Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
09/818147-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in een periode van ongeveer vier en een half jaar ontucht gepleegd met zijn minderjarige dochter, die in het begin nog maar zes jaar oud was. De ontuchtige handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam, maar hierbij heeft geen penetratie met de penis plaatsgevonden. De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Gevangenisstraf voor de duur van tweeëndertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Behandelverplichting, meldplicht en contactverbod met dochter als bijzondere voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/818147-16

Datum uitspraak: 28 maart 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 november 2016 (regiezitting) en 14 maart 2017 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. M.C. Levy, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 14 maart 2017 - ten laste gelegd dat:

hij in de periode van op of omstreeks 01 januari 2010 tot en met 3 december 2015 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op 31 december 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (meermalen) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte

- meermalen met zijn vingers/hand(en) de vagina van die [slachtoffer] betast en/of

- meermalen over en/of in de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- meermalen zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- meermalen met zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of

- meermalen zichzelf afgetrokken in de aanwezigheid van die [slachtoffer] ;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de periode van op of omstreeks 01 januari 2010 tot en met 3 december 2015 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op 31 december 2003, bestaande die ontucht hierin dat hij

- meermalen met zijn vingers/hand(en) de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- meermalen de vagina van die [slachtoffer] heeft gelikt en/of

- meermalen zich heeft laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- meermalen met zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of

- meermalen zichzelf heeft afgetrokken in de aanwezigheid van die [slachtoffer] .

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt primair verweten - zakelijk weergegeven - dat hij zich in een periode van vijf jaren meermalen schuldig heeft gemaakt aan ontucht met zijn minderjarige dochter, waarbij de handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn dochter. Subsidiair zijn de handelingen ten laste gelegd als ontucht.

De verdachte heeft het feit bekend, zij het dat het volgens de verdachte om een kortere periode ging en zij het dat hij ten aanzien van twee handelingen (gedachtestreepjes) een andere lezing heeft dan zijn dochter.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat dit feit is gepleegd in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 februari 2015.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit is gepleegd in de periode van november 2012 tot en met om en nabij 3 maart 2015. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte seksueel is binnengedrongen in het lichaam van zijn dochter door haar in haar vagina te likken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Primair

Voor zover de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van het feit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het hierna vermelde bewezen verklaarde feit heeft begaan, op de hierna vermelde bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 44 t/m 61;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 39;

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 14 maart 2017.

De periode
De rechtbank stelt vast dat verdachtes dochter met betrekking tot het begin van de periode heeft verklaard dat zij denkt dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden vanaf 2010 en dat zij zes of zeven was.2 De vertrouwensarts [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft verklaard dat het is begonnen toen zijn dochter zes à zeven jaar oud was. Zij vond het wassen van de genitaliën lekker en dat wond hem ook op. Het is toen verder gegaan in bed.3 De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan bovengenoemde verklaringen en zal de verdachte derhalve niet volgen in zijn verklaring dat de ontuchtige handelingen eerst zijn begonnen in november 2012.

Nu verdachtes dochter op 31 december 2009 zes jaar oud was en op 31 december 2010 zeven jaar oud, gaat de rechtbank uit van een begindatum van 1 juli 2010.

Ten aanzien van het einde van de periode is de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de ontuchtige handelingen - gelet op de verklaringen van verdachtes dochter en de verdachte - eind februari 2015 zijn gestopt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in de pleegperiode van 1 juli 2010 tot en met 28 februari 2015.

Penis duwen tegen de vagina
Als ontuchtige handeling is mede ten laste gelegd het meermalen duwen van zijn penis tegen de vagina van zijn dochter. De verdachte heeft verklaard dat zijn dochter op zijn buik lag, waarbij zij beiden naakt waren.4 Hij kan zich niet herinneren - zoals zijn dochter heeft verklaard5 - dat zijn penis hierbij op en neer ging en haar vagina aanraakte en dat zijn dochter haar lichaam op en neer moest doen terwijl hij dat ook deed. Hij heeft ter terechtzitting wel verklaard dat hij zich kan voorstellen en dat het mogelijk was dat hij opgewonden was en een stijve penis had.6

De rechtbank stelt vast dat de verdachte naakt op zijn rug op het bed lag en dat zijn dochter naakt op haar buik op verdachtes buik lag. De rechtbank acht het aannemelijk dat wanneer de verdachte opgewonden was, zijn stijve penis tegen de vagina van zijn dochter kwam. Dat dit door zijn dochter is ervaren als het duwen van zijn penis tegen haar vagina en het met de penis langs haar vagina gaan, acht de rechtbank goed mogelijk. Verdachtes dochter heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over deze ontuchtige handeling. Gelet op de overeenkomstige verklaring van de verdachte dat ze beiden naakt waren en op elkaar lagen en dat hij het zich kan voorstellen dat hij opgewonden was - en rekening houdend met de vele andere ontuchtige handelingen die de verdachte heeft bekend te hebben gepleegd met zijn dochter -, acht de rechtbank het verder niet onaannemelijk dat de verdachte hierbij op en neer gaande bewegingen heeft gemaakt met zijn lichaam, waarbij de stijve penis van de verdachte tegen de vagina van zijn dochter wordt geduwd. Dat de verdachte zich dit niet kan herinneren, maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte meermalen zijn penis tegen de vagina van zijn dochter heeft geduwd. De rechtbank beschouwt dit als handelingen van seksuele aard, in strijd met de sociaal-ethische normen.

Seksueel binnendringen

Als ontuchtige handeling is mede ten laste gelegd het likken over en/of in de vagina van zijn dochter. Het likken in de vagina is te kwalificeren als het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn dochter door de verdachte. Verdachtes dochter heeft verklaard dat de verdachte met zijn tong in haar vagina ging zuigen.7 De verdachte heeft verklaard dat hij zijn dochter over haar clitoris heeft gelikt en dat hij daarbij misschien een keer over de vagina is gegaan.8 De verdachte heeft voorts verklaard dat hij dit deed omdat het voor zijn dochter fijn was. Op een gegeven moment vond hij het zelf ook fijn en merkte hij dat hij opgewonden was.

De rechtbank stelt voorop dat het bij het tenlastegelegde feit, te weten artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht, gaat het om de bescherming van zeer jeugdigen tegen ernstige seksuele handelingen die een forse inbreuk opleveren op de (seksuele) integriteit van het lichaam. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het om ‘ieder binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking’.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de clitoris zich bevindt aan de bovenkant van de binnenste schaamlippen, daar waar zij bij elkaar komen. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat de clitoris alleen kan worden bereikt achter of tussen de schaamlippen.

Verdachtes dochter heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over deze ontuchtige handeling. De rechtbank ziet, mede gelet op de verklaring van de verdachte - en rekening houdend met de vele andere ontuchtige handelingen die de verdachte heeft bekend te hebben gepleegd met zijn dochter - geen aanleiding te twijfelen aan haar verklaring. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door de clitoris en de vagina te likken en in de vagina te zuigen seksueel is binnengedrongen in het lichaam van zijn dochter. Deze handelingen van de verdachte hebben per definitie een seksuele strekking en zijn eveneens per definitie een forse inbreuk op de seksuele integriteit van het lichaam van zijn dochter. De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij in de periode van 1 juli 2010 tot en met 28 februari 2015 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] , geboren op 31 december 2003, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte

- meermalen met zijn vingers/hand(en) de vagina van die [slachtoffer] betast en

- meermalen over en in de vagina van die [slachtoffer] gelikt en

- meermalen zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en

- meermalen met zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] geduwd en

- meermalen zichzelf afgetrokken in de aanwezigheid van die [slachtoffer] .

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting bij De Waag en een contactverbod met zijn dochter.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan de verdachte een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging heeft daarbij gewezen op het advies van de deskundigen, het procesverloop en de persoonlijke omstandigheden. Op die manier kan de verdachte de behandeling voortzetten, die mede is gericht op Veilig Samen Verder. Bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de verdachte zijn werkzaamheden als zzp’er niet meer kunnen verrichten, opdrachtgevers verliezen en zijn gezin niet meer financieel kunnen onderhouden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft in een periode van ongeveer vier en een half jaar ontucht gepleegd met zijn minderjarige dochter, die in het begin nog maar zes jaar oud was. De verdachte heeft meermalen haar vagina betast en gelikt, zij heeft hem meermalen afgetrokken, hij heeft zichzelf in haar bijzijn meermalen afgetrokken en hij heeft meermalen met zijn penis tegen haar vagina geduwd. De verdachte heeft zich hiermee gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en een forse inbreuk gemaakt op de seksuele integriteit van zijn dochter. De verdachte heeft op grove wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van zijn dochter die in een afhankelijke relatie tot hem stond. Hij benadrukte bovendien steeds dat zij dit contact met hem geheim moest houden. Daarmee vergrootte hij de druk op en de eenzaamheid van het slachtoffer en verkleinde hij de kans dat het misbruik aan het licht zou komen. Het is nog eens temeer kwalijk dat de ontucht heeft plaatsgevonden in de woning, juist de plek waar zijn dochter zich veilig zou moeten kunnen voelen.

De verdachte heeft geen oog gehad voor de nadelige gevolgen van zijn handelen voor zijn dochter. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer blijkt dat zijn dochter mede als gevolg van dit alles met de nodige persoonlijke problematiek te kampen heeft en dat langdurige behandeling voor haar is ingezet. De verdachte heeft zich van de negatieve gevolgen van zijn handelen geen enkele rekenschap gegeven. Hij heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen (seksuele) behoeftes.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 13 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van dr. R.A.R. Bullens (klinisch psycholoog), van 29 augustus 2016. In dit rapport wordt geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een autismespectrum stoornis (i.e. stoornis van Asperger) en - naar het lijkt: vooral vanuit een gedragsmatig gezichtspunt en niet zozeer voorkomend vanuit een seksuele deviatie c.q. parafilie - tevens van pedofilie van het niet-exclusieve type. Deze problematiek was ten tijde van het ten laste gelegde bij de verdachte aanwezig, aldus de deskundige. Vanuit zijn autismespectrumstoornis heeft de verdachte er nooit bij stilgestaan waarom zijn gedrag niet door de beugel kon en wat de impact van zijn gedrag op anderen zou kunnen zijn. Daarnaast is er sprake van een vermijdende copingstijl. De verdachte zou niet vanwege pedofiele gevoelens, maar eerder vanuit zijn autismespectrumstoornis en inadequate copingvaardigheden tot het ten laste gelegde zijn gekomen, aldus de deskundige. Hij adviseert de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank volgt de deskundige in zijn conclusie en legt die ten grondslag aan haar oordeel. De verdachte wordt derhalve verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De kans op recidive, zowel op de korte als de lange termijn, wordt door de deskundige als laag ingeschat. Om het recidiverisico blijvend laag te houden is behandeling geïndiceerd. De verdachte lijkt vooralsnog weinig zicht te hebben op de effecten en de impact van zijn handelen. De deskundige adviseert behandeling in een ambulant kader bij een forensisch psychiatrische kliniek als De Waag als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 20 september 2016 en het voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever van 28 februari 2017. De reclassering schat het recidiverisico eveneens als laag in en adviseert, mede gelet op de inhoud van bovengenoemde NIFP-rapportage, een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg. Uit het voortgangsverslag en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte gestart is met behandeling bij De Waag en dat er wordt ingezet op een traject waarbij de nadruk ligt op Veilig Samen Verder. De verdachte heeft voorts aangegeven zijn behandeling te willen voortzetten.

De rechtbank stelt voorop dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit in beginsel tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. In strafverzwarende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de lange periode, het feit dat de verdachte in die periode steeds verder is gegaan met zijn ontuchtige handelingen, dat het feit is begaan tegen zijn dochter (die in een afhankelijke relatie tot hem staat en over wie hij feitelijk overwicht heeft) en dat dit door de verdachte is gepleegd in zijn woning. De rechtbank heeft in strafverminderende zin rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met de omstandigheid dat er weliswaar sprake was van seksueel binnendringen, maar dat er geen penetratie met de penis heeft plaatsgevonden.

Ook de rechtbank ziet de noodzaak van de voortzetting van de behandeling en begeleiding om te voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw aan dit soort feiten schuldig zal maken. Daarom zal de rechtbank een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en ook het door de officier van justitie gevorderde contactverbod met zijn dochter. De rechtbank zal hieraan een proeftijd van drie jaren verbinden.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering naar billijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte bereid is de schade te vergoeden die hij heeft veroorzaakt, voor zover deze zich in waarde laat uitdrukken. De verdediging heeft hierbij aansluiting gezocht bij zaken in de ANWB smartengeldgids die volgens de verdediging vergelijkbaar zijn en verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van ten hoogste € 5.000,00.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer] is door de verdediging niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00 toewijzen aangezien de verdediging de vordering tot dit bedrag heeft erkend en de rechtbank de vordering - mede gelet op hetgeen in soortgelijke zaken wordt toegekend - tot dit bedrag ook voldoende onderbouwd acht voor de situatie zoals die nu is. Deze schadevergoeding ziet op de schade die geleden is tot het moment van deze uitspraak. Nu de toekomstige situatie onzeker is, zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van het op dit punt meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2016 (zijnde de datum van de melding).

Kosten

Nu de vordering van [slachtoffer] wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2016, ten behoeve van [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 32 (tweeëndertig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland (Marconistraat 2 te (3029 AK) Rotterdam) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich houdt aan alle aanwijzingen van de reclassering;

- zich gedurende de proeftijd, indien en wanneer Reclassering Nederland dat noodzakelijk acht, onder behandeling stelt en blijft stellen van de polikliniek De Waag te Rotterdam of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn gedrag richting zijn dochter, middels (forensische) behandeling/psycho-educatie, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen - direct of indirect - met [slachtoffer] (geboren op 31 december 2003), zolang Reclassering Nederland dit, in overleg met De Waag (of soortgelijke instelling) en Veilig Thuis, noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overigens gevorderde wegens immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 december 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015351625, van de politie eenheid Den Haag, dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische opsporing, team Zeden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 101).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 46 en 47.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 39

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 maart 2017.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 en 52.

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 maart 2017.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 55.

8 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, p. 84 en 90.