Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2990

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
AWB 17 / 5206
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Iran

- (passieve) bekering

- kennelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 17/5206 en AWB 17/5210

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2017 in de zaken tussen

[eiser], eiser,

[eiseres], eiseres,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde mr. E.P.A. Zwart,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. K. Bruin.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 maart 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de verzoeken om een voorlopige voorziening met de nummers AWB 17/5208 en 17/5214, plaatsgevonden op 23 maart 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig D. Madjlessi, tolk in de taal Farsi. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers zijn van Iraanse nationaliteit. Zij zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum]. Eisers zijn met elkaar getrouwd. Eisers hebben op 2 oktober 2015 een asielaanvraag ingediend.

2. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij bekeerd zijn tot het christendom. In Iran hebben zij huiskerkbijeenkomsten bijgewoond en zelf georganiseerd. Zij waren in Nederland op bezoek bij hun dochter. Tijdens hun verblijf in Nederland hebben zij vernomen dat er een inval is gedaan in hun huis in Teheran, dat hun zoon en schoondochter daar zijn opgepakt en dat belastend materiaal in beslag is genomen. Om die reden zijn zij niet teruggekeerd naar Iran en hebben zij in Nederland asiel verzocht.

3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, (beide eisers) en onder c (eiseres), van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de identiteit en nationaliteit van eisers geloofwaardig. De bekering en de daarmee samenhangende problemen acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder acht de verklaringen van beide eisers kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Verweerder meent bovendien dat eiseres verweerder heeft misleid doordat zij haar eerdere asielaanvraag in Nederland, gedaan onder een andere naam, heeft verzwegen.

4. Eisers hebben in beroep gemotiveerd bestreden dat hun bekering en de daarmee samenhangende problemen ongeloofwaardig zijn. Eisers betogen verder dat verweerder ten onrechte niets heeft gedaan met de door eisers gedane mededeling dat zij gedoopt zijn en hun aanbod om de doopbewijzen op te sturen. Eisers hebben verder rapporten overgelegd van dr. J.W. van Saane (rapport inzake Geloofwaardigheid Bekering, 1 oktober 2015) en van de Stichting Gave (Bekering van Islam naar Christus, maart 2015). Zij stellen dat in hun geval sprake is van een passieve bekering en dat verweerder daarmee in zijn besluitvorming geen rekening heeft gehouden. Eisers stellen dat verweerder naar aanleiding van een overgelegde getuigenverklaring de betreffende getuige had moeten horen, dan wel een individueel ambtsbericht had moeten laten uitbrengen over de gestelde inval in de woning van eisers. Zij hebben bovendien bestreden dat hun aanvragen konden worden afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Het volgende wordt overwogen over de geloofwaardigheid van de bekering en de daarmee samenhangende problemen in het land van herkomst, Iran.

6. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0955, past verweerder een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat verweerder een vreemdeling vragen stelt die grofweg worden onderverdeeld in vragen over motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling, algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk en kerkgang (indien de vreemdeling stelt dat dat onderdeel is van zijn geloofsovertuiging). De Afdeling acht deze wijze van beoordeling rechtmatig.

7. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3502, dat verweerder - net als Van Saane - rekening houdt met het verschijnsel van de passieve bekering, dat wil zeggen, een bekering die een vreemdeling overkomt en die hij niet zelf heeft gezocht. Verweerder heeft in die procedure bij de Afdeling verklaard dat indien een vreemdeling een passieve bekering aan zijn asielaanvraag ten grondslag legt, vanwege de aard van een zodanige bekering, de nadruk in het gehoor zal liggen op de vraag hoe de ontwikkeling van het geloofsleven na de gestelde bekering vorm heeft gekregen. Aan de antwoorden op de vragen over het proces dat tot de bekering heeft geleid, wordt in dat geval minder betekenis gehecht, omdat aan een passieve bekering eigen is dat zo'n proces meestal niet heeft plaatsgevonden.

8. Gelet op de beroepsgronden zal allereerst worden beoordeeld of verweerder uit had moeten gaan van een passieve bekering bij eisers. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 30 december 2016 en de daarin aangehaalde rapportage kan worden afgeleid dat het dan moet gaan om een bekering die de vreemdeling overkomt en die hij niet zelf heeft gezocht. Anders dan eisers hebben gesteld, kan uit hun relazen niet worden afgeleid dat sprake was van een bekering die hen is overkomen. Eiseres heeft gewezen op een aantal gebeurtenissen, zoals het bezoek van kerken in Nederland, die haar interesse in het christendom hebben gewekt en op contacten met personen in Iran (onder meer de contacten met haar Armeense vriendin en ontmoetingen in de sauna met de reeds bekeerde [naam]). Zij heeft tevens verteld dat haar afkeer van de islam, die aan haar interesse voor het christendom voorafging, langzaam is gegroeid. Met dit alles is niet te verenigen dat eiseres een passieve bekering heeft ondergaan, zoals hiervoor omschreven. De verwijzing van eiseres ter zitting naar het voornemen betreffende haar aanvraag, pagina 10, kan niet leiden tot een ander oordeel. De daarin aangehaalde passage uit haar nader gehoor, die betrekking heeft op haar keuze voor het protestantisme, kan niet worden uitgelegd als een bekering die eiseres is overkomen. Ten aanzien van eiser wordt overwogen dat ook ter zitting niet kon worden uitgelegd waarom zijn bekering als passief moest worden aangemerkt. De slotsom is dat verweerder, gelet op de verklaringen van eisers, terecht is uitgegaan van een gestelde actieve bekering bij eisers. Daarbij past dat verweerder zijn hiervoor weergegeven vaste gedragslijn toepast bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ervan en – gelet op het feit dat bekering tot het christendom in Iran strafbaar is – de nadruk bij deze beoordeling komt te liggen op de motieven voor en het proces van bekering. Voor dat oordeel vindt de rechtbank aansluiting bij vaste rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2801.

9. Verweerder heeft in hoofdlijnen het volgende over de motieven voor en het proces van bekering in aanmerking genomen. Eiseres heeft geen duidelijkheid gegeven over de vraag wanneer en hoe de bekering bij haar tot stand is gekomen. Zij heeft melding gemaakt van haar kerkbezoeken in Nederland, van haar contacten met haar Armeense vriendin en met de bekeerde Iraanse kennis [naam] in de sauna, maar niet is te onderscheiden wat nu beslissend was voor de bekering. Verder werpt verweerder tegen dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over haar keuze voor het protestantisme: zij heeft zowel verklaard dat dit haar is overkomen, als dat zij daarvoor bewust heeft gekozen. Verweerder vindt dat eiseres oppervlakkig heeft verklaard over haar motieven om te kiezen voor het christendom. Op de vraag wat haar zo aansprak in het christendom, heeft zij slechts verklaard “Dat is je geloof. Ik ben protestants en dat wil zeggen dat je iemand bent die protesteert. Ik behoor tot het protestantisme." Verder heeft eiseres verwezen naar de dwang die van de islam uitgaat en de afwezigheid daarvan in het christendom. Verweerder werpt tegen dat eiseres meer had moeten verklaren over haar spiritualiteit. Verweerder wijst er verder op dat eiseres geen antwoord kon geven op de vraag wat voor haar de kern van het christendom is. Met betrekking tot eiser werpt verweerder tegen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop hij is bekeerd en dat hij geen duidelijkheid heeft gegeven over zijn motieven voor en het proces van bekering. Eiser heeft niet kunnen verwoorden wat het christendom voor hem betekent. Ten aanzien van beide eisers werpt verweerder tegen dat zij veel risico hebben genomen met het houden van huiskamerdiensten bij hen thuis, waarbij luide muziek werd afgespeeld, terwijl de huiseigenaar – die zelf een conservatieve belijdende moslim is – meermalen daarover had geklaagd.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte op grond van deze motivering tot de slotsom is gekomen dat de bekering van eisers ongeloofwaardig is. Eiseres heeft aangevoerd dat er meer was dan de onrechtvaardigheid van de islam dat haar bracht tot haar bekering. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen genoegen hoeven nemen met de algemeenheden die eiseres heeft genoemd, zoals dat zij is bevrijd door het christendom, dat zij binnen het christendom liefde ervaart, dat zij zich tot Jezus aangetrokken voelt en dat zij het licht in haar leven heeft gezien. Wat betreft het proces van bekering wordt overwogen dat eiseres geen sluitend antwoord heeft gegeven op de vraag wat nu voor haar beslissend was om tot bekering te komen. In aanmerking genomen dat het in Iran gevaarlijk is voor moslims om zich te bekeren tot het christendom, had dat wel van eiseres verwacht mogen worden. Met betrekking tot de bekering van eiser wordt het volgende overwogen. Eiser heeft niet bestreden dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van zijn bekering; hij stelt echter dat zijn verklaringen in de context van zijn hele relaas hadden moeten worden beoordeeld. Overwogen wordt dat verweerder van eiser had mogen verwachten dat hij op vragen als deze, die de kern raken van zijn relaas, duidelijk antwoord had kunnen geven. Daarbij komt dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser vaag en onduidelijk heeft verklaard over het proces van bekering en over zijn motieven om tot bekering te komen. Verweerder heeft doorslaggevende betekenis mogen hechten aan de eigen verklaringen van eisers over hun bekering. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat verweerder voorbij heeft mogen gaan aan de mededeling van eisers dat zij inmiddels gedoopt zijn en aan het aanbod om de doopcertificaten over te leggen.

De beroepsgronden die zien op de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering van eisers treffen geen doel.

11. Reeds omdat de bekering ongeloofwaardig kon worden geacht, mocht verweerder ook de gestelde daaruit voortvloeiende problemen, zoals de inval in de woning en de arrestatie van de zoon en schoondochter van eisers, ongeloofwaardig achten. Daarbij komt dat verweerder niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat eisers bevreemdende verklaringen hebben afgelegd over de mogelijke aanleiding voor deze inval, de bij eisers gehouden huiskerkbijeenkomsten. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de eerder overgelegde verklaring over deze gebeurtenissen in Iran van Marzieh Soltanian, een kennis van de dochter van eiseres wier tante een buurvrouw is van eisers in Iran, had moeten leiden tot het horen van deze persoon voorafgaande aan het nemen van een beslissing op de asielaanvragen. De rechtbank kan dit betoog niet volgen. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat niet is in te zien waarom een dergelijke getuigenverklaring tot een ander oordeel zou leiden, nu eisers zelf niet geloofwaardig hebben kunnen verklaren over hun bekering en de daaruit voortvloeiende problemen. Om dezelfde reden heeft verweerder geen nader onderzoek hoeven instellen naar de inval door het vragen van een individueel ambtsbericht.

12. De asielaanvragen van eisers zijn dan ook terecht afgewezen met toepassing van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

13. Het volgende wordt overwogen over de beroepsgronden die zijn gericht tegen de afwijzing van de aanvragen van eisers als kennelijk ongegrond.

14. Anders dan eisers hebben betoogd, kan het feit dat eiseres haar eerdere asielaanvraag in 2009, gedaan onder een andere naam, heeft verzwegen, relevant worden geacht voor de beoordeling van haar laatste aanvraag. Dat eiseres thans wel haar juiste persoonsgegevens heeft opgegeven, doet daar niet aan af. Eerst toen eiseres tijdens het aanvullend gehoor werd geconfronteerd met de feiten omtrent haar eerdere aanvraag, moest zij immers terugkomen op haar eerdere verklaring dat zij niet eerder asiel had aangevraagd in Nederland en op andere aantoonbaar onjuiste verklaringen, zoals dat zij in het verleden probleemloos had gereisd naar Nederland. Daarmee heeft eiseres informatie achtergehouden die een negatieve invloed op de beslissing had kunnen hebben. In zoverre is sprake van misleiding, in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:955.

15. Over het tegenwerpen van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw aan beide eisers, wordt het volgende overwogen. De toepassing van deze bepaling kan niet los worden gezien van het onderzoek naar de beschermingsbehoefte. Verweerder heeft ten aanzien van beide eisers het standpunt ingenomen dat hun verklaringen moeten worden aangemerkt als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. De rechtbank volgt het ter zitting verwoorde standpunt van eisers dat ‘kennelijk’ betekent dat het ‘klontje klaar’ moet zijn. Er moet geen twijfel over mogelijk zijn dat de verklaringen van eisers inconsequent en tegenstrijdig zijn. Gelet op overweging 9 en 10 wordt naar het oordeel van de rechtbank echter aan deze maatstaf voldaan. De conclusie is dat ook de daartegen gerichte beroepsgronden geen doel treffen.

16. De aanvragen zijn terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

17. De beroepen zijn ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: