Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3046

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
C/09/512415 / HA ZA 16-658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Samenwoners. Vordering tot restitutie van de inbreng van de vrouw in de gemeenschappelijke woning en vordering op de man ter zake van zijn aandeel in de negatieve verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning.

Geslaagd beroep op vervalbeding ten aanzien van de huishoudelijke kosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 167
Burgerlijk Wetboek Boek 3 168
Burgerlijk Wetboek Boek 3 169
Burgerlijk Wetboek Boek 3 170
Burgerlijk Wetboek Boek 3 171
Burgerlijk Wetboek Boek 3 172
Burgerlijk Wetboek Boek 3 173
Burgerlijk Wetboek Boek 3 174
Burgerlijk Wetboek Boek 3 175
Burgerlijk Wetboek Boek 3 176
Burgerlijk Wetboek Boek 3 177
Burgerlijk Wetboek Boek 3 178
Burgerlijk Wetboek Boek 3 179
Burgerlijk Wetboek Boek 3 180
Burgerlijk Wetboek Boek 3 181
Burgerlijk Wetboek Boek 3 182
Burgerlijk Wetboek Boek 3 183
Burgerlijk Wetboek Boek 3 184
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Burgerlijk Wetboek Boek 3 186
Burgerlijk Wetboek Boek 3 187
Burgerlijk Wetboek Boek 3 188
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/127
JPF 2017/64
PFR-Updates.nl 2017-0100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/512415 / HA ZA 16-658

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.J. Pieters te Leiden,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ( [land] )

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N. Schreurs te Alphen aan den Rijn.

Partijen zullen hierna [de vrouw] en [de man] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 mei 2016, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    het vonnis van 21 september 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    het proces-verbaal van de op 2 februari 2017 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele opmerkingen over het proces-verbaal kenbaar te maken. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.3

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 19 mei 2009 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. De feitelijke samenleving is aangevangen op 29 april 2008.

2.2

Op 29 april 2008 hebben partijen de gezamenlijke eigendom verkregen van de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] , ieder voor de onverdeelde helft.

2.3

Ter financiering van de woning is een overeenkomst van geldlening met hypotheekstelling gesloten met Postbank N.V., bestaande uit twee delen, te weten
lening A, groot € 247.374,00 en lening B, groot € 170.100,00.

2.4

[de vrouw] heeft op 1 september 2008 uit de verkoopopbrengst van de uitsluitend aan haar in eigendom toebehorende woning aan de [adres 2] in [plaats 2] leningdeel B van € 170.100 op de gezamenlijke woning afgelost, en de rente vervallen over de periode van 29 april 2008 tot 1 september 2008 ad € 3.343,42 voldaan.

2.5

Bij brief van 27 februari 2014 heeft [de vrouw] de samenlevingsovereenkomst opgezegd per 1 april 2014. De samenleving is feitelijk beëindigd per 25 april 2014 met de verhuizing van [de man] naar zijn vakantiewoning in [land] .

2.6

De gezamenlijke woning is op 29 maart 2016 geleverd aan een derde. De verkoopprijs bedroeg € 369.000,00. Na aflossing van de hypotheek deel A en onder aftrek van de makelaarscourtage en de kosten van de notaris resteert blijkens de nota van afrekening van de notaris een bedrag van € 114.961,64. Dit bedrag staat in depot bij notariskantoor [Notariskantoor] in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

2.7

[de man] is in 2013 met pensioen gegaan.

2.8

In de samenlevingsovereenkomst van partijen is, voor zover voor deze procedure relevant, het volgende neergelegd:
Doel
Artikel 1
(…)
d. De pensioentoekenning.
Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen.
Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis hierbij om te zetten in een rechtens afdwingbare.
(…).

Gemeenschappelijke huishouding
Artikel 3
1.(…)
2.Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, tenzij partijen in onderling overleg schriftelijk anders overeengekomen.(…)

6. De partij die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij/zij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere partij terugvorderen, mits hij/zij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.

Gemeenschappelijk bewoonde woning

Artikel 6

1.(…)

4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. Deze vordering is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst. De vordering zal gedurende de samenwoning geen rente dragen. Het in dit lid vier bepaalde is van toepassing tenzij partijen schriftelijk anders zijn overeengekomen.

Partnerpensioen

Artikel 10

Partijen wijzen elkaar over en weer aan als gerechtigde voor een partnerpensioen, voor het geval de pensioenregeling of pensioenregelingen waaraan partijen deel nemen een partnerpensioen kent of kennen. (…)

3 Het geschil

in conventie

3.1

[de vrouw] vordert dat [de man] bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gewaarmerkt als Europese Executoriale Titel,

- wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de restitutie aan [de vrouw] van de opeisbare inbreng van [de vrouw] in de gemeenschappelijke woning van € 170.100,--;

- wordt veroordeeld aan [de vrouw] zijn aandeel in de negatieve verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning van € 27.264,38 te voldoen dan wel om te zetten in een vordering van [de vrouw] op [de man] af te lossen in 60 maandelijkse termijnen van € 454,41;

- wordt veroordeeld een rentevergoeding te betalen over de opeisbare inbreng van [de vrouw] van

€ 4.035,15 + p.m. voor zover dit ziet op de periode vanaf 29 maart 2016;

- wordt veroordeeld aan [de vrouw] te voldoen zijn aandeel in de kosten van de huishouding ad

€ 12.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 september 2015, althans vanaf de dag der dagvaarding;

- met veroordeling van [de man] in de kosten van de procedure.

3.2

[de vrouw] legt aan haar vorderingen genoemd in 3.1 onder het eerste en tweede gedachtestreepje ten grondslag, dat zij een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de gemeenschappelijke woning, tot restitutie van het bedrag van € 170.100 dat zij aan privé-geld in de eenvoudige gemeenschap heeft geïnvesteerd. Nu sprake is van een negatieve verkoopopbrengst van € 54.528,77 heeft zij een vordering op [de vrouw] tot betaling aan haar van de helft van dit bedrag, zijnde € 27.264,38. [de vrouw] stelt ter onderbouwing hiervan dat de negatieve verkoopopbrengst moet worden aangemerkt als een schuld van de gemeenschap aan [de vrouw] , waarvoor beide partijen voor de helft draagplichtig zijn.

Aan de vordering tot betaling van een rentevergoeding heeft [de vrouw] artikel 6, lid 4, van de samenlevingsovereenkomst ten grondslag gelegd.

Aan de vordering ter zake van de huishoudelijke kosten heeft [de vrouw] artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst ten grondslag gelegd. Zij stelt dat zij meer dan haar aandeel in de huishoudelijke kosten heeft voldaan.

3.3

[de man] voert verweer. Ter zake van de vordering tot betaling van de helft van de negatieve verkoopopbrengst betwist [de man] dat sprake is van een schuld van de gemeenschap aan [de vrouw] . Volgens [de man] is sprake van een investering van [de vrouw] die in waarde is gedaald en waarvan [de vrouw] het risico dient te dragen. Er is uitsluitend sprake van een vordering van [de vrouw] op de gemeenschap; voor een vordering op [de man] bestaat volgens [de man] geen wettelijke grondslag. Subsidiair heeft [de man] met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 1987, NJ 1988, 231 (Kriek/Smit) betoogd dat gezien de crisis op de woningmarkt sprake is van een onvoorziene omstandigheid zoals bedoeld in dat arrest, zodat moet worden afgeweken van de nominaliteitsleer en moet worden uitgegaan van de beleggingsleer. Ook de redelijkheid en billijkheid nopen daartoe, aldus [de man] .

[de man] heeft voorts betwist dat artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst van toepassing is, zodat de gevorderde rentevergoeding niet op dat artikel kan worden gebaseerd.

Ter zake van de huishoudkosten heeft [de man] zich er primair op beroepen dat deze vordering is vervallen, gelet op het vervalbeding in artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst. Subsidiair heeft [de man] betwist dat [de vrouw] meer dan haar aandeel in de huishoudkosten heeft voldaan en heeft hij de hoogte van het bedrag betwist.

in reconventie

3.4

[de man] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de vrouw] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 69.254,00 wegens het niet nakomen van haar dringende morele verplichting jegens [de man] ter zake van het partnerpensioen.

3.5

[de man] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [de vrouw] gedurende hun samenleving geen pensioen heeft opgebouwd en daarmee de artikelen 1 en 10 van de samenlevingsovereenkomst niet is nagekomen. [de man] is deze verplichtingen wel nagekomen. Dat heeft hem tot op heden gekapitaliseerd een bedrag van € 69.254,00 gekost. [de vrouw] is gehouden om hem een zelfde bedrag te betalen.

3.6

[de vrouw] voert verweer. Zij heeft betwist dat sprake is van niet-nakoming van de artikelen 1 en 10 van de samenlevingsovereenkomst.

4
4. De beoordeling

in conventie

Restitutie van de inbreng van [de vrouw] in de gemeenschappelijke woning en vordering op [de man] ter zake van zijn aandeel in de negatieve verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning
4.1 Nu partijen de woning aan de [adres 1] in mede-eigendom hebben gekregen is sprake van een eenvoudige gemeenschap tussen partijen in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De aandelen van partijen in deze eenvoudige gemeenschap zijn gelijk.

4.2

Tussen partijen is niet in geschil dat [de vrouw] een bedrag van € 170.100 uit haar privévermogen in de woning - en daarmee in de eenvoudige gemeenschap - heeft geïnvesteerd.

4.3

Tussen partijen is ook niet in geschil dat [de vrouw] uit hoofde van deze investering een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft van € 170.100. [de man] betwist dan ook niet (meer) dat het na de verkoop van de woning resterende bedrag van € 114.961,64 aan [de vrouw] toekomt (zij het dat [de man] van mening is dat dit bedrag dient te worden verrekend met de vordering die hij op [de vrouw] stelt te hebben). Tussen partijen is wel in geschil of [de vrouw] een vordering op [de man] heeft ter hoogte van de helft van de negatieve verkoopopbrengst, dat wil zeggen het verschil tussen de (netto) verkoopopbrengst van € 114.961,64 en het vergoedingsrecht van [de vrouw] van € 170.100.

4.4

De rechtbank overweegt als volgt.

4.5

In zijn arrest van 21 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU8938) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij verdeling van de gemeenschap iedere echtgenoot recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van het gemeenschapsgoed heeft besteed, en dat hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde, of bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap toekomt. Dat uitgangspunt heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens te gelden als een negatieve verkoopopbrengst resteert. De deelgenoten dienen naar rato van hun aandeel

– in dit geval dus ieder voor de helft – te delen in de waardedaling van het gemeenschappelijke goed. De rechtbank verwijst ter ondersteuning hiervan naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:4050, rov. 10, en het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1992, NJ 1992, 651. In laatstgenoemd arrest was, evenals hier, sprake van een eenvoudige gemeenschap bestaande uit een gemeenschappelijke woning die op beider naam stond en die was gefinancierd deels met een op beider naam staande hypotheek en deels door middel van een privé-investering van de vrouw. Ook in dat geval was sprake van een negatieve waarde van de woning ten gevolge van een crisis op de woningmarkt. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer de deelgenoten een goed op beider naam krijgen, ieder voor de helft, dat goed in beginsel voor rekening en risico van beide deelgenoten is, hetgeen tot gevolg heeft dat een waardestijging aan ieder voor de helft toekomt en een waardedaling door ieder voor de helft wordt gedragen. De rechtbank is van oordeel dat genoemd beginsel, dat een waardedaling door ieder der partijen voor de helft moet worden gedragen, de grondslag vormt voor het in geding zijnde vorderingsrecht van [de vrouw] op [de man] tot vergoeding aan haar van de helft van de negatieve verkoopopbrengst. Indien het vergoedingsrecht van [de vrouw] immers zou worden beperkt tot het bedrag dat zij vanuit de gemeenschap gerestitueerd krijgt, zou afbreuk worden gedaan aan het uitgangspunt dat beide deelgenoten de helft van de waardedaling dienen te dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de vrouw] aanspraak heeft op betaling door [de man] van de helft van de negatieve (netto) verkoopopbrengst, zijnde

(€ 114.961,64 - € 170.100 = ) € 55.138,36 : 2 = € 27.569,18.

4.6

De rechtbank ziet, anders dan door [de man] is bepleit, geen reden om hiervan op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken. De rechtbank volgt [de man] niet in zijn stelling dat de crisis op de woningmarkt die de waardedaling van de woning heeft veroorzaakt dient te worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid in de zin van hert arrest Kriek/Smit. In het onder 4.5 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1992 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar het arrest Kriek/Smit, geoordeeld dat er geen sprake is van een uitzondering op grond van de redelijkheid en billijkheid op de grond dat zich op de Nederlandse onroerend goed markt een ontwikkeling heeft voorgedaan waardoor een op beider naam staande woning sterk in waarde is gestegen of gedaald. Een dergelijke ontwikkeling kan ook niet worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid, omdat partijen door de verkrijging bij helfte het risico van waardestijgingen en –dalingen verdisconteren, aldus de Hoge Raad (rov. 3.5). De rechtbank ziet geen aanleiding hier thans anders over te denken.

4.7

Ook de omstandigheid dat de financiële positie van [de vrouw] gunstiger is dan die van [de man] , hetgeen overigens door [de vrouw] is betwist en door [de man] niet nader is onderbouwd, vormt, zo al juist, een onvoldoende bijzondere omstandigheid om van het onder 4.5 bedoelde uitgangspunt af te wijken.

4.8

De rechtbank neemt voorts nog in aanmerking dat beide partijen, en dus ook [de man] , hebben geprofiteerd van de privé-investering door [de vrouw] in de woning, aangezien die investering heeft geresulteerd in substantieel lagere maandelijkse woonlasten dan indien voor de gehele aankoopprijs een hypotheek zou zijn afgesloten. Voor zover al juist zou zijn dat partijen zonder de privé-investering van [de vrouw] geen lening van deze omvang zouden zijn aangegaan, hetgeen [de vrouw] betwist, geldt dat partijen in dat geval dankzij de investering van [de vrouw] over een grotere en duurdere woning en dus over meer woongenot hebben beschikt dan zonder deze investering het geval zou zijn geweest.

4.9

De rechtbank concludeert dat [de vrouw] aanspraak heeft op uitbetaling aan haar van het in depot staande bedrag van € 114.961,64. Tevens dient [de man] aan [de vrouw] een bedrag van

€ 27.569,18 te voldoen.

De rentevergoeding

4.10

[de vrouw] heeft aan haar vordering tot vergoeding van de rente artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst ten grondslag gelegd. Volgens [de vrouw] is gelet op dit artikel de inbreng van € 170.100 per 1 april 2014, zijnde de datum van ontbinding van de samenlevingsovereenkomst, opeisbaar en rentedragend geworden. [de vrouw] is in haar berekening van de rentevergoeding uitgegaan van de hoogte van de wettelijke rente. Zij heeft de rente over de periode van 1 april 2014 tot 29 maart 2016 becijferd op € 8.070,30. Zij vordert vergoeding van de helft van deze rente, zijnde € 4.035,15 van [de man] .

4.11

[de man] stelt zich op het standpunt dat de situatie waarop artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst ziet niet van toepassing is. Artikel 6 lid 4 ziet op de situatie dat één van beide partijen meer dan zijn/haar aandeel van de koopsom heeft betaald. Deze partij heeft dan voor het meerdere een vordering op de andere partij, die opeisbaar wordt bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst. Nu de koopsom van de woning plus de bijbehorende kosten ruim € 386.000 bedroeg, is het aandeel van [de vrouw] daarin € 193.000. Door een bedrag van € 170.100 te investeren, heeft [de vrouw] dus niet meer dan haar aandeel voldaan. Er is dus geen sprake van een opeisbare vordering, aldus [de man] .

4.12

De rechtbank is met [de vrouw] van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 6 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst meebrengt dat in een geval als dit, waarin de woning deels is gefinancierd met een op naam van beide partijen staande hypotheek, bij de uitleg van het begrip “meerdere” rekening moet worden gehouden met deze hypotheek. Voor dit deel van de financiering van de woning zijn partijen immers ieder voor de helft draagplichtig. Voor het resterende deel van € 170.100 geldt, dat beide partijen gehouden zijn daarvan 50% te financieren uit privémiddelen. [de vrouw] heeft evenwel het volledige bedrag gefinancierd en dus meer dan haar aandeel, en wel 50% van € 170.100, zijnde € 85.050. Over dit meerdere heeft zij op grond van artikel 6 lid 4 een rentevordering op [de man] .

4.13

[de man] heeft wel het bestaan van deze rentevordering betwist, maar heeft niet betwist dat deze rentevordering –zo deze bestaat - opeisbaar is geworden op het moment van ontbinding van de samenlevingsovereenkomst, en dus op 1 april 2014. [de man] heeft ook de in de dagvaarding opgenomen renteberekening niet betwist, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

4.14

Het voorgaande betekent dat [de man] aan [de vrouw] over de periode van 1 april 2014 tot aan de uitbetaling aan [de vrouw] van het door haar geïnvesteerde bedrag de wettelijke rente over het bedrag van € 85.050 dient te voldoen, tot en met 29 maart 2016 becijferd op € 4.035,15.

De kosten van de huishouding

4.15

[de vrouw] heeft met een beroep op artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst een bedrag van € 12.000 van [de man] gevorderd ter zake van de kosten van de huishouding. [de vrouw] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij een groter deel van de kosten van de huishouding heeft gedragen dan waartoe zij op grond van artikel 3 was gehouden.

4.16

Het meest verstrekkende verweer van [de man] is dat [de vrouw] niet-ontvankelijk is in deze vordering, omdat artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst een vervalbeding bevat. [de vrouw] heeft volgens [de man] niet telkens binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het bedrag dat zij volgends haar te veel heeft betaald aan huishoudelijke kosten teruggevorderd.

4.17

De rechtbank is met [de man] van oordeel dat sprake is van een vervalbeding. De vraag is dus of [de vrouw] telkens binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar een vordering als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst heeft ingediend. [de vrouw] heeft over de jaren 2008 tot en met 2013 een “Financieel overzicht. Gemeenschappelijke huishouding [de man] - [de vrouw]” overgelegd. [de vrouw] stelt dat zij deze overzichten jaarlijks heeft opgesteld en ook jaarlijks aan [de man] heeft gegeven. Het verstrekken van deze overzichten moet volgens haar worden aangemerkt als het instellen van een vordering als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst. [de man] heeft betwist dat deze overzichten hem jaarlijks werden verstrekt. Ter zitting heeft [de man] gezegd dat hij voor het eerst in 2013 deze overzichten, óók die van de daaraan voorafgaande jaren, heeft ontvangen. [de man] heeft voorts betwist dat de verstrekking van deze overzichten kan worden aangemerkt als het instellen van een vordering en dat hij dit in ieder geval nooit zo heeft begrepen. Hij heeft deze overzichten opgevat als louter een overzicht van hun financiële situatie en heeft niet begrepen dat [de vrouw] daarmee beoogde een vordering in te stellen tot verrekening of terugvordering van de huishoudelijke kosten.

4.18

De rechtbank constateert dat in de financiële overzichten niet wordt verwezen naar artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst. In deze overzichten is ook niet vermeld dat deze zijn bedoeld als vordering tot verrekening of terugvordering van de huishoudelijke kosten. De overzichten bevatten de balans van de financiële positie van partijen per het einde van een kalenderjaar. In de overzichten zijn – onder meer – de huishoudkosten over het betreffende kalender jaar opgenomen, alsmede de bijdragen van partijen hierin. De overzichten bevatten echter geen duidelijke conclusie tot welk resultaat dat concreet leidt, in die zin dat niet is opgenomen dat [de vrouw] een vordering op [de man] heeft terzake van de huishoudelijke kosten en voor welk bedrag. Nog daargelaten dat [de man] de jaarlijkse verstrekking van deze overzichten heeft betwist, zijn deze overzichten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende specifiek om de verstrekking daarvan te kunnen aanmerken als het indienen van een terugvordering als bedoeld in artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst. [de man] heeft deze overzichten dan ook niet als zodanig hoeven te begrijpen. Dat geldt temeer nu ook niet is komen vast te staan dat [de vrouw] [de man] mondeling heeft toegelicht dat deze overzichten dienden als terugvordering van de huishoudelijke kosten.

4.19

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [de man] zich met succes op het vervalbeding kan beroepen. De overige stellingen van partijen kunnen daarom onbesproken blijven.

4.20

Gezien het voorgaande wordt de vordering van [de vrouw] ter zake van de huishoudelijke kosten afgewezen.

in reconventie

De pensioenvordering

4.21

[de man] heeft aan zijn pensioenvordering ten grondslag gelegd dat [de vrouw] de artikelen 1 en 10 van de samenlevingsovereenkomst niet is nagekomen, nu zij gedurende de samenwoning geen pensioen heeft opgebouwd, hoewel zij daartoe gelet op voornoemde artikelen wel verplicht was. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de bedoeling van deze artikelen is geweest om te voldoen aan een verplichting van moraal en fatsoen om elkaar bij overlijden verzorgd achter te laten. Hieruit vloeit volgens [de man] de verplichting voort om ook daadwerkelijk een pensioen op te bouwen. [de vrouw] heeft betwist dat de artikelen 1 en 10 ertoe strekken partijen te verplichten pensioen op te bouwen.

4.22

Tussen partijen is niet in geschil dat [de vrouw] in het verleden bij twee pensioenfondsen pensioen heeft opgebouwd uit eerdere dienstbetrekkingen en dat [de vrouw] [de man] bij deze pensioenfondsen heeft aangemeld voor het partnerpensioen. In zoverre heeft [de vrouw] voldaan aan de artikelen 1 en 10 van de samenlevingsovereenkomst. Tevens is niet in geschil dat [de vrouw] tijdens de samenleving geen pensioen heeft opgebouwd, ook niet in eigen beheer.

4.23

De rechtbank is met [de vrouw] van oordeel dat uit de artikelen 1 en 10 van de samenlevingsovereenkomst uitsluitend de verplichting voortvloeit om áls er pensioen wordt opgebouwd en áls dat pensioen de mogelijkheid van een partnerpensioen bevat, de ander aan te melden voor dat partnerpensioen. Daaraan heeft [de vrouw] voldaan. De rechtbank is van oordeel dat hierin niet de verplichting kan worden gelezen om pensioen op te bouwen. Dat deze artikelen wel zo zijn bedoeld door partijen is door [de vrouw] betwist en door [de man] in het licht van de betwisting door [de vrouw] onvoldoende nader onderbouwd. Dat klemt te meer nu [de vrouw] onweersproken heeft gesteld dat zij ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst reeds zelfstandig ondernemer was en ook toen al geen pensioen opbouwde.

4.24

Gelet op het voorgaande is er geen sprake van de [de vrouw] tekort is geschoten in de nakoming van de artikelen 1 en 10 van de samenlevingsovereenkomst.

4.25

De vordering van [de man] zal dan ook worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

4.26

Nu partijen ex-partners zijn, zal de rechtbank de kosten van de procedure compenseren aldus dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.

Waarmerken vonnis als Europese executoriale titel

4.27

[de vrouw] heeft gevorderd het vonnis in deze zaak als Europese executoriale titel (EET) in de zin van Verordening (EG) 805/2004 te waarmerken. De EET-Verordening heeft blijkens artikel 1 ten doel een Europese executoriale titel in het leven te roepen voor niet-betwiste schuldvorderingen. In artikel 3 van de EET-Verordening is bepaald dat een schuldvordering als niet-betwist wordt beschouwd als de schuldenaar:

a. a) uitdrukkelijk met de vordering heeft ingestemd door deze te erkennen in een schikking

die door een gerecht is goedgekeurd of die in de loop van de gerechtelijke procedure voor een gerecht is getroffen; of

b) de schuldenaar zich niet, overeenkomstig de toepasselijke vormvoorschriften volgens het recht van de lidstaat van oorsprong, in de loop van de gerechtelijke procedure tegen de schuldvordering heeft verweerd; of

c) de schuldenaar tijdens de terechtzitting over de schuldvordering niet is verschenen of was vertegenwoordigd, nadat hij die schuldvordering in de loop van de procedure aanvankelijk had betwist, op voorwaarde dat deze handelwijze volgens het recht van de lidstaat van oorsprong gelijkstaat met een stilzwijgende erkenning van de schuldvordering of van de door de schuldeiser beweerde feiten; of

d) de schuldenaar bij authentieke akte uitdrukkelijk de schuldvordering heeft erkend.

4.28

In deze procedure is geen sprake van een van deze situaties. De vordering het vonnis te waarmerken als EET wordt daarom afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1

veroordeelt [de man] zijn medewerking te verlenen aan de uitbetaling aan [de vrouw] van het in depot staande bedrag van € 114.961,64;

5.2

veroordeelt [de man] tot betaling aan [de vrouw] van een bedrag van € 27.569,18;

5.3

veroordeelt [de man] tot betaling aan [de vrouw] van een rentevergoeding ter hoogte van de wettelijke rente over een bedrag van € 85.050, vanaf 1 april 2014 tot aan de dag dat de onder 5.1 en 5.2 vermelde bedragen door [de man] aan [de vrouw] zijn voldaan;

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.5

verklaart dit vonnis voor wat betreft het onder 5.1, 5.2 en 5.3 gestelde uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.6

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie

5.7

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.1

1 type: coll: