Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
09/827143-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor huiselijk geweld. Ondanks de weigering van de verdachte om mee te werken aan gedragskundig onderzoek, waaronder in het Pieter Baan Centrum, stelt de rechtbank op basis van een eerdere Pro Justitia rapportage vast dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit leed aan een persoonlijkheidsstoornis. Een minder ingrijpende maatregel is door de rechtbank in overweging genomen, maar om het gevaar voor recidive te kunnen beteugelen, de problematiek van de verdachte op te lossen en ter optimale bescherming van de maatschappij kan alleen worden volstaan met de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827143-16 en 22/003714-14 (tul)

Datum uitspraak: 2 maart 2017

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

[adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 december 2016 en 16 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Benammar en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. T.S.S. Overes, advocaat te Leiden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met kracht op het gezicht en/of de ogen heeft gestompt en/of geslagen en/of tegen het (rechter)oog heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermalen met kracht op het gezicht en/of de ogen en/of de rug te stompen en/of te slaan en/of tegen het (rechter)oog te schoppen;

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met kracht op het hoofd en/of de ogen en/of de kaak heeft gestompt en/of geslagen en/of met kracht de keel heeft vastgepakt en/of dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermalen met kracht op het hoofd en/of de ogen en/of de kaak te stompen en/of te slaan en/of met kracht de keel vast te pakken en/of dicht te knijpen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij zowel op 10 als op 11 maart 2016 heeft geprobeerd zijn toenmalige partner zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en haar daarnaast heeft mishandeld. De verdachte zou haar onder meer tegen het gezicht en de ogen hebben gestompt, tegen het rechteroog geschopt en de keel hebben vastgepakt en dichtgeknepen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De aangeefster heeft wisselende verklaringen afgelegd en deze zijn onbetrouwbaar. Subsidiair kan (voorwaardelijk) opzet op het zwaar lichamelijk letsel niet worden bewezen; de verdachte dient dan ook van de twee primair ten laste gelegde pogingen tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te worden vrijgesproken.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Inleiding

Op 11 maart 2016 heeft [getuige] gezien dat [slachtoffer] (die later aangifte heeft gedaan) een dik en verkleurd oog had, waarbij zij zei dat haar man [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) dat had gedaan en dat dit al langer speelde.2 [getuige] heeft hierop de politie gebeld, waarna de politie contact heeft gezocht met [slachtoffer] en met haar heeft gesproken. Zij wilde op dat moment geen aangifte doen, maar heeft wel verklaard over wat er onder meer op 10 en 11 maart 2016 is gebeurd.

Op 18 mei 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan.3

Verklaringen van [slachtoffer]

Op 11 maart 2016 heeft [slachtoffer] verklaard dat de verdachte haar op 10 maart 2016 met volle vuistslagen in haar gezicht heeft geslagen: zij werd op haar linker- en rechteroog geslagen met zijn vuist. Hij heeft haar ook op haar rug geslagen en tegen haar rechteroog geschopt. Daarnaast heeft zij verklaard dat de verdachte haar op 11 maart 2016 een volle vuistslag op haar linkeroog heeft gegeven. Vervolgens ging hij volledig los op haar achterhoofd, aldus [slachtoffer] . Hij sloeg haar vol en met harde kracht op haar hoofd en op haar kaak. Dit vond beide keren plaats in hun huis in Ter Aar (het is een feit van algemene bekendheid dat Ter Aar valt onder de gemeente Nieuwkoop).4

Op 12 maart 2016 heeft [slachtoffer] aan de politie verteld dat verdachte haar een dag eerder hard bij haar strot had gepakt en deze met enorme kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij gedurende vijf tot tien seconden geen lucht kreeg. [slachtoffer] heeft verteld dat ze enorm veel pijn aan haar keel had en moeite had met slikken. De verbalisant heeft gerelateerd dat zij bij [slachtoffer] een flinke verdikking aan de linkerzijde van de hals ter hoogte van de kaaklijn en verder naar beneden heeft waargenomen.5

Op 13 maart 2016 heeft [slachtoffer] verklaard dat de verdachte haar op 11 maart 2016 heeft geslagen, waardoor zij een bult op haar voorhoofd kreeg. Zij heeft toen weer verklaard dat verdachte haar ook bij haar strot heeft gepakt en haar strottenhoofd ongeveer 10 seconden heeft dichtgeknepen.6

Letselverklaring

De forensisch arts A.M. de Booij-Fuite (GGD Hollands Midden) heeft op 18 maart 2016 in een brief een uitgebreide beschrijving gegeven van het letsel dat zij naar aanleiding van het onderzoek van [slachtoffer] op 11 maart 2016 heeft geconstateerd. [slachtoffer] is in het bijzijn van de forensisch arts onderzocht door een huisarts en door de Forensische Opsporing zijn foto’s gemaakt van het letsel. Aan de hand van de foto’s met maatvoering heeft de forensisch arts de gedetailleerde letselbeschrijving gemaakt. Hierin wordt letsel bovenop het hoofd beschreven: dit letsel is vermoedelijk te duiden als onderhuidse bloedinkjes (rode vlekjes) en een bloeduitstorting (verdikking).

Ten aanzien van het letsel aan de ogen beschrijft de forensisch arts zowel bij het rechter oog als bij het linker oog een zwelling, die paarsblauw van kleur is, boven het oog. Bij het linker oog zorgt de zwelling in het gehele bovenooglid ervoor dat het oog niet geheel geopend kan worden. Ook onder het linker oog en rondom de ogen zijn zwellingen waargenomen.

De forensisch arts beschrijft dat in het vooraanzicht van de hals/nek opvalt dat rondom de verticaal verlopende halsspieren aan de linkerzijde sprake lijkt van een zwelling (drukwond of bloeduitstorting). Onderin de hals vooraan en iets naar de zijkanten bevinden zich meerdere rode krasverwondingen (krasverwonding en kneuzing). Aan de rechter zijkant van de hals richting het rechter schouderblad bevinden zich meerdere lichtrood gekleurde vlekken (drukwond of bloeduitstorting).

De forensisch arts beschrijft verder dat er midden op de rug onder het linker schouderblad een ronde blauwe verkleuring zichtbaar is.

Het letsel kan goed passen bij de door [slachtoffer] aangegeven toedracht, aldus de forensisch arts. Het letsel bestaat vooral uit bloeduitstortingen die door stomp uitwendig geweld worden veroorzaakt. De kleurverschillen kunnen duiden op bloeduitstortingen die op een verschillend moment zijn ontstaan en kunnen passen bij een ontstaan ongeveer 1 tot 2 dagen tevoren. Volgens de forensisch arts is het op een aantal plaatsen onwaarschijnlijk dat de bloeduitstortingen accidenteel (bijvoorbeeld doordat [slachtoffer] zelf ergens tegenaan heeft gestoten) zijn ontstaan. Dat geldt met name voor de bloeduitstortingen bij de ogen, bovenop het hoofd en in de hals.7

Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft de tenlastegelegde feiten ontkend. Hij heeft op 10 en 11 maart 2016 geen letsel bij [slachtoffer] gezien.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte op 10 en 11 maart 2016 heeft geprobeerd zijn toenmalige partner zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en haar daarnaast heeft mishandeld.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar is en dat er onvoldoende steunbewijs is. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet en verwerpt derhalve het verweer van de verdediging. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster. Het enkele feit dat de aangeefster tegenover de politie heeft verklaard dat zij in het verleden een leugenachtige verklaring heeft afgelegd over de geestestoestand van de verdachte om hem uit de cel te krijgen, maakt haar verklaringen ten aanzien van het door de verdachte gepleegde geweld niet onbetrouwbaar. De verklaring van de aangeefster wordt bovendien bevestigd door de uitgebreide letselbeschrijving en de verklaring van [getuige] , die de aangeefster op 11 maart 2016 in de ochtend heeft gezien.

Op basis van de verklaringen van de aangeefster stelt de rechtbank vast dat de verdachte zijn toenmalige partner [slachtoffer] op 10 maart 2016 meermalen met zijn vuist op de ogen heeft geslagen, tegen het rechteroog heeft geschopt en haar op de rug heeft geslagen en haar op 11 maart 2016 met zijn vuist op het hoofd en tegen een oog en haar kaak heeft geslagen en haar bij de keel heeft vastgepakt en deze heeft dichtgeknepen. Over de intensiteit heeft de aangeefster verklaard dat de vuistslagen met volle kracht waren, waardoor zij direct pijn voelde. De verdachte haalde vol uit en zij werd vol en met harde kracht geslagen, aldus de aangeefster. Het bij de keel vastpakken was volgens aangeefster hard en het dichtknijpen gebeurde eveneens met kracht. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De verklaringen vinden bovendien steun in het objectief vastgestelde letsel bij de aangeefster. Het enkele feit dat de forensisch arts op verschillende plaatsen zwellingen rondom de ogen van de aangeefster heeft geconstateerd, waarbij het bovenooglid bij haar linkeroog door de zwelling niet geheel kan worden geopend, maakt dat er meermalen met kracht geweldshandelingen moeten hebben plaatsgevonden. Ook het overige geconstateerde letsel past hierbij.

Ten aanzien van het slaan met de vuist, zal de rechtbank hierna spreken van stompen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat aan een persoon zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, als deze persoon meermalen met kracht met een vuist tegen het oog wordt gestompt of als er tegen het oog wordt geschopt. Dit kan breuken in de oogkas en/of blijvende schade aan het oog veroorzaken. De verdachte heeft, door aldus te handelen, deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Op grond van de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten is verwezen en in het licht van de hiervoor vermelde (bewijs)overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich op 10 en 11 maart 2016 opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] , door haar met kracht tegen de ogen te stompen en tegen een oog te schoppen. Ook het hard de keel van [slachtoffer] vastpakken en met kracht dichtknijpen waardoor [slachtoffer] secondenlang geen lucht kreeg kwalificeert de rechtbank als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Met betrekking tot de overige geweldshandelingen op 10 en 11 maart 2016 is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 10 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met kracht op de ogen heeft gestompt en tegen het (rechter)oog heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 10 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door haar op de rug te slaan;

2.

hij op 11 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met kracht op een oog heeft gestompt en met kracht de keel heeft vastgepakt en dichtgeknepen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 11 maart 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, zijn levensgezel, genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door haar meermalen met kracht op het hoofd en de kaak te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

en

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van feit 2:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

en

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De oplegging van de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS) wordt opgelegd.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat eveneens een rechterlijk contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor haar woning aan de [adres slachtoffer] (volgens de maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) wordt opgelegd voor een periode van vijf jaar, bij elke overtreding te vervangen door één week hechtenis. Deze maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een eventuele onvoorwaardelijke straf te beperken tot de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Hiernaast kan eventueel nog een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden worden opgelegd; een TBS-maatregel is volgens de raadsvrouw niet aan de orde.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zijn levensgezel meermalen met zijn vuist tegen haar ogen gestompt, hij heeft haar tegen een oog geschopt, haar meermalen tegen het hoofd, de kaak en de rug geslagen en haar keel vastgepakt en dicht geknepen. Door dit huiselijk geweld heeft zij verschillende verwondingen opgelopen. Ter zitting is bovendien duidelijk geworden dat zij hier ook nog lange tijd klachten aan heeft overgehouden. De verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dit soort excessief geweld heeft voor het slachtoffer ingrijpende psychische gevolgen. Met name het feit dat het slachtoffer zijn levensgezel was en dat het geweld binnenshuis plaatsvond en in het bijzijn van jonge kinderen, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Hetzelfde geldt voor het feit dat de kinderen zijn geconfronteerd met het letsel van hun moeder als gevolg van het handelen van hun eigen vader.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 14 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte meerdere malen voor geweldsdelicten met justitie in aanraking is geweest en dat hem voor die feiten gevangenisstraffen en een taakstraf zijn opgelegd. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich wederom schuldig te maken aan soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages ten aanzien van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van dr. R.A.R. Bullens ((NRGD-geregistreerd) klinisch psycholoog) van 13 april 2016. De verdachte heeft niet aan het onderzoek van de psycholoog willen meewerken. Om die reden kan niet worden beoordeeld of hij ten tijde van het hem ten laste gelegde lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

De rechtbank heeft op 22 juni 2016 bevolen dat de verdachte ter observatie diende te worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum (PBC). De verdachte is vervolgens van 18 augustus 2016 tot 29 september 2016 in het PBC opgenomen en in die periode is hij geobserveerd. J. Vreugdenhil (psychiater) en F.M. van Dorp (GZ-psycholoog) hebben, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team van het PBC, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Zij hebben hun bevindingen vastgelegd in een Pro Justitia rapportage, die op 10 november 2016 is uitgebracht.

Ook aan het onderzoek in het PBC heeft de verdachte zijn medewerking geweigerd. Door de weigering van de verdachte verkregen de psychiater en de psycholoog weinig informatie uit eigen gesprekken en werd geen test- en neuropsychologisch en ook geen medisch onderzoek verricht. De psychiater en psycholoog hebben informatie gehaald uit de beschikbare stukken, het milieuonderzoek en de groepsobservatie. Deze informatie heeft enig beeld van de verdachte gegeven, waaruit beperkt iets valt af te leiden, aldus de rapporteurs. Zo is er volgens de rapporteurs bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van cannabismisbruik, maar dit zou eerder een dempend dan een agressie opwekkend effect hebben. Op basis van de klinische indruk en informatie over eerder functioneren is duidelijk geworden dat er geen sprake is van forensisch relevante beperkingen in de intelligentie. Bij de door verdachte gepleegde geweldsdelicten lijkt er altijd sprake te zijn geweest van reactieve agressie (agressie in reactie op).

Omdat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de onderzoeken van Bullens en in het PBC, heeft de officier van justitie na de terechtzitting van 5 december 2016 op grond van artikel 37, derde lid, juncto artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafecht de Pro Justitia rapportage uit 2014 en een aantal rapporten en verslagen van de Reclassering aan het dossier toegevoegd.

In de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportage van drs. J.J.B. van der Vlugt (psychiater) van 23 april 2014 (onder supervisie van drs. R. Thomassen (psychiater)) wordt geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake was van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven, waarbij zowel antisociale als narcistische kenmerken worden herkend. Daarnaast was er sprake van een paranoïde waan, namelijk de lastercampagne vanuit een elitekring in Leiden om hem te demoniseren, die oncorrigeerbaar was, maar die in een prikkelarme omgeving zodanig kon afnemen dat deze niet meer voldeed aan de kenmerken van een waan. De psychiater zag een argwanende en defensieve houding bij de verdachte en vond dat hij een slachtofferrol aannam en zijn gedrag ontkende of externaliseerde. Verder was de verdachte niet goed in staat zich in anderen in te leven. Als hij het niet eens was met wat er werd gezegd, verhief hij zijn stem en werd hij geladen. Volgens de psychiater wordt verdachtes persoonlijkheid gekenmerkt door gedragingen en afweermechanismen die passen bij een cluster B persoonlijkheidsstructuur. De verdachte voelde zich snel in zijn autonomie aangetast, aangevallen, gekrenkt, vernederd, verraden, afgewezen of in de steek gelaten. Volgens de psychiater kan dit resulteren in woede en razernij met impulsdoorbraken met heftig agressief gedrag. Daarnaast is er sprake van zwart-wit denken, is de verdachte niet goed in staat om zich in te leven in anderen en heeft hij een matig ontwikkelde gewetensfunctie. Hij vindt het geoorloofd om andere mensen iets aan te doen als hij in zijn ogen door hen onder druk wordt gezet. De psychiater schatte destijds het recidiverisico als hoog in, omdat de verdachte als gevolg van de persoonlijkheidsstoornis snel in conflicten terechtkomt. De psychiater acht verdachte in verminderde mate in staat om tijdens deze conflicten zijn emoties, agressie en impulsen te reguleren. Verdachte wordt in verminderde mate geremd door een gezonde gewetensfunctie en heeft de neiging impulsief te reageren en de schuld buiten zichzelf neer te leggen. Hij ziet zichzelf eerder als slachtoffer dan als dader en neemt weinig verantwoordelijkheid voor zijn gedrag. De aanwezigheid van een paranoïde waan vergroot het risico op herhaling van agressief en conflictzoekend gedrag, aangezien verdachte dan nog minder mogelijkheden heeft om zichzelf te sturen. De psychiater adviseerde een cognitief gedragstherapeutische behandeling, gericht op de agressieregulatie, emotieregulatie, leren zich te verplaatsen in een ander en leren de consequenties van zijn gedrag te overzien. Verdachtes gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht zijn problematisch, aldus de psychiater.

Tijdens eerdere reclasseringscontacten heeft de verdachte sinds februari 2014 aangegeven niette willen meewerken aan agressieregulatie-training bij De Waag.

De rechtbank volgt de deskundigen Van der Vlugt en Thomassen in hun conclusie en legt die ten grondslag aan haar oordeel. Nu de gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis van de verdachte onbehandeld is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat deze stoornis, die naar zijn aard duurzaam is, thans nog steeds aanwezig is en ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Dat deze persoonlijkheidsstoornis in de onderzoeken in 2016 niet kon worden vastgesteld, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders; de verdachte heeft namelijk geen medewerking verleend aan de beide onderzoeken.

De persoonlijkheidsstoornis, het feit dat verdachte geen agressieregulatie-training bij De Waag heeft willen volgen en de eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten, brengen de rechtbank tot de conclusie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een (gewelds)misdrijf zal plegen als er voor zijn problematiek geen oplossing wordt gevonden.

De maatregel van terbeschikkingstelling

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de maatregel van TBS, passend en geboden is. Aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel is voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, tijdens het begaan van deze feiten bestond bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling de vraag betrokken of het recidiverisico voldoende kan worden ingeperkt door aan de verdachte een minder ingrijpende maatregel, zoals een verplichte behandeling als bijzondere voorwaarde verbonden aan een gedeeltelijk voorwaardelijke straf of als voorwaarde verbonden aan de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. De maatregel van terbeschikkingstelling is immers een uiterst middel, waartoe in beginsel slechts wordt besloten als alle andere mogelijkheden voor hulpverlening zijn uitgeput.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verplichte behandeling als (bijzondere) voorwaarde onvoldoende kans van slagen. Uit de rapporten van de reclassering is immers gebleken dat de verdachte, ook als hem dat door de rechter wordt opgelegd, weigert behandeling te ondergaan. Bij de verdachte, die geen ziektebesef en dus ook geen ziekte-inzicht heeft, is dus gedwongen behandeling noodzakelijk. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de verdachte nu intrinsiek gemotiveerd is om zich te laten behandelen, zoals ter terechtzitting betoogd. De verdachte, die op 14 maart 2016 tegenover de rechter-commissaris had verklaard te willen meewerken aan psychiatrisch of psychologisch onderzoek, heeft dat vervolgens toch geweigerd. De verdachte is al een jaar lang preventief gedetineerd en heeft in die tijd geen enkel initiatief ondernomen om aannemelijk te maken dat hij mee wil werken aan een behandeling, ook niet na de terechtzitting van 5 december 2016, waarop de officier van justitie kenbaar heeft gemaakt de rapportage uit 2014 aan het dossier toe te willen voegen, of na de raadkamerbehandeling van 25 januari 2017, waar de vordering TBS is aangekondigd. Om het gevaar voor recidive te kunnen beteugelen, om de problematiek van de verdachte op te lossen en ter optimale bescherming van de maatschappij, is de rechtbank van oordeel dat alleen kan worden volstaan met de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De rechtbank zal hiernaast geen straf aan de verdachte opleggen.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten (poging tot) zware mishandeling, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

Ten aanzien van het door de officier van justitie gevorderde rechterlijke contact- en locatieverbod (volgens artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet deze maatregel op te leggen naast de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Nu de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal opleggen, ziet zij - hoewel de verdachte zijn algemene voorwaarden heeft overtreden door opnieuw strafbare feiten te plegen en de vordering daarmee voor toewijzing in aanmerking komt - geen aanleiding om hiernaast de vordering tot tenuitvoerlegging - bij welke vordering de officier van justitie ter terechtzitting heeft gepersisteerd - toe te wijzen. De rechtbank wijst de vordering daarom af.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

en

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van feit 2:

poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

en

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

gelast:

dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.A. Vinken, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechter,

mr. N.I.S. Wallet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016070310, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 153).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 10.

3 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer] , p. 150 en 151.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 12 en 13, met fotobijlage (p. 15 t/m 17).

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 36.

7 Geschrift, te weten ‘letselbeschrijving [slachtoffer] ’, p. 107 en 108, met fotobijlage (p. 109 t/m 147).