Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3044

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
517786
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verbetering akte met daarbij latere vermelding/voornaamswijziging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 16-6853

Zaaknummer: C/09/517786

Datum beschikking: 27 februari 2017

Verbetering van akte met daarbijgaande latere vermelding / voornaamswijziging

Beschikking op het op 7 september 2016 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] en [verzoekster]

verzoekers, hierna ook verzoeker dan wel verzoekster,

wonende te Niekerk,

advocaat mr. C.F.M. Seip te Groningen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,

zetelend te Den Haag,

de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 7 november 2016, met bijlagen, van de ambtenaar.

Op 30 januari 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekers bijgestaan door hun advocaat en namens de ambtenaar mevrouw
[naam] en mevrouw [naam] .

Door verzoekers is ter terechtzitting een Filipijns “Certificate of Live Birth” van na te noemen minderjarige overgelegd, opgemaakt op 22 augustus 2012.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt primair tot verbetering van de akte nummer [nr.] van het jaar 2014, ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage op 16 september 2014, houdende de inschrijving van de buitenlandse geboorteakte van het hierna te noemen kind en de daarbij gaande latere vermelding betreffende de adoptie van dat kind door verzoekers, opgemaakt bij de inschrijving van de buitenlandse geboorteakte.

Subsidiair strekt het verzoek tot voornaamswijziging van na te melden minderjarige. Verzoekers verzoeken voorts de ambtenaar te veroordelen in de kosten van het geding.

Feiten

- Op [geboortedatum] is te [geboorteplaats] , Filipijnen, geboren [geboortenaam minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), als dochter van [vader] en [moeder] .

- Bij beslissing van 2 juli 2012 van de “Regional Trial Court” te Calapan City, Filipijnen, is [minderjarige] door verzoekers geadopteerd. Daarbij heeft [minderjarige] , naar Filipijns recht, de namen [minderjarige] [geslachtsnaam verzoekster] [geslachtsnaam verzoeker] verkregen.

- [minderjarige] heeft, na het in kracht van gewijsde gaan van voormelde beslissing, de Nederlandse nationaliteit verkregen.

- Op 20 februari 2013 hebben verzoekers bij de gemeente [naam] een formulier ondertekend aangeduid als: “Verklaring van rechtskeuze voor het toepasselijk naamrecht ter verkrijging van een naam in het buitenland”. Daarin hebben zij verklaard dat zij ervoor kiezen dat Nederlands recht op de naam van [minderjarige] wordt toegepast en hebben zij gekozen voor registratie van de naam “ [minderjarige] [geslachtsnaam verzoeker] ” in de GBA (gemeentelijke basisadministratie, nu genaamd: basisregistratie persoonsgegevens (Brp)).

- Op 9 april 2013 is aan [minderjarige] een Nederlands paspoort afgegeven. Haar voornamen luiden in dat paspoort “ [minderjarige] ”, haar geslachtsnaam luidt “ [geslachtsnaam verzoeker] ”.

- Op 16 september 2014 is de buitenlandse geboorteakte van [minderjarige] ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente Den Haag (akte [aktenummer] ), en is de adoptie van [minderjarige] door verzoekers bij latere vermelding aan die akte gehecht. Daarbij is als geslachtsnaam “ [geslachtsnaam verzoeker] ” opgenomen en als voornamen “ [minderjarige] [geslachtsnaam verzoekster] ”.

Beoordeling

Verzoekers hebben gesteld dat de ambtenaar ten onrechte heeft geweigerd de hiervoor genoemde akte te verbeteren, zodat de voornamen van [minderjarige] “ [minderjarige] ” luiden en niet “ [minderjarige] [geslachtsnaam verzoekster] ”. Ter onderbouwing van hun stelling hebben verzoekers jurisprudentie en correspondentie van hen met de ambtenaar en van hen met de ombudsman van de gemeente Den Haag in het geding gebracht.

Volgens verzoekers heeft [minderjarige] naar Filipijns recht als “middle name” de naam [geslachtsnaam verzoekster] gekregen. Kort weergegeven zijn verzoekers van mening dat [minderjarige] , op het moment van inschrijving van de geboorteakte van [minderjarige] in het register van de ambtenaar, de Nederlandse nationaliteit had en dat de ambtenaar op dat moment dus Nederlands recht op de namen van [minderjarige] had moeten toepassen. Voor zover nodig beroepen verzoekers zich op (analoge toepassing van) artikel 10:25 lid 1 sub c BW. Voorts voeren zij aan dat de Nederlandse wet nadrukkelijk de mogelijkheid afwijst om zowel de geslachtsnaam van de vader als van de moeder als geslachtsnaam van een kind te hanteren en dat de uit hun huwelijk geboren kinderen ook niet (mede) de geslachtsnaam van hun moeder voeren. Daarnaast voeren verzoekers aan dat [geslachtsnaam verzoekster] een geslachtsnaam is en derhalve, naar Nederlands recht, als voornaam ongepast is. Tot slot beroepen verzoekers zich, gelet op de verklaring van naamskeuze die zij bij de gemeente [naam] hebben ingevuld, op het vertrouwensbeginsel.

De ambtenaar voert verweer. Hij stelt zich - kort weergegeven - op het standpunt dat hij niet anders kan dan de gegevens uit de Filipijnse geboorteakte van [minderjarige] over te nemen en dat de door verzoekers genoemde jurisprudentie niet kan worden gevolgd in de onderhavige zaak, nu in die jurisprudentie de mogelijkheid van een naamskeuze uitsluitend een keuze betreft na een door een Nederlander in het buitenland gesloten huwelijk. Daarnaast meent de ambtenaar dat de naam “ [geslachtsnaam verzoekster] ” hier niet moet worden gezien als een geslachtsnaam maar als een “tussennaam” die volgens geldende jurisprudentie en volgens beleid van de gemeente als voornaam dient te worden beschouwd bij inschrijving in de registers van de burgerlijke stand. De door verzoekers gedane verklaring van rechtskeuze bij de gemeente [naam] kan naar het oordeel van de ambtenaar dan ook niet worden geaccepteerd en verwerkt op de geboorteakte van [minderjarige] . Uit geldende jurisprudentie valt af te leiden dat dit slechts het geval kan zijn wanneer een Nederlander door huwelijk in het buitenland een andere dan zijn bij geboorte verkregen naam, krijgt.

De ambtenaar meent dat voor verzoekers, om tot het voor hun gewenste resultaat te komen, slechts de weg van een procedure op grond van artikel 1:4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) openstaat.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat de Filipijnse adoptiebeslissing van rechtswege voor erkenning in aanmerking komt en ook niet in geschil is dat bij die beslissing de namen van [minderjarige] zijn vastgesteld zoals hiervoor vermeld, met als voornamen [minderjarige] , als ‘middle name’ [geslachtsnaam verzoekster] en als geslachtsnaam [geslachtsnaam verzoeker] . Daarnaast hebben verzoekers ter zitting nog eens bevestigd dat het hun wens was (en is) om de geslachtsnaam van [minderjarige] ‘ [geslachtsnaam verzoeker] ’ te laten zijn. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verzoekers na het in kracht van gewijsde gaan van die beslissing in Nederland het recht hadden (alsnog) een naamskeuze te doen, dan wel (alsnog) een keuze konden maken voor het op de namen toepasselijke recht bij inschrijving van de akte van geboorte en van de beslissing tot adoptie.

De rechtbank is van oordeel dat de namen van [minderjarige] zoals opgenomen in de Filipijnse adoptiebeslissing van 15 augustus 2012 en de naar aanleiding daarvan opgemaakte (nieuwe) Filipijnse geboorteakte van 22 augustus 2012 op grond van artikel 10:24 BW in Nederland moeten worden erkend. Ten tijde van de adoptiebeslissing en het vaststellen van deze namen was [minderjarige] nog niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Zij verkreeg deze eerst bij het in kracht van gewijsde gaan van die beslissing en derhalve ook pas na het vaststellen van haar namen, op welk moment zij nog de Filipijnse nationaliteit had. Haar namen zijn dan ook terecht op grond van Filipijns recht vastgesteld. Dat betekent dat bij inschrijving van haar gegevens in de registers van de burgerlijke stand in beginsel dient te worden uitgegaan van de in de adoptiebeslissing en de geboorteakte vermelde gegevens.

De rechtbank kan verzoekers niet volgen in hun standpunt dat zij (namens [minderjarige] ) op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5517) zouden kunnen afwijken van hetgeen is bepaald in artikel 10:24 BW. De rechtbank overweegt daartoe dat in voormelde uitspraak door de Hoge Raad een keuzemogelijkheid wordt gecreëerd voor Nederlanders wiens namen als gevolg van een verandering in de persoonlijke staat in het buitenland worden gewijzigd terwijl zij erop vertrouwden (en erop mochten vertrouwen) dat zij hun Nederlandse naam behielden. De rechtbank is echter, zoals hiervoor overwogen, van oordeel dat [minderjarige] ten tijde van de naamswijziging (en ook daarvoor) geen Nederlandse was, maar Filipijnse, en zij had ook niet al een naar Nederlands recht verkregen naam, zodat een beroep op voormelde jurisprudentie reeds om die reden niet kan slagen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding tot een analoge toepassing van deze jurisprudentie op grond waarvan toch een keuzemogelijkheid aan verzoekers (of andere adoptiefouders) zou moeten worden geboden. Daarbij betrekt de rechtbank dat er in Nederland een procedure is waarmee de namen (zowel voornamen als geslachtsnamen) kunnen worden gewijzigd om te komen tot het door verzoekers beoogde resultaat. De bij de gemeente [naam] door verzoekers afgelegde verklaring houdt derhalve ook geen rechtens geldende wijziging van de naam (voornaam of geslachtsnaam) van [minderjarige] in, maar slechts een verzoek van verzoekers over de wijze waarop de naam van [minderjarige] in de BRP zou moeten worden geregistreerd. Nu de wet limitatief voorschrijft op welke wijze namen kunnen worden gewijzigd, kan het door verzoekers gedane beroep op het vertrouwensbeginsel ook niet tot de conclusie leiden dat de naam van [minderjarige] thans reeds (door invulling van dit formulier) gewijzigd is in de door verzoekers gestelde zin.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank artikel 10:25 lid 1 sub c BW van toepassing. Verzoekers hebben ter zitting verklaard dat zij ten tijde van de adoptie hebben kunnen kiezen voor de geslachtsnaam van [minderjarige] , te weten: “ [geslachtsnaam verzoeker] ”. Voormeld artikel is geschreven voor de situatie dat adoptiefouders bij een buitenlandse adoptie geen keuzemogelijkheid hebben gehad ten aanzien van de geslachtsnaam. Die situatie doet zich niet voor. De rechtbank ziet evenmin in het door verzoekers aangevoerde aanleiding om met analoge toepassing van dit artikel tot de conclusie te komen dat er een (keuze)bevoegdheid van adoptiefouders bestaat (of in dit artikel moet worden gelezen) om een bij adoptie in het buitenland gegeven middle name naderhand in Nederland te doen wegvallen enkel door een gezamenlijke verklaring van adoptiefouders, en dus buiten de in de wet voorziene procedures om tot naamswijziging te komen om.

Vervolgens ligt de vraag voor op welke wijze deze naar Filipijns recht vastgestelde ‘middle name’ in de Nederlandse registers moet worden geregistreerd. In Nederland wordt slechts een onderscheid gemaakt tussen voornaam en geslachtsnaam. De wet kent geen ‘middle name’ of tussennaam, zodat er ook geen wettelijke grondslag is voor een aparte registratie van een middle name of tussennaam. De middle name bestaat naar Filipijns recht uit de geslachtsnaam van de moeder (of de eerste letter daarvan). Uit de overgelegde informatie van verzoekers en de ambtenaar en de uitleg ter zitting van verzoekers, leidt de rechtbank af dat de middle name in ieder geval niet bedoeld is als geslachtsnaam. Verzoekers zelf hebben overigens ook niet de intentie (gehad) [minderjarige] een dubbele geslachtsnaam te geven. De rechtbank overweegt dat een vergelijkbaar probleem zich voordoet bij de registratie in de burgerlijke stand van het in sommige landen voorkomende patroniem. Ook dit is naar zijn aard een voornaam noch een geslachtsnaam. In de jurisprudentie is algemeen aanvaard dat een patroniem als extra voornaam wordt geregistreerd. Ook ten aanzien van de middle name is de rechtbank van oordeel dat registratie als extra voornaam het meest recht doet aan de functie van die middle name.

Dat de middle name bij een aangifte van geboorte in Nederland door de ambtenaar zou moeten worden geweigerd, nu deze overeenstemt met een bestaande geslachtsnaam en geen gebruikelijke voornaam is, maakt dit niet anders. Immers, het betreft hier een buitenlandse akte en de daarin voorkomende namen moeten door de ambtenaar worden erkend. De ambtenaar heeft gelet op de erkenning van de buitenlandse akte geen wettelijke bevoegdheid - anders dan wanneer het een geboorteaangifte in Nederland zou betreffen - bij inschrijving van die akte te beoordelen of de aan een kind gegeven namen gepast zijn.

De ambtenaar heeft de buitenlandse geboorteakte dan ook juist ingeschreven in de registers, zodat het primaire verzoek moet worden afgewezen.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat voldoende is gebleken van een zwaarwichtig belang bij toewijzing van het verzoek tot voornaamswijziging en zal het subsidiair verzochte toewijzen zoals hierna vermeld.

De ambtenaar heeft aangegeven dat de gemeente de kosten van de procedure van verzoekers, gelet op de principiële karakter van het verzoek, voor zijn rekening zal nemen. Gelet hierop kan het verzoek van verzoekers op dit punt worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het primaire verzoek;

gelast de wijziging van de voornamen van [minderjarige] in die zin dat de voornamen zullen luiden: “ [minderjarige] ”;

veroordeelt de ambtenaar in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekers gemaakt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M. Westerhuis-Evers, M.P. Verloop en J.C. Sluymer, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2017.