Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:293

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
16 29113 en 16 28841
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Macedonie. Veilig land van herkomst. Beroep gegrond. Bestuurlijke lus niet mogelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/29113 en AWB 16/28841

V-nummers: [nummer], [nummer], [nummer], [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 januari 2017 in de zaken tussen

1. [naam], eiser,

gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg,

2. [naam], eiseres, mede namens hun minderjarige kinderen [naam] en [naam],

gemachtigde: mr. K. Martens,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Raaijmakers.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 9 december 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen.

Op 9 december 2016 hebben eisers beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en verzocht om het treffen van voorlopige voorzieningen teneinde uitzetting hangende de beroepen te voorkomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Martens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eisers, geboren op [geboortedatum] en [geboortedatum] en van Macedonische nationaliteit, hebben op 22 mei 2016 aanvragen om verlening van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingediend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser met de dood wordt bedreigd door ene [naam 2], in wiens café hij getuige is geweest van een drugsdeal, en dat de Macedonische staat hem daartegen niet kan beschermen omdat deze man een invloedrijke politieagent is.

2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarbij is aan eisers een vertrektermijn onthouden en zijn inreisverboden voor de duur van twee jaar opgelegd die geen betrekking hebben op de minderjarige kinderen. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst alsook het relaas van eisers geloofwaardig, maar merkt Macedonië aan als veilig land van herkomst.

3. Op wat eisers daartegen hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank spreekt zich allereerst uit over de stelling van eisers dat ten onrechte voor de motivering van het bestreden besluit van eiseres is verwezen naar dat van eiser, zonder het bestreden besluit van eiser aan eiseres kenbaar te maken. Ter zitting is gebleken dat gemachtigde de betreffende stukken inmiddels in bezit heeft zodat, wat hier verder ook van zij, vast staat dat eisers door deze handelswijze niet zijn benadeeld. Daarom kan deze stelling niet leiden tot vernietiging van (een van) de bestreden besluiten.

5. Voor het overige heeft het geschil betrekking op de vraag of verweerder de afwijzingen als kennelijk ongegrond terecht heeft gebaseerd op zijn aanwijzing van Macedonië als veilig land van herkomst. Eisers stellen dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoordt, omdat de aanwijzing niet is gebaseerd op de in artikel 3:105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voorgeschreven bronnen. De rechtbank volgt eisers niet in deze stelling en is van oordeel dat verweerder, indien de in dat artikellid genoemde bronnen niet beschikbaar zijn, zijn motivering mag baseren op de bronnen die wel beschikbaar zijn. De rechtbank ziet zich daarbij gesteund in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2016 met nummer ECLI:NL:RVS:2016:2474 (rechtsoverweging 3.4.1).

6. Eisers stellen voorts dat de motivering zoals die door verweerder is gegeven de conclusie dat Macedonië een veilig land van herkomst is niet kan dragen. Daarbij hebben zij onder meer verwezen naar de uitspraken van deze zittingsplaats van deze rechtbank van 19 september 2016 met nummer ECLI:NL:RBDHA:2016:11317 en 23 september 2016 met nummer ECLI:NL:RBDHA:2016:11503. In die uitspraken is geoordeeld dat de bescherming van mensenrechten in Macedonië te wensen overlaat. Er is geen aanleiding om in de beroepen van eisers tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat verweerder ten onrechte de aanvragen als kennelijk ongegrond heeft afgewezen met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, vertrektermijnen heeft onthouden en inreisverboden voor de duur van twee jaar heeft opgelegd. De beroepen zijn gegrond zodat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd.

7. Nu verweerder ervoor heeft gekozen om alle relevante elementen geloofwaardig te achten, bestaat geen mogelijkheid om te komen tot finale geschilbeslechting. Verweerder zal aan de hand van de beschikbare landeninformatie opnieuw moeten onderzoeken of eisers, gelet op de situatie waarin zij zich geplaatst zouden zien, in Macedonië kunnen rekenen op effectieve bescherming, zulks met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

8. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 992 (twee samenhangende zaken, een punt voor het indienen van de beroepschriften en een punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496 en met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 992 (negenhonderdtweeënnegentig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.