Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3042

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
09/827243-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827243-16

Datum uitspraak: 28 maart 2017

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

BRP-adres: [adres] .

Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 augustus 2016 (niet inhoudelijk) en 14 maart 2017 (inhoudelijk).

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. C. Sam-Sin heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde. Voorts heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering.

De rechtbank heeft ten slotte kennis genomen van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht. De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 mei 2016 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [benadeelde] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [benadeelde] met een hamer op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 mei 2016 te Delft [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een hamer op het hoofd heeft geslagen.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de vraag naar de bewezenverklaring van het tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat in de vroege ochtend op 2 mei 2016 in Delft in de woning van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) een vechtpartij heeft plaatsgevonden. Hierbij waren [benadeelde] en de verdachte betrokken. Als gevolg van deze vechtpartij heeft [benadeelde] een hoofdwond opgelopen en de verdachte een steekwond in zijn kuit. Bovendien kan de rechtbank vaststellen dat er een klauwhamer en een mes aanwezig waren.

De verklaringen van de verdachte en [benadeelde] over de gebeurtenissen voorafgaand aan en tijdens de vechtpartij verschillen. Uit beide verklaringen valt echter af te leiden dat de verdachte - bewust of onbewust - met de klauwhamer het voorhoofd van [benadeelde] heeft geraakt.

Voordat de rechtbank de vraag kan beantwoorden of de verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet had op het doden van [benadeelde] , dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of de verdachte [benadeelde] opzettelijk met een klauwhamer heeft geslagen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen vaststellen dat de verdachte opzettelijk met een klauwhamer op het hoofd van [benadeelde] heeft geslagen. De rechtbank kan niet uitsluiten dat dit per ongeluk tijdens de worsteling om de klauwhamer is gebeurd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde feiten. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Vordering benadeelde partij

Nu de rechtbank de verdachte van het hem ten laste gelegde zal vrijspreken, zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding en wordt hij veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Het in beslag genomen voorwerp

Omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten van het op de beslaglijst (die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) genoemde voorwerp aan de verdachte.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten:

1 1.00 STK Telefoontoestel Kl: zwart

ALCATEL Onetouch.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. M.J.J. Visser, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2017.