Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
C-09-508918-HA ZA 16-423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Toezegging/overeenkomst tot vergoeden schade door de Staat? Ondanks onherroepelijke artikel 12 Sv-arresten nog ruimte voor beoordeling stelling dat niet-vervolgen onrechtmatig is? Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/329
NJF 2017/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/508918 / HA ZA 16-423

Vonnis van 18 januari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie)

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2016 en de daarbij overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van antwoord en de daarbij overgelegde producties;

  • -

    het tussenvonnis van 13 juli 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op 21 november 2016 gehouden comparitie van partijen en de daarin genoemde stukken; en

  • -

    de brief van de zijde van [eiser] van 8 december 2016 met een opmerking over genoemd proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in het jaar 1998 een bankrekening laten openen bij de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO Bank). Op dat moment verkeerde [eiser] in staat van faillissement. Op genoemde bankrekening is een debetsaldo van ongeveer fl. 97.000,00 ontstaan.

2.2.

Namens ABN AMRO Bank heeft de heer [A] in het jaar 1999 aangifte gedaan tegen [eiser] ter zake van oplichting. [eiser] is naar aanleiding van deze aangifte op 25 januari 2002 veroordeeld door de rechtbank ’s-Gravenhage voor oplichting en op 24 december 2002 in hoger beroep vrijgesproken.

2.3.

Op 27 juni 2000 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan tegen de heer [A] van het doen van een valse aangifte. Bij brief van 20 november 2000 heeft de officier van justitie [eiser] bericht dat geen strafvervolging tegen de heer [A] zal worden ingesteld.

2.4.

Op 7 december 2000 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan tegen ABN AMRO Bank van het doen van een valse aangifte. Deze aangifte is niet in behandeling genomen. Bij brief van 13 februari 2001 heeft de officier van justitie [eiser] bericht dat tegen ABN AMRO Bank geen strafvervolging zal worden ingesteld.

2.5.

Tegen de onder 2.3 en 2.4 genoemde beslissingen over het uitblijven van strafvervolging heeft [eiser] op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beklag gedaan bij het gerechtshof ’s-Gravenhage. Bij beschikking van 11 juli 2001 heeft dit gerechtshof het beklag afgewezen.

2.6.

Op 18 december 2003 en op 23 januari 2004 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan tegen ABN AMRO Bank, de heer [A] en een andere medewerker van genoemde bank, de heer [B] ter zake van meineed, valse aangifte en smaad. Bij brieven van 6 en 17 mei 2004 heeft de officier van justitie [eiser] bericht dat geen strafvervolging tegen ABN AMRO Bank, de heer [A] en de heer [B] zal worden ingesteld.

2.7.

Tegen de onder 2.6 genoemde beslissingen over het uitblijven van strafvervolging heeft [eiser] op de voet van artikel 12 Sv beklag gedaan bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 23 februari 2005 heeft dit gerechtshof [eiser] niet ontvankelijk verklaard in zijn beklag voor zover dit betrekking heeft op het doen van valse aangifte en het beklag voor het overige afgewezen.

2.8.

Op 24 januari 2008 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan tegen ABN AMRO Bank ter zake van valse aangifte en smaad. In mei 2008 heeft de officier van justitie besloten dat geen strafvervolging tegen ABN AMRO Bank zal worden ingesteld.

2.9.

Tegen de onder 2.8 genoemde beslissing over het uitblijven van strafvervolging heeft [eiser] op de voet van artikel 12 Sv beklag gedaan bij het gerechtshof ‘s-Gravenhage. Bij beschikking van 15 juni 2012 heeft dit gerechtshof het beklag afgewezen.

2.10.

Bij brief van 27 maart 2009 heeft het College van procureurs-generaal (hierna: het College) [eiser] bericht naar aanleiding van zijn brieven van 12, 15, 18 en 30 december 2008, 6 en 14 januari 2009 en 25 maart 2009. In de brief van het College is onder meer opgenomen:

“(…)

Uw aansprakelijkheidsstelling

Naar de mening van het College is door het Openbaar Ministerie niet onrechtmatig jegens u gehandeld en is de door u gestelde schade niet het gevolg van het handelen van het Openbaar Ministerie. Het College wijst elke aansprakelijkheid van het Openbaar Ministerie c.q. de Staat der Nederlanden in dezen dan ook van de hand. (…)”

2.11.

Bij brief van 19 april 2012 heeft het College [eiser] bericht naar aanleiding van zijn brieven van 9 januari 2012 en 16 maart 2012. In de brief van het College is onder meer opgenomen:

“(…)

De Staat betwist dat er sprake is (geweest) van onrechtmatig handelen, waardoor schade is veroorzaakt en is van oordeel dat de Staat niet aansprakelijk is voor de door u gestelde (en overigens niet onderbouwde) schade. Het College ziet dan ook geen aanleiding tot vergoeding van de door u gestelde schade over te gaan.

(…)”

2.12.

Bij brief van 26 juni 2012 heeft het College [eiser] bericht naar aanleiding van zijn brieven van 24 april 2012, 24 mei 2012 en 19 juni 2012. In de brief van het College is onder meer opgenomen:

“(…)

Het College is van oordeel dat uw brieven geen ander standpunt of nieuwe gezichtspunten bevatten. Uw brieven geven het College dan ook geen aanleiding zijn standpunt te herzien. Het College handhaaft derhalve zijn afwijzing van uw verzoek om schadevergoeding.

(…)”

2.13.

Bij brieven van 2 oktober 2012 en 5 november 2012 heeft [eiser] aangifte gedaan tegen onder meer ABN AMRO Bank en (enkele van) haar medewerkers ter zake van valse aangifte, meineed en verduistering van een dossier. Bij brief van 21 december 2012 heeft de heer mr. [hoofdofficier justitie] , hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag, [eiser] bericht dat geen strafvervolging tegen de ABN AMRO Bank en haar medewerkers zal worden ingesteld.

2.14.

Tegen de onder 2.13 genoemde beslissing over het uitblijven van strafvervolging heeft [eiser] op de voet van artikel 12 Sv beklag gedaan bij het gerechtshof Den Haag.

Bij beschikking van 28 november 2013 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, na verwijzing door het gerechtshof Den Haag, het beklag afgewezen.

2.15.

Op 6 januari 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [eiser] enerzijds en de heren [X] en [Y] namens het College anderzijds in het Paleis van Justitie te Den Haag. De door laatstgenoemden vervaardigde, zakelijke weergave van dat gesprek luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

De heer [eiser] is van mening dat de echte hoofdrolspelers niet met hem om tafel durven zitten. Zij hebben, aldus de heer [eiser] , een gebrek aan moreel besef. De heer [eiser] stelt dat de hoofdrolspelers uiterlijk a.s. donderdag met hem om tafel moeten zitten; zij kunnen knopen doorhakken. Hij wil donderdag een antwoord op alles en een eventueel aanbod.

De heer [X] geeft aan dat hij de woede en het ongeduld begrijpt, maar geeft aan niet onder druk gezet te willen worden. In het verleden is onderzoek gedaan en zijn reeds antwoorden gegeven, maar die bevallen de heer [eiser] niet. De heer [X] geeft aan geen enkele grond te zien om met een voorstel te komen.

De heer [eiser] geeft aan dat de heer [X] zich kapot moet schamen. Het OM is kennelijk niet bereid een fout goed te maken. Dat houdt dus in dat rechtspraak in Nederland niet bestaat. Hij zal ons kapot gaan procederen. Dat is verdrietig omdat het OM zijn werk niet doet. (…)”.

2.16.

Bij brief van 23 januari 2015 heeft het College [eiser] bericht omtrent zijn klacht tegen de heer mr. [hoofdofficier justitie] . Hierin is onder meer opgenomen:

“(…)

Wat betreft uw verzoek om ‘een voorstel’ waarbij u doelt op een schadevergoeding en een bedrag heeft genoemd dat is opgelopen tot 300 miljoen euro, merkt het College het volgende op. Uit uw brief van 15 maart 2012 blijkt dat deze vergoeding met name ziet op de 96 uur hechtenis die u heeft ondergaan, alsmede op de zakelijke en sociale schade die u elke dag stelt te lijden.

Om te beoordelen of u recht heeft op schadevergoeding dient vastgesteld te worden of de Staat onrechtmatig jegens u heeft gehandeld, bijvoorbeeld door de toepassing van dwangmiddelen.

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 29 april 1994, NJ 1995, 727) is de toepassing van een dwangmiddel onrechtmatig indien zij is toegepast in strijd met de wettelijke voorschriften dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Buiten deze gevallen is de toepassing van een dwangmiddel in beginsel rechtmatig omdat zij wordt gerechtvaardigd door het bestaan van een verdenking. Zulks is slechts anders indien achteraf uit het strafdossier - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan. Deze vaste rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de zogenaamde ‘gebleken onschuld’ is nog eens bevestigd in een arrest van 13 oktober 2006, NJ 2007, 432 (Begaclaim), waarin de Hoge Raad heeft herhaald dat de onschuld van de verdachte en het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte, moeten blijken uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken. Buiten deze gevallen is de Staat niet aansprakelijk voor mogelijke schade ten gevolge van de toepassing van dwangmiddelen of een ingestelde vervolging.

Ten aanzien het zogenaamde gebleken onschuldcriterium, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het enkele feit dat de verdachte is vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten onvoldoende om aan te nemen dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan. Alsdan blijkt in de regel immers niet, aldus de Hoge Raad, dat de gewezen verdachte het feit niet heeft begaan, maar slechts dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij het feit heeft begaan. De grondslag onder de ingestelde vervolging en de toegepaste dwangmiddelen - een redelijk vermoeden van schuld - is dan ook niet achteraf onjuist gebleken.

Naar het oordeel van het College blijkt uit het arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 24 december 2002 niet van uw onschuld, maar alleen dat het Hof van oordeel is dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat u de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Op grond van het bovenstaande is het College van oordeel dat niet onrechtmatig is gehandeld door de Staat. Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u.

(…)

Het College is van oordeel dat uw zaak uitputtend is behandeld en ziet dan ook geen aanleiding om inhoudelijk te reageren op eventuele toekomstige correspondentie van uw zijde. Alleen indien uw brieven betrekking hebben op nieuwe feiten of omstandigheden zullen die brieven nog in behandeling worden genomen.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van de Staat op grond van overeenkomst, althans onrechtmatige daad tot betaling van € 300.000.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure, alsmede veroordeling van de Staat in de (na)kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] voert daartoe het volgende aan. Primair is tussen partijen sprake van overeenstemming over de aansprakelijkheid van de Staat, de hoogte van de schadevergoeding en de wettelijke rente op grond van de brief van 23 januari 2015 waarin de Staat erkent schadeplichtig te zijn. [eiser] vordert aldus nakoming van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. Subsidiair voert [eiser] aan dat hij recht heeft op schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad wegens het niet-vervolgen van ABN AMRO Bank en haar medewerkers ondanks de vele aangiften van [eiser] tegen hen. Dit nalaten is onrechtmatig nu [eiser] door een valse aangifte ten onrechte strafrechtelijk is vervolgd. Ondanks het feit dat [eiser] in hoger beroep is vrijgesproken, is hij voor het leven gebrandmerkt. Hij heeft immers niet meer kunnen werken, jarenlang geen bankrekening kunnen openen en is maatschappelijk geruïneerd. [eiser] stelt dat zijn schade te rekenen vanaf 1999 € 24.000.000,00 per jaar bedraagt, zijnde (gemiste) omzet, die hij op grond van afspraken gemaakt met afnemers van voetbalevenementen had kunnen genereren.

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt in eerste instantie de vraag aan de rechtbank voor of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waaruit voor de Staat de verplichting voortvloeit tot het betalen van schadevergoeding aan [eiser] . Uitgangspunt voor de beoordeling van deze vraag is artikel 6:217 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgens welke bepaling een overeenkomst tot stand komt door een aanbod van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere.

4.2.

De rechtbank constateert dat [eiser] heeft nagelaten te benoemen hoe de verklaring van het College in de brief van 23 januari 2015 “Er bestaat dan ook verplichting tot schadevergoeding jegens u” moet worden beschouwd. Onduidelijk blijft immers of deze verklaring zou zien op een aanbod van het College tot het betalen van een schadevergoeding aan [eiser] dan wel de aanvaarding van het verzoek van [eiser] daartoe. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven nu aan de totstandkoming van zowel een aanbod als de aanvaarding daarvan een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard ten grondslag moet liggen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.

Voorop staat dat alleen die verklaring die berust op een daarmee overeen-stemmende wil degene bindt die haar aflegt. Voor de juridische interpretatie van de in rechtsoverweging 4.2. vermelde passage uit de brief van het College van 23 januari 2015 zal dus niet alleen een letterlijke lezing van deze verklaring volstaan, maar zal ook beoordeeld dienen te worden of deze verklaring overeenstemt met de wil van de Staat. De Staat betwist dat hiervan sprake is omdat – kort gezegd – in de brief abusievelijk het woord “geen” is weggevallen.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring in de brief van 23 januari 2015 dat “verplichting tot schadevergoeding” bestaat, niet los gezien kan worden van de uiteenzetting die aan deze verklaring in deze brief voorafgaat en de daaraan door het College verbonden conclusie dat niet onrechtmatig is gehandeld door de Staat. Daarnaast voert de Staat terecht aan dat de brief gelezen moet worden in het licht van de reeks van brieven aangehaald onder 2.10, 2.11 en 2.12 waarin de Staat zich herhaaldelijk op het standpunt heeft gesteld dat geen verplichting bestaat tot het betalen van schadevergoeding aan [eiser] . Aldus staat daarmee – in het licht van de gemotiveerde betwisting van de Staat – vast dat de verklaring van het College niet berust op een daarmee overeenstemmende wil van het College. Nu dit het geval is, valt dan ook niet in te zien dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarvan [eiser] thans nakoming kan vorderen. Het ontbreken van de werkelijke wil van het College verhindert immers de totstandkoming van een overeenkomst.

4.5.

Thans dringt zich de vraag op of in dit geval desondanks een overeenkomst tot stand is gekomen doordat [eiser] , overeenkomstig de bescherming van artikel 3:35 BW, aan de verklaring van het College zoals hierboven aangehaald een zin heeft toegekend die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen. Bij de beantwoording van die vraag moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Er bestaat immers niet alleen geen bescherming voor degene die wist dat de verklaring niet overeenstemde met de wil van de persoon die haar aflegde, maar evenmin voor degene die dit, gelet op alle omstandigheden van het geval, had behoren te weten.

4.6.

Ook in dit verband neemt de rechtbank de onder 4.4 beschreven omstandigheden als uitgangspunt. Anders dan [eiser] betoogt kan voorts niet worden vastgesteld dat tijdens het gesprek van 6 januari 2015 door het College is aangegeven te zullen nadenken over het betalen van een schadevergoeding aan [eiser] . Dat blijkt ook niet uit het verslag van dit gesprek. Integendeel, uit de kennelijk niet eerder door [eiser] betwiste inhoud van het gespreksverslag blijkt dat het College geen enkele grond ziet om met een voorstel te komen ondanks het verzoek van [eiser] daartoe. Verder leidt de rechtbank uit de reactie van [eiser] dat “de heer [X] zich kapot moet schamen” af dat het hem duidelijk was dat het College niet bereid was om de fout, die het College naar de stellige overtuiging van [eiser] zou hebben begaan, goed te maken. Ten slotte zou, indien namens het College wel zou zijn verklaard dat nog zal worden nagedacht over het betalen van een schadevergoeding, dit naar het oordeel van de rechtbank niet opwegen tegen de onder 4.4 beschreven omstandigheden.

4.7.

Al deze omstandigheden bijeen genomen - in samenhang bezien - brengen de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] daaraan redelijkerwijs niet de zin heeft mogen toekennen dat de wil van de Staat erop gericht was hem een schadevergoeding te betalen, laat staan een schadevergoeding van vele miljoenen. [eiser] heeft dus moeten begrijpen dat de wil van het College niet met de inhoud van de verklaring in de brief overeenstemt, en hij kan de Staat daarom niet aan de verklaring houden. Tussen partijen is aldus geen overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan de Staat gehouden zou zijn de door [eiser] gestelde schade aan hem te vergoeden.

4.8.

De vraag die partijen verder nog verdeeld houdt is of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] wegens het niet-vervolgen van ABN AMRO Bank en een aantal van haar medewerkers. Overwogen wordt dat [eiser] reeds eerder tegen deze beslissing om niet tot vervolging over te gaan beklag gedaan heeft (zie randnummer 2.14). Uitgangspunt voor de beoordeling van deze vraag is dat de in artikel 12 Sv voorziene rechtsgang in het algemeen met voldoende waarborgen omgeven is en de gang naar de burgerlijke rechter uitsluit (vgl. HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2454). Verder brengt het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen, afgezien van het hier niet aan de orde zijnde geval van het geheel ontbreken van rechtskracht, met zich mee dat zelfs een onjuiste rechterlijke uitspraak - waarvan hier overigens niet is gebleken - niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen de partijen rechtskracht heeft (vgl. HR 4 mei 1990, NJ 1990, 677, m.nt. P.A. Stein). De rechtbank overweegt ten opzichte daarvan dat nu tegen de beklagbeschikkingen van 11 juli 2001, 23 februari 2005 en 15 juni 2012 geen cassatieberoep open staat, deze uitspraken rechtskracht hebben tussen partijen. Van de rechtmatigheid van de beslissing(en) tot het niet-vervolgen van ABN AMRO bank en haar bedoelde medewerkers moet de rechtbank dan ook uitgaan. Anders dan [eiser] heeft bepleit, kan de rechtbank de juistheid van de beklagbeschikkingen en de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot die beslissingen heeft geleid, in onderhavige procedure dus niet toetsen. Een ander oordeel zou ook in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid dat met zich meebrengt dat aan een rechtsstrijd op een zeker moment een einde moet komen.

Het voorgaande zou slechts anders kunnen zijn indien bij de voorbereiding van deze beklagbeschikkingen zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaken niet meer kan worden gesproken.

Een dergelijke veronachtzaming is gesteld noch gebleken.

Ten slotte kan de ter zitting aangevoerde grondslag, luidende dat ondanks de formele rechtskracht van de beklagbeschikkingen “het onrechtmatig is om deze zaak te laten voortduren zonder de schade van [eiser] aan hem te vergoeden” niet tot toewijzing van de vordering leiden, nu daaraan niet een (voldoende) duidelijke feitelijke onderbouwing is gegeven. Tegen deze achtergrond zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.

4.9.

In het proces-verbaal van de comparitiezitting is aangekondigd dat de rechtbank bij vonnis zou beslissen over de vraag of van de stukken van dit geding is gaan uitmaken de akte van de Staat waarbij de Staat een (niet door de rechtbank aan haar beslissingen in dit vonnis ten grondslag gelegde) brief als productie 18 in het geding heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat met de akte geen inbreuk wordt gemaakt op de goede procesorde en dat, anders dan [eiser] bepleit, geen sprake is van “een verkapte conclusie”. In de akte, waarvan de lengte een half A4 bedraagt, is immers niet meer opgenomen dan een korte uiteenzetting over de relevantie van de brief. Dat in dat kader wordt opgemerkt dat de datering van de brief op een vergissing berust, hetgeen namens de Staat ook mondeling ter zitting naar voren is gebracht en namens [eiser] ter zitting is weersproken, kan niet tot een ander oordeel leiden. De akte behoort dan ook tot de stukken van het geding.

4.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat € 6.422,00 (2,0 punten × tarief VIII van € 3.211,00 per punt)

Totaal € 10.325,00

4.11.

Voor de door de Staat gevorderde veroordeling van [eiser] in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 10.325,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119, eerste lid, BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. R.C. Hartendorp en mr. H.J. Doets en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.