Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2839

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
17-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 8615
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1823, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

handhaving. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8615

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.J.G. Schrage),

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H. Norde).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. J.G. Hinnen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast om acht nader omschreven overtredingen op het perceel [adres 1] binnen zes maanden na inwerkingtreding van dat besluit te beëindigen, bij gebreke waarvan eiser verschillende dwangsommen verbeurt.

Bij besluit van 28 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft zijn zienswijze op het beroep gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn vader, [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] , werkzaam bij de Omgevingsdienst West-Holland en zijn gemachtigde. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 19 september 2012 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan vergroten van het dak van de paardenstal, waarvoor in 1984 bouwvergunning is verleend, op het perceel [adres 1] tot een hoogte van 5,5 meter.

1.2

Op 11 juli 2013 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst West-Holland geconstateerd dat er niet volgens de verleende omgevingsvergunning werd gebouwd, aangezien de hoogte van de paardenstal 6,5 meter bedraagt. Bij besluit van 12 juli 2013 heeft verweerder gelast de bouwwerkzaamheden stil te leggen.

1.3

Op 21 maart 2014 heeft belanghebbende, zijnde een buurman van eiser, verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel en alle op het perceel aanwezige bouwwerken. Belanghebbende is op 5 maart 2012 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 3 woningen op nauwelijks 10 meter afstand van de paardenstal van eiser.

1.4

Bij brief van 8 juli 2014 heeft verweerder in reactie op dit verzoek onder meer aangegeven dat alleen handhavend kan worden opgetreden tegen de paardenstal voor zover deze afwijkt van de omgevingsvergunning van 19 september 2012.

1.5

Op 15 september 2014 is opnieuw een controle uitgevoerd. Bij brief van 23 oktober 2014 heeft verweerder eiser een vooraankondiging gestuurd inhoudende dat handhavend zal worden opgetreden indien de geconstateerde overtredingen niet zouden worden beëindigd. Op 16 december 2014 heeft opnieuw een controle plaatsgevonden waarbij diverse overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a., van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn geconstateerd.

1.6

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser gelast om de volgende overtredingen binnen zes maanden na inwerkingtreding van dat besluit te beëindigen:

1. het dak van de paardenstal uit te voeren zoals aangegeven in de omgevingsvergunning van 19 september 2012, waarbij een maximale hoogte van 5,5 meter (nokhoogte) geldt;

2. - de dakkapellen die niet in die omgevingsvergunning zijn opgenomen van het dak van de paardenstal te verwijderen en verwijderd te houden en

3. - de zonder omgevingsvergunningen gebouwde stal, opslagschuur, schuur nabij de paardenbak, paardenbak, longeercirkel en schuurtje nabij de moestuin te verwijderen en verwijderd te houden.

Voorts is in het primaire besluit vermeld dat:

- een dwangsom van € 500,- per week wordt verbeurd, tot een maximum van € 2.500,-, indien blijkt dat de onder 1. genoemde overtreding voortduurt of wordt herhaald en dat dwangsommen van € 100,- per week worden verbeurd, tot een maximum van € 500,-, indien blijkt dat de onder 2. genoemde overtreding en elke onder 3. genoemde overtreding voortduren of worden herhaald.

1.7

Bij besluit van 17 november 2016 heeft verweerder afgezien van invordering van de op 18 december 2015 verbeurde dwangsommen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, conform het advies van de Commissie bezwaarschriften van 16 oktober 2015, gehandhaafd, alsmede een nieuwe begunstigingstermijn gesteld van vier maanden na verzending van dat besluit. In het bestreden besluit is overwogen dat een paardenhouderij, hobbymatig dan wel beroepsmatig, niet in overeenstemming is met de ter plaatse geldende agrarische bestemming. Voorts zijn in het dossier, tijdens de hoorzitting en ook na de hoorzitting geen stukken ontvangen die de stelling van eiser onderbouwen dat tijdens de hoorzitting van 5 november 1985 is toegezegd dat de thans aanwezige bebouwing mag blijven staan. Daarom kan het beroep op het vertrouwensbeginsel naar de mening van verweerder niet slagen.

Van een toezegging door de gehele gemeenteraad, zoals in dit geval is vereist, is immers geen sprake. Daarnaast is in het bestreden besluit overwogen dat de stal in afwijking van de omgevingsvergunning van 12 september 2012 is gebouwd, de dakkappellen niet in die omgevingsvergunning zijn opgenomen en niet vergunningvrij zijn. Ten slotte is in het bestreden besluit overwogen dat het enkele tijdverloop op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geen reden is om af te zien van handhaving.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat, voor zover eiser een beroep doet op het bouwovergangsrecht, eiser daarin niet kan worden gevolgd, nu het zelfs wanneer zou worden aangenomen dat de bouwwerken op de peildatum van het bouwovergangsrecht op het perceel aanwezig of in uitvoering waren dit onverlet laat dat een omgevingsvergunning vereist blijft. Daarbij heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:920). Daarnaast is verweerder van mening dat eiser tot op heden niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwovergangsrecht in dit geval van toepassing is.

De bevoegdheid om handhavend op te treden komt volgens verweerder niet te vervallen door niet tijdig op eisers bezwaarschrift te beslissen. Daarnaast is verweerder niet bereid om voor de gerealiseerde bouwwerken een afwijkingsbesluit te nemen, nu die bouwwerken evenmin passen in het ontwerpbestemmingsplan “Middengebied”. Daarom bestaat geen concreet zicht op legalisatie.

3. Eiser voert aan dat het zeer de vraag is of het bestreden besluit wel tijdig is genomen en verweerder nog wel handhavend kan optreden. Hierdoor is volgens hem de invordering van de dwangsommen eventueel niet meer mogelijk vanwege verjaring. Vanwege het tijdsverloop heeft verweerder volgens eiser niet zorgvuldig gehandeld. Voorts stelt eiser dat verweerder zelf heeft geëist dat een zadeldak werd gemaakt, terwijl reeds vergunning was verleend voor een ander dak. Met de door eiser daarna ingediende bouwtekening heeft verweerder ingestemd. Verder voert eiser aan dat de meeste van de bedoelde opstallen reeds in 1985 aanwezig waren en de raadscommissie daarmee destijds heeft ingestemd, zodat eiser er op mocht vertrouwen dat die bouwwerken mochten blijven staan. Daarnaast wijst eiser er op dat in het dak van de paardenstal niet twee, maar slechts één dakkapel aanwezig is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een brief van de secretaris van de commissie voor Ruimtelijke Ordening van 25 oktober 1985 overgelegd.

4. De rechtbank verwerpt eisers stelling, dat verweerders bevoegdheid om handhavend op te treden is komen te vervallen op de grondslag dat niet tijdig op het bezwaar tegen het primaire besluit is beslist, nu deze opvatting van eiser geen steun in het recht vindt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd evenmin een onderbouwing voor deze stelling gegeven. De beroepsgrond faalt.

5.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden een project uit te voeren bestaande uit het bouwen van een bouwwerk zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en dat in stand te houden.

5.2

Niet in geschil is dat de nokhoogte van de paardenstal de toegestane bouwhoogte van 5,5 meter overschrijdt, zoals aangegeven op de tekeningen behorend bij de op 19 september 2012 verleende omgevingsvergunning. Dat voordien vergunning zou zijn verleend voor een ander dak, zoals eiser stelt, doet hieraan - wat daarvan verder ook zij - niet af, nu de omgevingsvergunning van 19 september 2012 onherroepelijk is.

Daarnaast stelt de rechtbank, mede aan de hand van het verhandelde ter zitting, vast dat zich op de stal één dakkapel bevindt, die eveneens is gebouwd in afwijking van de omgevingsvergunning van 19 september 2012.

5.3

Het bouwen van de in het primaire besluit genoemde bouwwerken heeft plaatsgevonden zonder dat daarvoor de benodigde omgevingsvergunningen zijn verleend of zijn ten aanzien van de paardenstal gebouwd in afwijking van de op 19 september 2012 verleende omgevingsvergunning.

5.4

De bouwwerken zijn dus opgericht in strijd met het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Op grond van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten. Aangezien de zonder vergunning gerealiseerde bouwwerken en de in afwijking van de omgevingsvergunning gebouwde paardenstal in strijd met genoemd artikel in stand zijn gelaten, was verweerder bevoegd handhavend op te treden.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:920).

7.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo is verweerder bevoegd in een geval als hier aan de orde een omgevingsvergunning te verlenen.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 9 maart 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP7166) is het enkele feit dat verweerder niet bereid is toestemming te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan in beginsel voldoende voor het oordeel dat geen concreet zicht bestaat op legalisatie. Aangezien de bouwwerken niet in overeenstemming zijn met het ontwerpbestemmingsplan “Middengebied”, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011, in dit geval geen concreet zicht op legalisatie aanwezig.

8.
Eiser heeft gesteld dat op een aangrenzend perceel dat de gemeente in eigendom heeft ook een stal aanwezig is in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft dienaangaande gesteld dat op dat perceel slechts één stal aanwezig is en dat daarom geen sprake is van gelijke gevallen. De rechtbank acht dit standpunt van verweerder niet onjuist. Het gaat in eisers situatie immers om een aanmerkelijk groter aantal bouwwerken en om een aanzienlijk groter oppervlak ten opzichte van het aangrenzende perceel. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen.

9.1

Verweerder heeft omtrent hetgeen eiser heeft aangevoerd over het vertrouwens-beginsel erop gewezen dat bij besluit van 22 augustus 1985 de vader van eiser is gelast het op het perceel zonder vergunning gebouwde schuurtje voor tuingereedschap, een ‘hondenhok’ en 6 lantaarnpalen te verwijderen, welke bouwwerken nadien zijn gedoogd.

Op basis hiervan stelt verweerder zich op het standpunt dat mogelijk ten aanzien van het schuurtje nabij de moestuin en mogelijk ook ten aanzien van één van de in de last genoemde andere bouwwerken in 1985 het vertrouwen is gewekt dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden. Het vertrouwensbeginsel strekt volgens verweerder echter niet zo ver dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Naar de mening van verweerder weegt handhaving van het algemeen belang in dit geval zwaarder dan het belang van eiser, te meer nu belanghebbende een handhavingsverzoek heeft ingediend. Nu niet gebleken is dat eiser dan wel zijn vader ten gevolge van het gedoogbesluit van 8 januari 1986 schade heeft geleden, bestaat geen grond voor een financiële tegemoetkoming, aldus verweerder.

9.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 2 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3683), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op hetgeen onder 9.1 is weergegeven, hem toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen gedaan, waaraan eisers vader en eiser de gerechtvaardigde verwachting hebben kunnen ontlenen dat een schuurtje, een ‘hondenhok’ en 6 lantaarns werden gedoogd. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 december 2015 echter overwogen dat het vertrouwensbeginsel niet zo ver strekt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Er kunnen volgens de Afdeling belangen aanwezig zijn die zwaarder wegen dan de belangen van degenen jegens wie de verwachtingen zijn gewekt, bij het honoreren van het gerechtvaardigde vertrouwen. In dit geval heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het algemene belang bij handhaving van de planregels en het belang van belanghebbende bij handhavend optreden tegen de strijdige situatie mogen laten prevaleren boven de belangen van eiser.

Nu gesteld noch gebleken is dat eiser dan wel zijn vader ten gevolge van het gedoogbesluit schade heeft geleden, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen grond bestaat voor een financiële tegemoetkoming.

9.3

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het beroep op het vertrouwensbeginsel daarom geen bijzondere omstandigheid hoeven aan te nemen om van handhavend optreden af te zien.

10. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien.

11. Het beroep is dan ook ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.