Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:3009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 9744 en SGR 16_9748
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:3800, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres die niet inkomstenbelastingplichtig en evenmin premieplichtig is, zijn aanslagen IB/PVV opgelegd om eerder aan haar uitbetaalde heffingskorting terug te vorderen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ5179, is de rechtbank van oordeel dat aan de aanslagen de werking toekomt van een beschikking bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, zodat de aan eiseres toegekende algemene heffingskorting door middel van deze aanslagen kan worden teruggevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1402
FutD 2017-1494
NTFR 2017/2060 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
NLF 2017/1501 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 16/9744 en SGR 16/9748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2017 in de zaken tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: mr. [persoon] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2003 en 2004 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de in één geschrift vervatte besluiten van verweerder van 13 december 2013 waarbij de bezwaren van eiseres ongegrond zijn verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 januari 2015 te Breda. Aldaar is toen namens eiseres verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.A.M. van Gessel en drs. R.A.J.M.J. Tonglet.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft vervolgens op 10 februari 2015 uitspraak gedaan en de beroepen van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

Op 13 oktober 2016 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd en de zaken ter behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag.

Het onderzoek ter zitting te Den Haag heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.A.M. van Gessel en mr. B. Steevensz.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres woonde in 2003 en in 2004 in België samen met haar echtgenoot [persoon] . Zowel in 2003 als in 2004 waren noch eiseres noch haar echtgenoot verplicht verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2. In de onderhavige jaren genoot eiseres geen inkomen en haar echtgenoot ontving een AOW-uitkering. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en België van 5 juni 2001 (Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocollen) is de belastingheffing over deze uitkering toegewezen aan België. De echtgenoot van eiseres was zowel in 2003 als in 2004 geen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in Nederland verschuldigd.

3. Zowel voor het jaar 2003 als voor het jaar 2004 heeft eiseres een verzoek ingediend om uitbetaling van de algemene heffingskorting. Dit heeft geleid tot een voorlopige teruggave van € 1.757 voor het jaar 2003 en een teruggave van € 1.827 voor het jaar 2004.

4. Op 8 juni 2006 heeft verweerder aan eiseres voor de jaren 2003 en 2004 aanslagen IB/PVV opgelegd, alsmede bij gelijktijdige beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

5. De behandeling van de bewaarschriften van eiseres is aangehouden tot het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ5179 (het arrest) waarin is geoordeeld over de aan eiseres opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2002.

6. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 13 december 2013 heeft verweerder de aanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Geschil

7. In geschil is of de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004 terecht aan eiseres zijn opgelegd. Niet in geschil is dat eiseres in de onderhavige jaren geen recht had op – uitbetaling van – de algemene heffingskorting.

8. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan haar uitbetaalde heffingskorting niet door middel van een aanslag IB/PVV van haar kan worden teruggevorderd.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt dat, gelet op het arrest, aan de aanslagen de werking toekomt van een beschikking bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), zodat de aan eiseres toegekende algemene heffingskorting door middel van deze aanslagen kan worden teruggevorderd.

Beoordeling van het geschil

10. In het arrest is onder meer het volgende overwogen:

“3.4. Op grond van artikel 15 AWR kunnen voorlopige aanslagen, waaronder ook voorlopige teruggaven, worden verrekend met de aanslag, dan wel - voor zoveel nodig - bij een door de inspecteur te nemen voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking kan ook worden genomen ten aanzien van een persoon die niet belastingplichtig is, en aan wie daarom geen definitieve aanslag kan worden opgelegd. De Inspecteur mocht de voorlopige teruggaaf in dit geval derhalve verrekenen bij een beschikking als bedoeld in artikel 15 AWR. In plaats daarvan heeft hij er - ten onrechte - voor gekozen die verrekening te bewerkstelligen door het opleggen van een aanslag. In dit geval komt aan deze aanslag echter de werking toe van een beschikking op grond van artikel 15 AWR (vgl. de regeling over conversie van nietige rechtshandelingen in artikel 3:42 BW), en kan zij als een zodanige beschikking in stand blijven. Het gaat hier om twee soorten besluiten met een gelijksoortige strekking. De verrekening bij aanslag en die bij afzonderlijke beschikking betreffen immers beide verschijningsvormen van eenzelfde soort verrekening. In een geval als het onderhavige, waarin een voorlopige teruggaaf is verleend en vervolgens blijkt dat geen belasting verschuldigd is, zouden beide verschijningsvormen ook tot een zelfde betalingsverplichting leiden. Gelet hierop - en omdat tegen beide soorten besluiten op dezelfde wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend - is deze conversie niet onredelijk jegens belanghebbende. Het tweede middel slaagt derhalve.

(…)

3.6.

Het door belanghebbende gedane, nog onbehandeld gebleven beroep op verjaring faalt. Belanghebbende wijst daarbij tevergeefs op het late tijdstip waarop de aanslag is opgelegd, aangezien daarbij de termijn van drie jaar na afloop van het kalenderjaar als bedoeld in artikel 11, lid 3, AWR in acht is genomen. Met het oog op de rechtszekerheid moet worden aangenomen dat deze termijn van overeenkomstige toepassing is op het vaststellen van een beschikking waarbij een voorlopige teruggaaf op de voet van artikel 15 AWR wordt verrekend.”

11. De rechtbank overweegt dat er geen grond is om voor de onderhavige jaren anders te oordelen dan de Hoge Raad heeft gedaan in voormeld arrest voor het jaar 2002.

Het andersluidende standpunt van eiseres berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de aanslagen geacht kunnen worden te zijn geconverteerd in beschikkingen bedoeld in art. 15 AWR door middel waarvan een te hoge teruggave kan worden verrekend.

12. Het door eiseres gedane beroep op verjaring faalt eveneens, aangezien de termijn als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de AWR, door verweerder in acht is genomen. Immers de beide aanslagen zijn opgelegd met dagtekening 8 juni 2006.

13. Tegen de beschikkingen heffingsrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat deze heffingsrente niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is berekend.

14. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn gemotiveerd. In de uitspraken op bezwaar heeft verweerder immers een niet met het arrest verenigbaar standpunt ingenomen, hetgeen een motiveringsgebrek oplevert. Gelet hierop zullen de beroepen gegrond worden verklaard en zullen de uitspraken op bezwaar worden vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor onder 11, 12 en 13 is overwogen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand laten.

Proceskosten

15. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte reiskosten ten bedrage van € 26.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van die uitspraken in stand blijven, en bepaalt dat deze

uitspraak in de plaatst treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 26;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.