standpunt gesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer wegens haar etnische afkomst vervolging heeft te duchten, dan wel dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade.

13. Eiseres voert verder aan dat zij gezien moet worden als een alleenstaande vrouw en ook om die reden in aanmerking komt voor een vergunning. Eiseres is ongehuwd en woonde samen met haar moeder. Haar moeder werd af en toe geholpen door haar vier broers (de ooms van eiseres). Volgens het WBV 2016/14 wordt een vrouw als alleenstaand aangemerkt indien zij niet minimaal beschikt over één mannelijk familielid tot en met de derde graad in haar herkomstgebied. Vaststaat dat eiseres in het verleden, zij het via haar moeder, hulp ontving van haar ooms. Dat eiseres meent dat dit niet voor haar bedoeld was maar slechts voor haar moeder, betekent niet dat zij bij terugkeer niet opnieuw van deze hulp gebruik zou kunnen maken. Verweerder mag er derhalve vanuit gaan dat zij nog steeds een mannelijk familielid heeft in haar herkomstgebied en dat zij daarom niet als alleenstaande vrouw kan worden aangemerkt. In die zin heeft eiseres met de door haar aangevoerde omstandigheden onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer te vrezen heeft. Ook de gestelde cumulatie van de drie door eiseres genoemde elementen van kwetsbaarheid kan geen doel treffen, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door deze afzonderlijke elementen als kwetsbaar moet worden aangemerkt.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

Inreisverbod

15. Ingevolge artikel 62, tweede lid, onder b, van de Vw kan een vertrektermijn worden onthouden indien de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft dan ook kunnen bepalen dat eiseres Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Nu een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn tegen eiseres is uitgevaardigd, was verweerder ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in beginsel gehouden een inreisverbod uit te vaardigen.

16. De rechter begrijpt uit de gronden en het verhandelde ter zitting dat eiseres zich beroept op de aanwezigheid van een sociaal netwerk en een Nederlandse vriend in Nederland. Beoordeeld moet worden of hiermee sprake is van humanitaire omstandigheden, als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw, waardoor verweerder af had moeten zien van het opleggen van het inreisverbod.

17. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod kunnen naar het oordeel in rechte stand houden. Overwogen wordt dat iedere onderbouwing van de gestelde humanitaire omstandigheden ontbreekt. Verweerder heeft daarin dan ook geen reden hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 66a, achtste lid, van de Vw.

Slotsom

18. Gelet op vorenstaande is het beroep ongegrond.

19. Omdat er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit kleeft, ziet de rechtbank aanleiding verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990 (negenhonderdnegentig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: