Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2972

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 28192
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Asiel

- Binnenlands vestigingsalternatief

- Irak

- Bagdad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/28192

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. C.G. Matze,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser, van Irakese nationaliteit, is op 27 december 2005 Nederland ingekomen. Hij heeft op 15 februari 2006 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 10 april 2006 is deze aanvraag afgewezen in verband met een zogenoemde Dublinclaim. Voor zijn overdracht is eiser met onbekende bestemming vertrokken.

2. Eiser heeft op 16 april 2009 een tweede asielaanvraag ingediend. Bij besluit van

12 mei 2009 is deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 2 juli 2009 (AWB 09/17111) is het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 augustus 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) het hoger beroep van verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij besluit van 13 januari 2010 opnieuw de aanvraag van eiser afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 27 januari 2011 (AWB 10/4815) is het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juni 2011 heeft de Afdeling het hoger beroep van eiser ongegrond verklaard.

3. Op 18 juli 2012 heeft eiser een derde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 26 juli 2012, onder verwijzing naar het besluit van 13 januari 2010, afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft verweerder tevens aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

4. Eiser heeft op 6 oktober 2014 een vierde asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het nieuwe beleid van verweerder voor Irak en de verslechterde situatie in zijn plaats van afkomst Mosul (provincie Ninewa), ten grondslag gelegd. Verweerder heeft dit opgevat als een beroep op het bestaan van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn).

5. Verweerder heeft in het voornemen van 14 september 2016 vastgesteld dat eiser afkomstig is uit Mosul, provincie Ninewa. Deze provincie is ingevolge paragraaf C7/13.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aangewezen als een gebied in Irak waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat voor eiser een vestigingsalternatief bestaat in stad Bagdad. Eiser behoort niet tot een kwetsbare minderheidsgroep. Volgens verweerder is, gezien de besluiten op de eerdere asielaanvragen van eiser, in rechte vast komen te staan dat hij niet behoort tot de Kaka’i geloofsgemeenschap. Verweerder is van mening dat eiser in voldoende mate Arabisch spreekt om zich in het dagelijks leven in stad Bagdad verstaanbaar te maken. De werkervaring van eiser als handelaar in benzine zal zijn mogelijkheden om zich aldaar staande te houden vergroten.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van 6 oktober 2014 van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, zoals deze bepaling luidde vóór de inwerkingtreding van de (nieuwe) Procedurerichtlijn.

7. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat eiser heeft aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

8. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit een gebied dat volgens verweerders beleid is aangewezen als een gebied waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, onderdeel 3 van de Vw en dat eiser daar thans niet naar kan terugkeren.

9. In geschil is of verweerder eiser vanwege zijn gestelde Kaka’i afkomst had moeten aanmerken als behorend tot een kwetsbare minderheidsgroep en aan hem stad Bagdad als vestigingsalternatief heeft mogen tegenwerpen.

10. In paragraaf C2/3.4 van de Vc is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d Voorschrift Vreemdelingen voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV;

b. de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en

c. van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.”

In paragraaf C7/13.5.2 van de Vc staat:

“Vlucht en vestigingsalternatief in Bagdad en Zuid-Irak.

De IND beoordeelt of sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan in individuele gevallen geconcludeerd kan worden dat de persoon zich buiten het gebied van herkomst, bijvoorbeeld in stad Bagdad, kan vestigen.

De IND neemt aan dat, in beginsel, in ieder geval voor de volgende categorieën Iraakse asielzoekers afkomstig uit een van de gebieden genoemd in paragraaf C7/13.4.1 Vc geen sprake is van een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief in andere delen van Irak:

- minderjarige vreemdelingen die geen familie hebben in het gebied dat als vlucht- of vestigingsalternatief zou gelden; en

- vreemdelingen die behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in paragraaf C7/13.4.3 Vc.”

In paragraaf C7/13.4.3 van de Vc staat, voor zover hier van belang:

“De IND merkt uitsluitend de volgende minderheidsgroepen aan als kwetsbare minderheidsgroep:

f. kaka’i afkomstig uit Centraal- en Zuid-Irak.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de vaststelling of eiser tot de Kaka’i geloofsgemeenschap behoort en of hij problemen heeft ondervonden als gevolg van die etniciteit terecht heeft verwezen naar bovengenoemde, rechtens vast staande, uitspraak van 27 januari 2011. Uit deze uitspraak blijkt dat eiser destijds tegenstrijdige en daarmee ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over zijn Kaka’i geloof en zijn problemen als gevolg van zijn etniciteit en dat die verklaringen ongeloofwaardig zijn geacht. Dat eiser als Kaka’i dient te worden aangemerkt, omdat hij net als Yezidi’s en christenen louter het Badini spreekt, en daarom tot één van de kwetsbare minderheidsgroepen behoort, heeft verweerder dan ook terecht niet onderbouwd geacht. Een nader onderzoek door verweerder naar eisers vermeende Kaka’i-zijn, zoals door hem bepleit, behoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet plaats te vinden in het kader van de onderhavige aanvraag.

12. De rechtbank stelt vast dat eiser niet bestreden heeft wat verweerder in zijn algemeenheid over de veiligheidssituatie in stad Bagdad heeft aangevoerd. Ook heeft eiser niet bestreden dat hij op een veilige en wettige wijze kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot die plaats.

13. In de door verweerder genoemde uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015 (AA/06175/2009) heeft dit tribunaal uitgebreid gemotiveerd dat het geweldsniveau in stad Bagdad niet het niveau van een uitzonderlijke situatie haalt. Hoewel uit de stukken waarnaar eiser in de zienswijze en de beroepsgronden verwijst, blijkt dat de situatie in stad Bagdad ernstig is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om tot een andere conclusie te komen, omdat niet is gebleken van een significante verslechtering ten opzichte van de situatie die is beoordeeld in voormelde uitspraak van het Upper Tribunal. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van november 2016 volgt dat de veiligheidssituatie in stad Bagdad (en provincie) in de verslagperiode oktober 2015 tot september 2016 niet significant is veranderd.

14. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in stad Bagdad vestigt. In dit verband spelen, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 21 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3083), alleen sociaaleconomische factoren en de in dat kader relevante individuele kenmerken een rol en wordt niet nogmaals, aan de hand van een lagere maatstaf, beoordeeld of eiser daar veilig kan verblijven. Verweerder heeft er met een verwijzing naar de verklaringen van eiser tijdens de gehoren van 2006 en 2009, waarin hij heeft verklaard dat hij een klein beetje Arabisch spreekt, op gewezen dat hij daarmee de Arabische taal wel zodanig spreekt dat hij zich in het dagelijkse leven in stad Bagdad verstaanbaar kan maken. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat eiser met handel in benzine, waarin hij ervaring heeft, zich aldaar staande kan houden.

15. Nu eiser niet behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep en hij ook overigens in stad Bagdad geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, eiser toegang heeft tot de stad en redelijkerwijs van hem verwacht mag worden dat hij zich daar vestigt, heeft verweerder eiser terecht een vestigingsalternatief in stad Bagdad tegengeworpen.

16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

17. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: