Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:281

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
16-01-2017
Zaaknummer
AWB 16/19775
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Visum kort verblijf

- Ontvankelijkheid bezwaar

- Vestigingsgevaar

- Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/19775

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 januari 2016 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. W.N. van der Voet,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen zijn weigering om aan haar een visum voor kort verblijf af te geven kennelijk ongegrond verklaard.

Op 1 september 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Tevens was aanwezig [referent] (hierna: referent). Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] en van Tunesische nationaliteit, heeft op 28 april 2016 een aanvraag om afgifte van een visum voor kort verblijf ingediend. Dit heeft zij gedaan met het oog op het bezoeken van referent, haar rechtmatig in Nederland verblijvende echtgenoot.

2. Bij besluit van 4 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat, voor zover thans van belang, haar voornemen om het Nederlandse grondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het voornemen van eiseres om het Nederlandse grondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het visum nog immer niet kan worden vastgesteld, omdat niet is gebleken van afdoende sociale en economische binding van eiseres met Tunesië.

Op wat eiseres daartegen in beroep heeft aangevoerd wordt - voor zover van belang - hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt. Uit het dossier blijkt niet duidelijk wanneer het primaire besluit bekend is gemaakt. Volgens het verweerschrift is dat besluit vermoedelijk aan eiseres uitgereikt. Het is echter onduidelijk op welke dag dit is geschied. In de bezwaarfase heeft eiseres verklaard dat zij het primaire besluit op 20 mei 2016 heeft ontvangen. Kennelijk heeft verweerder uitgaande van deze verklaring in het bestreden besluit aangegeven dat het primaire besluit op 20 mei 2016 aan eiseres is bekend gemaakt. Desgevraagd heeft referent ter zitting verklaard dat eiseres en hij dat besluit op de Nederlandse ambassade in Tunis uitgereikt hebben gekregen op zeer waarschijnlijk 20 mei 2016. Bij gebrek aan indicaties van bekendmaking van het primaire besluit op een andere dag, gaat de rechtbank er van uit dat dit is geschied op 20 mei 2016 middels uitreiking aan eiseres. Uitgaande van een ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 16 juni 2016 heeft eiseres binnen de daarvoor geldende termijn van vier weken bezwaar gemaakt. Het bezwaar is dan ook terecht ontvankelijk geacht.

5. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), voor zover hier van belang, wordt een visum geweigerd:

b) indien er redelijke twijfel bestaat over voornemen om het grondgebied van de lidstaten

te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

6. Uit het toepasselijke gemeenschapsrecht vloeit voort dat het aan de aanvrager is om zijn verblijfsdoel en zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Bij het onderzoek of er een redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland (C-84/12)). De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

7. Ten aanzien van de sociale binding met Tunesië heeft eiseres gesteld dat zij de zorg draagt voor haar bejaarde ouders en dat niemand die zorg van haar over kan nemen. Volgens eiseres zal zij op grond van deze omstandigheid tijdig terugkeren naar dat land. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat haar ouders inderdaad bejaard zijn en dat alleen zij hen kan verzorgen.

8. Ten aanzien van de economische binding met Tunesië heeft eiseres gesteld dat zij werkzaam is op het boerenbedrijf van haar ouders. Deze stelling is eerst in beroep onderbouwd met een verklaring. Verweerder heeft daaromtrent het standpunt ingenomen dat deze verklaring buiten beschouwing dient te worden gelaten gelet op het uitgangspunt dat bij een ex-tunctoetsing zo’n verklaring niet pas in beroep kan worden overgelegd. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling en accepteert het inbrengen van de verklaring als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. De verklaring overtuigt de rechtbank evenwel niet van de aanwezigheid van afdoende economische binding met Tunesië. Uit de verklaring blijkt immers niet dat die betrekking heeft op een aan de ouders van eiseres toebehorende schapenfokkerij alwaar zij werkzaam is. In dit verband is mede van belang dat niet is aangetoond dat de in die verklaring genoemde [naam] de vader van eiseres is.

9. De beroepsgrond dat eiseres reeds twee jaar geleden een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel gezinshereniging had kunnen krijgen als zij een daarop betrekking hebbende aanvraag zou hebben ingediend leidt niet tot een ander oordeel. Wat er ook zij van dit standpunt, verweerder heeft de onderhavige aanvraag terecht beoordeeld op grond van de bepalingen van de Visumcode en haar in dat kader artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, tegengeworpen.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onvoldoende sociale en economische binding met Tunesië bestaat, zodat niet kan worden vastgesteld dat eiseres vóór het verstrijken van het gevraagde visum het Nederlandse grondgebied zal verlaten. De aanvraag om afgifte van een visum voor kort verblijf is dan ook terecht afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.