Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2804

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/09/509539 / HA ZA 16-476
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nationale Hypotheek Garantie (NHG), borgtocht, artikel 7:865 BW, kwijtscheldingscriteria Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen. Uitleg criterium ‘te goeder trouw ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening’. Stichting WEW heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet aan het criterium te goeder trouw hebben voldaan. De kernoorzaak van de restschuld is niet gelegen in onvrijwillige werkloosheid, maar in de dubbele woonlasten als gevolg van de verhuizing van eisers naar Aruba en andere vrijwillige keuzes in de aanwending van hun financiële middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/509539 / HA ZA 16-476

Vonnis van 15 februari 2017

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [plaats] (Aruba),

2. [B],

wonende te [plaats] (Aruba),

eiseressen,

advocaat mr. A.M.C.C. Verblackt te Breda,

tegen

de stichting

STICHTING WAARBORGFONDS EIGEN WONINGEN,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. A.I.M. van Mierlo te Rotterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [A] en [B] en gezamenlijk [B c.s.] worden genoemd. Gedaagde zal Stichting WEW worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 april 2016, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 27 juli 2016, waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 oktober 2016 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brief van mr. Van Mierlo van 15 november 2016 met opmerkingen en aanvullingen op het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Verblackt van 15 november 2016 met een reactie op bovenstaande brief.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

Stichting WEW en NHG
2.1. Stichting WEW is op 10 november 1993 opgericht met als statutair doel het bevorderen van een duurzaam gunstig klimaat voor het eigenwoningbezit in Nederland en het hiertoe op financiële markten bevorderen van de financierbaarheid van eigen woningen. Zij heeft met het oog hierop de zogenoemde ‘Nationale Hypotheek Garantie’ (hierna: de NHG) in het leven geroepen. Met de NHG wordt beoogd te bevorderen dat particuliere geldnemers (ook genoemd: hypotheekgevers, -houders of schuldenaren), ook bij veranderende economische omstandigheden, op een veilige en verantwoorde wijze een betaalbare lening kunnen krijgen voor de aanschaf van een eigen woning.

2.2.

De NHG houdt in, kort gezegd en voor zover relevant voor deze procedure, dat indien en voor zover bij een gedwongen onderhandse of executoriale verkoop van een woning, waaraan een hypothecaire geldlening met NHG is verbonden, een verlies (restanthoofdsom van lening en bepaalde rente en kosten) ontstaat, Stichting WEW dat verlies voldoet aan de geldverstrekker (ook genoemd: hypotheekverlener of geldgever, bijvoorbeeld een bank). Onder voorwaarden is Stichting WEW bereid het aan de geldverstrekker betaalde bedrag niet te innen bij de geldnemer, hetgeen door Stichting WEW de ‘kwijtscheldingsregeling’ wordt genoemd. Contractueel is de NHG als volgt vormgegeven.


Standaardovereenkomst van borgtocht tussen Stichting WEW en geldverstrekkers

2.3.

Stichting WEW sluit met geldverstrekkers een standaardovereenkomst, een overeenkomst van borgtocht genoemd. Geldverstrekkers sluiten met geldnemers een geldleningsovereenkomst, waarbij ten behoeve van de geldverstrekker een eerste recht van hypotheek is gevestigd op een woning. De borgtocht van Stichting WEW strekt tot zekerheid voor de betaling van de vordering die de geldverstrekker uit hoofde van (een) lening(en) op de geldnemer heeft op de datum van verkoop van die woning. Op de standaardovereenkomsten die Stichting WEW met geldverstrekkers sluit zijn de zogenoemde Normen en Voorwaarden (bestaande uit twee delen, namelijk de Normen en de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht) van Stichting WEW van toepassing.

2.4.

Stichting WEW heeft onder meer een standaardovereenkomst gesloten met Westland Utrecht Hypotheekbank N.V.. Op die overeenkomst zijn van toepassing de Voorwaarden en Normen 2003 van Stichting WEW. Op grond van de Normen 2003 is Westland Utrecht Hypotheekbank N.V. als de geldverstrekker bevoegd om namens Stichting WEW te beslissen op aanvragen van geldnemers voor NHG (blijkens de tekst van de Normen 2003 op grond van “mandaat”). Tevens is de geldverstrekker bevoegd de door geldnemers aan Stichting WEW verschuldigde borgtochtprovisie te innen (dit op grond van “machtiging”). In de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2003 is onder meer het volgende bepaald:

“BORGTOCHTBEPALING

ARTIKEL A3

1. De geldgever dient in de overeenkomst waarin de lening is vastgelegd clausules van de volgende strekking op te nemen:

a. “Voor de terugbetaling van de lening heeft de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (…), zich borg gesteld. (…)”.

c “Indien de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen als borg een betaling heeft gedaan aan de geldgever, is de stichting in beginsel bereid de vordering ter zake van deze betaling niet bij de geldnemer in te vorderen mits en voorzover naar het oordeel van de stichting is gebleken dat:

c. 1. de geldnemer ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw is geweest, en

c.2 de geldnemer zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de onderhavige geldlening te geraken.

De stichting kan wel tot gehele of gedeeltelijke invordering overgaan als de geldnemer over zodanig inkomen en/of vermogen beschikte dat betaling door de stichting aan de geldgever voorkomen of beperkt had kunnen worden.”

(…)”

In de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2003 zijn verder onder meer bepalingen opgenomen betreffende de procedure die de geldverstrekker moet volgen in het geval van betalingsproblemen van de geldnemer en verkoop van de woning onvermijdelijk lijkt. Die problemen kunnen tot gedwongen onderhandse of executoriale verkoop van de woning leiden. Tevens zijn bepalingen opgenomen betreffende de voorwaarden waaronder Stichting WEW tot betaling aan de geldverstrekker overgaat in het geval na een dergelijke verkoop sprake is van een verlies.


Website NHG

2.5.

Op de website www.nhg.nl zijn de voorwaarden voor kwijtschelding gepubliceerd. Blijkens een uitdraai van de website, gedateerd 10 juni 2016, zijn de voorwaarden als volgt geformuleerd:

“Er zijn twee voorwaarden om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. U moet aan beide voorwaarden voldaan hebben.
1. U bent te goeder trouw geweest. De eerste voorwaarde om voor kwijtschelding in aanmerking te

komen, is dat u ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw bent geweest. Over het algemeen (uitzonderingen daargelaten) voldoet u aan deze voorwaarde wanneer u de lening niet of niet volledig meer kunt betalen, behoudens bijzondere omstandigheden als gevolg van: relatiebeëindiging, niet verwijtbare werkloosheid, en/of arbeidsongeschiktheid, en u hierdoor uw woning heeft verkocht.
2. U moet volledige medewerking hebben verleend. De tweede voorwaarde om voor kwijtschelding in aanmerking te komen, is dat u volledig heeft meegewerkt om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te komen. Dit is het geval wanneer:

  • -

    de woning onderhands is verkocht,

  • -

    er geen schade of achterstallig onderhoud is die negatieve invloed heeft op de waarde van de woning,

  • -

    en u volledige medewerking heeft verleend ter vermijding of beperking van het verlies.


U kunt deze voorwaarden ook teruglezen in uw hypotheekakte of geldleningsovereenkomst. Daar zijn deze beide voorwaarden voor kwijtschelding opgenomen in de criteria goede trouw en volledige medewerking.”

Leningsovereenkomst Westland/Utrecht Hypotheekbank NV en [B c.s.]

2.6.

hebben op 1 oktober 2003 tegen een koopsom van € 177.000 (plus kosten koper) een woning aan de [adres] te [plaats 2] (hierna te noemen: de woning) gekocht. Ter financiering van de aankoop en een verbouwing van de woning hebben [B c.s.] bij overeenkomst van 1 oktober 2003 (hierna: de leningsovereenkomst) een (deels aflossingsvrije) hypothecaire lening van € 208.700 afgesloten bij Westland/Utrecht Hypotheekbank N.V. (hierna te noemen: de bank).

2.7.

De lening is met NHG verstrekt. In de leningsovereenkomst is, overeenkomstig artikel A3 lid 1 van Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2003, voor zover relevant, bepaald:
“Borgtocht
Voor de terugbetaling van de het verschuldigde voortvloeiende uit de hiervoor omschreven geldlening heeft de stichting: Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen, statutair gevestigd te ’s-Gravenhage, zich jegens de bank tot borg gesteld,
De bank en de schuldenaar verklaarden dat bij uitwinning van de bij deze akte verstrekte zekerheden, de opbrengst(en) in de eerste plaats zal (zullen) strekken tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank uit hoofde van de onderhavige geldlening van de schuldenaar te vorderen heeft.
(…) Indien vermelde stichting als borg een betaling heeft gedaan aan de bank, is de stichting in beginsel bereid de vordering ter zake van deze betaling niet bij de schuldenaar in te vorderen mits en voorzover naar het oordeel van de stichting is gebleken dat:
- de schuldenaar ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw is geweest
- de schuldenaar zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de onderhavige geldlening te geraken.
Vermelde stichting kan wel tot gehele of gedeeltelijke invordering overgaan als de schuldenaar over zodanig inkomen of vermogen beschikte dat betaling door de stichting aan de bank voorkomen of beperkt had kunnen worden. (…).”

2.8.

[B] had ten tijde van de aankoop van de woning een vast dienstverband als Assistent Controller bij [X] B.V. met een bruto jaarsalaris van € 41.472 (bruto maandsalaris van € 3.200).


Gebeurtenissen na het aangaan van de leningsovereenkomst

2.9.

Het contract van [B] bij [X] is beëindigd. [B] is met ingang van 1 januari 2005 in dienst getreden bij de politie. Hij had een tijdelijke aanstelling tot en met 7 september 2005.

2.10.

[A] heeft in 2004 een jaarcontract gekregen bij hogeschool [de hogeschool] te [plaats 3] . Het gezamenlijke inkomen van [B c.s.] bedroeg begin 2005 € 3.765,68 bruto per maand ( [B] : € 2.722,28 en [A] : € 1.043,40). Het jaarcontract van [A] bij de hogeschool is in het voorjaar van 2005 geëindigd, zonder verlenging.

2.11.

[B c.s.] hebben in april 2005 de woning te koop gezet voor € 194.500.

2.12.

In juni 2005 is [A] verhuisd naar Aruba.

2.13.

[B] heeft in de zomer van 2005 een baan als contractor gevonden bij een raffinaderij op Aruba. Hij heeft op eigen verzoek zijn tijdelijke aanstelling bij de politie met ingang 24 juli 2005 beëindigd. [B] is vervolgens eveneens naar Aruba verhuisd.

2.14.

[A] is met ingang van 15 augustus 2005 in dienst getreden als secretaresse bij een advocatenkantoor op Aruba voor een bruto maandsalaris van 2.347 Arubaanse Florin (AWG).

2.15.

Bij brief van 28 april 2009 hebben [B c.s.] toestemming gevraagd aan de bank om de woning, die op dat moment nog steeds te koop stond, te mogen verhuren. Met instemming van de bank is de woning vervolgens verhuurd.

2.16.

In december 2009 is het contract van [B] bij de raffinaderij wegens sluiting van de raffinaderij beëindigd. In september 2011 is [B] in dienst getreden bij […] bank.

2.17.

[A] is met ingang van 24 september 2012 in dienst getreden bij het bureau van de minister van Justitie en Onderwijs te Aruba. Haar netto maandsalaris beliep 4.035,75 AWG.

2.18.

In mei 2013 hebben de huurders van de woning de huurovereenkomst beëindigd.

2.19.

[B c.s.] hebben nadien kosten gemaakt ter verbetering en bevordering van de verkoop van de woning.

2.20.

[B c.s.] hebben vanaf omstreeks april 2013 de aan de woning verbonden hypothecaire lasten niet voldaan.

2.21.

Met ingang van 31 oktober 2013 is het dienstverband aan de aanstelling van [A] bij het ministerie van Justitie geëindigd wegens het einde van de kabinetsperiode Mike Erman 2009-2013.

2.22.

In april 2014 is de vraagprijs van de woning verlaagd naar € 165.000. In mei 2014 is de woning op verzoek van de bank getaxeerd, waarbij de waarde is bepaald op € 146.000. In september 2014 heeft de bank op haar verzoek een volmacht van [B c.s.] ontvangen om de verkoop over te nemen. De woning is opnieuw gewaardeerd en de verkopend makelaar heeft een verkoopprijs van € 150.000 geadviseerd.

2.23.

De woning is in februari 2015, met instemming van Stichting WEW, verkocht voor € 148.000. Inclusief de onbetaald gebleven maandtermijnen (opgeteld € 19.149,40) resteerde na verkoop een totaalschuld van € 56.427,79 van [B c.s.] aan de bank. Na ontvangst van een verliesdeclaratie van de bank heeft Stichting WEW dit bedrag aan de bank voldaan.

2.24.

Bij brief van 27 maart 2015 heeft Stichting WEW aan [B c.s.] bericht dat de restschuld niet zal worden kwijtgescholden. Stichting WEW schrijft, voor zover relevant:

Verlies
Uw woning is verkocht en de opbrengst hiervan was onvoldoende om de lening en de daarbij gemaakte kosten volledig terug te betalen, waardoor een verlies is ontstaan.

Besluit
Op basis van de kwijtscheldingsregeling wordt het ontstane verlies u niet kwijtgescholden.

Waarom komt u niet in aanmerking voor kwijtschelding?

Uw dossier is op twee criteria beoordeeld. Aan beide criteria moet zijn voldaan om voor kwijtschelding van het verlies in aanmerking te komen.

1. Is sprake van te goeder trouw ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening?

Dat is wel het geval als er sprake is van relatiebeëindiging, arbeidsongeschiktheid en/of niet verwijtbare werkloosheid, waardoor de lening niet meer kon worden betaald.

Het WEW stelt vast dat niet aannemelijk is gemaakt dat een van genoemde aspecten de oorzaak is van het niet kunnen betalen van de lening. U heeft niet voldaan aan het criterium te goeder trouw. (…)”

2.25.

Bij brief van 17 september 2015 heeft Stichting WEW, in antwoord op een verzoek tot heroverweging van de zijde van [B c.s.] , medegedeeld dat zij blijft bij haar beslissing dat niet aan het te goeder trouw criterium is voldaan en dat de restschuld om die reden niet zal worden kwijtgescholden. Ter motivering van deze beslissing schrijft Stichting WEW, onder meer:

“U geeft aan dat u uw baan in Nederland met wederzijds goedvinden heeft beëindigd. Daarmee is geen sprake geweest van werkloosheid of inkomensdaling in de periode voorafgaande aan uw emigratie. Daarom is het niet meer kunnen betalen van de hypothecaire lening geen gevolg van uw werkloosheid in Aruba, maar van uw emigratie voordat uw woning verkocht was. Bij uw emigratie was immers niet bekend of de woning zou worden verkocht en wat de eventuele opbrengst van de woning zou zijn. De gevolgen en risico’s van uw emigratie naar Aruba, waaronder de mogelijkheid van een verkoop met verlies, dienen voor uw eigen rekening te blijven. Emigratie naar Aruba en het daar vrijwillig beëindigen van uw baan in Nederland, vallen niet onder de criteria die kunnen leiden tot kwijtschelding, hoezeer wij uw keuze om nog tijd bij uw zieke (schoon)vader door te willen brengen, respecteren. (…)”

2.26.

Partijen zijn op 1 december 2015 in afwachting van de uitkomst van deze procedure een voorlopige betalingsregeling van € 300 per maand overeengekomen.

3 Het geschil

3.1.

[B c.s.] vorderen - samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart dat [B c.s.] voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor kwijtschelding van de restschuld;

  2. Stichting WEW veroordeelt om aan [B c.s.] te bevestigen dat de volledige restschuld zal worden kwijtgescholden;

  3. Stichting WEW verbiedt verdere invorderingsmaatregelen te nemen ter zake van de restschuld;

  4. Stichting WEW veroordeelt tot terugbetaling van de door [B c.s.] voldane termijnen van € 300.

met veroordeling van Stichting WEW in de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

3.2.

[B c.s.] stellen dat zij in aanmerking komen voor kwijtschelding. Zij voldoen aan het in de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht 2003 genoemde criterium ‘te goeder trouw zijn ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening’. Zij stellen er alles aan te hebben gedaan om de hypothecaire/financiële lasten aan de bank te kunnen blijven voldoen en/of de woning zo spoedig mogelijk te proberen te verkopen om de restschuld te minimaliseren. [B c.s.] hadden in 2005 in Nederland geen uitzicht op een baan, terwijl zij in Aruba wel een baan konden krijgen. In het begin hadden zij nog geen dubbele woonlasten, omdat zij bij de ouders van [B] en vervolgens in het huis van de overleden grootmoeder van [B] woonden. Bovendien mochten zij erop vertrouwen dat de woning op niet al te lange termijn zou worden verkocht. [B c.s.] hebben gedurende acht jaar steeds aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen, ondanks periodes van werkloosheid. Niet juist is dus de stelling van Stichting WEW dat het vertrek van [B c.s.] naar Aruba de oorzaak van de restschuld zou zijn; de oorzaak is het noodzakelijke onderhoud aan de woning en het - niet verwijtbare - baanverlies van [A] in 2013, waardoor [B c.s.] onvoldoende draagkracht overhielden om de hypotheeklasten te betalen.

3.3.

Stichting WEW voert verweer en voert in dat verband, kort gezegd, het volgende aan. Stichting WEW heeft bij de invulling van het criterium ‘te goeder trouw’ in artikel A3 altijd een vaste gedragslijn gehanteerd, die door de - tot voor kort in deze zaken bevoegde - bestuursrechter ook telkens als een redelijke beleidslijn is aanvaard. Dit beleid, ook kenbaar via de website van Stichting WEW, komt erop neer dat sprake is van goede trouw indien de geldnemer de lening niet (volledig) meer kan betalen als gevolg van relatiebeëindiging, niet-verwijtbare werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid en een verkoop van de woning hierdoor onvermijdelijk was. In dit geval hebben [B c.s.] met hun emigratie naar Aruba in 2005 het risico op zich genomen dat zij als gevolg van dubbele woonlasten de hypotheeklasten niet meer konden voldoen en tot een gedwongen verkoop moesten overgaan. De oorzaak voor de restschuld is aldus gelegen in deze eigen keuze van [B c.s.] om te emigreren. Dit causaal verband wordt niet doorbroken door de latere onvrijwillige werkloosheid van [A] . Stichting WEW heeft zich in dit licht dus terecht op het standpunt gesteld dat [B c.s.] niet voldeden aan het criterium te goeder trouw. De kwijtscheldingsregeling is niet bedoeld voor schulden die het gevolg zijn van vrijwillig genomen risico’s van geldnemers.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is of [B c.s.] in aanmerking komen voor kwijtschelding van het bedrag dat Stichting WEW aan de bank heeft voldaan, hetgeen volgens [B c.s.] het geval is en Stichting WEW betwist.

4.2.

Tot voor kort werden geschillen tussen geldnemers en Stichting WEW over een afwijzende kwijtscheldingsbeslissing bestuursrechtelijk beslist. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4568 beslist dat Stichting WEW niet is aan te merken als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB). Omdat die beslissing een breuk betekent met jarenlange vaste rechtspraak, heeft de Afdeling bij wijze van overgangsregeling bepaald dat alle tot 1 maart 2015 genomen beslissingen omtrent het al dan niet kwijtschelden van restschulden nog zullen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 AWB, maar dat ten aanzien van geschillen over ná 1 maart 2015 genomen beslissingen niet de bestuursrechter, maar de burgerlijke rechter bevoegd is. Dat geldt dus ook voor het onderhavige geschil, aangezien de door [B c.s.] bestreden kwijtscheldingsbeslissing van Stichting WEW dateert van 27 maart 2015. Dat betekent dat het onderhavige geschil, anders dan voorheen, met inachtneming van het civielrechtelijk toetsingskader moet worden beoordeeld.

4.3.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat, anders dan [B c.s.] ter comparitie hebben gesteld, geen sprake is van een overeenkomst tussen Stichting WEW en [B c.s.] . De standaardovereenkomst van borgtocht is tussen Stichting WEW en de bank gesloten, waarbij [B c.s.] geen partij zijn. De leningsovereenkomst is tussen de bank en [B c.s.] gesloten, waarbij Stichting WEW geen partij is.

4.4.

De rechtbank kwalificeert, met partijen, de standaardovereenkomst tussen de bank en Stichting WEW als een overeenkomst van borgtocht. Dit betekent dat Stichting WEW als borg op grond van artikel 7:866 BW voor het gehele bedrag dat hij op grond van de met de bank gesloten overeenkomst aan de bank heeft moeten voldoen een zelfstandig regresrecht op [B c.s.] heeft. Uit de rechtsverhouding tussen Stichting WEW en [B c.s.] kan iets anders voortvloeien. De rechtsverhouding tussen Stichting WEW en [B c.s.] wordt voorts op grond van artikel 7:865 BW beheerst door de redelijkheid en de billijkheid. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.

Gelet op het in de Algemene Voorwaarden Borgtocht 2003 en de leningsovereenkomst opgenomen kwijtscheldingsbeding - waarvan de tekst in de beide geschriften voor zover relevant gelijkluidend is (zie hiervoor 2.4 en 2.7) en die Stichting WEW met het aangaan van de standaardovereenkomst tegenover de bank heeft aanvaard en die [B c.s.] met het aangaan van de leningsovereenkomst tegenover de bank hebben aanvaard - brengt de rechtsverhouding tussen Stichting WEW en [B c.s.] mee dat Stichting WEW in beginsel geen regres op [B c.s.] neemt, mits en voorzover naar het oordeel van de Stichting WEW is gebleken dat [B c.s.] ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw zijn geweest.

4.6.

Tussen partijen is de uitleg van het kwijtscheldingsbeding in geschil. Volgens [B c.s.] moet, bij gebreke aan een nadere toelichting in de Algemene Voorwaarden Borgtocht 2003 en de leningsovereenkomst, het begrip ‘te goeder trouw’ naar gangbare maatstaven, althans naar burgerlijk recht worden uitgelegd en mochten [B c.s.] er op de vertrouwen dat een eventuele restschuld bij verkoop van de woning hen zou worden kwijtgescholden, aangezien [B c.s.] niet kan worden verweten dat zij de lening in 2013 niet meer konden betalen. Stichting WEW bestrijdt die uitleg en voert aan dat het in dit verband niet gaat om de civielrechtelijke goede trouw in de zin van ‘niet te kwader trouw’, maar dat moet worden aangesloten bij de bestendige invulling die Stichting WEW altijd aan dit kwijtscheldingscriterium heeft gegeven (zie ook hiervoor onder 3.3). Die invulling is, aldus de Stichting WEW, in het verleden ook steeds in bestuursrechtelijke procedures aanvaard en ook kenbaar via haar website.

4.7.

Voor de uitleg van het kwijtscheldingsbeding geldt als algemeen uitgangspunt dat alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis zijn. Bij de beantwoording van de vraag welke concrete uitlegnorm in dezen geldt, dient in aanmerking te worden genomen dat [B c.s.] , zoals hiervoor is overwogen, als geldnemers geen partij zijn bij de standaardovereenkomst tussen de Stichting WEW en de bank en geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud of formulering van het kwijtscheldingsbeding in de leningsovereenkomst. Geldverstrekkers zijn op grond van de Algemene Voorwaarden Borgtocht 2003 immers verplicht in de overeenkomst met geldnemers waarin een lening met NHG wordt verstrekt clausules op te nemen met de strekking zoals in het kwijtscheldingsbeding verwoord. Geldverstrekkers, noch geldnemers beschikken ter zake over onderhandelingsruimte. Gelet hierop dient aan de hand van de bewoordingen van het kwijtscheldingsbeding, eventueel in samenhang met (andere) door Stichting WEW gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, te worden beantwoord welke betekenis [B c.s.] redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en of zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat Stichting WEW tot kwijtschelding van de lening zou overgaan.

4.8.

In de leningsovereenkomst, noch in de Algemene Voorwaarden Borgtocht 2003 is toegelicht wat onder de in het kwijtscheldingsbeding genoemde ‘goede trouw’ wordt verstaan. Die omstandigheid laat onverlet dat [B c.s.] aan de bewoordingen van het beding in de leningsovereenkomst hebben kunnen ontlenen dat het ter beoordeling van Stichting WEW is of die situatie zich voordoet (“naar het oordeel van”). De beoordelingsvrijheid van Stichting WEW of zij al dan niet tot invordering overgaat, sluit aan bij het wettelijk regresrecht van Stichting WEW als borg, dat zich in beginsel uitstrekt tot de gehele restschuld van [B c.s.] , en brengt mee dat [B c.s.] ermee rekening hebben kunnen en moeten houden dat de verdere invulling van het goede trouw-criterium aan Stichting WEW is overgelaten, met inachtneming van hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengen. Bij die invulling komt derhalve betekenis toe aan het beleid (de vaste gedragslijn) dat (die) Stichting WEW ter zake hanteert en, zoals niet tussen partijen in geschil is, dat (die) thans op haar website wordt gepubliceerd. Verder geldt dat de NHG naar zijn aard is bedoeld als vangnet en dat het niet de bedoeling is dat Stichting WEW ook restschulden draagt die voorkomen of beperkt hadden kunnen worden, zoals ook in de slotzin van het kwijtscheldingsbeding tot uitdrukking is gebracht. Met deze aard en opzet van de NHG is de door [B c.s.] voorgestane uitleg van het kwijtscheldingsbeding niet in overeenstemming, aangezien deze uitleg er in de kern op neerkomt dat Stichting WEW in beginsel tot kwijtschelding gehouden zou zijn, tenzij gebleken is dat de geldnemer niet te goeder trouw is.

4.9.

Verder neemt de rechtbank als vaststaand aan dat Stichting WEW het goede trouw- criterium vanaf het aangaan van de leningsovereenkomst tot op heden consequent heeft ingevuld op de wijze die zij ook in het geval van [B c.s.] heeft gehanteerd. [B c.s.] hebben hun stelling ter comparitie dat het ten tijde van het aangaan van de leningsovereenkomst standaardpraktijk was dat een restschuld werd kwijtgescholden niet nader toegelicht. Of Stichting WEW eerst na het aangaan van de leningsovereenkomst haar beleid op haar website heeft gepubliceerd, acht de rechtbank niet van belang, gelet op hetgeen hiervoor in 4.8 is overwogen. De Afdeling heeft de invulling van Stichting WEW aan het goede trouw-criterium ook altijd als redelijk beleid aanvaard en tot uitgangspunt genomen bij haar beslissingen (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 17 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4568), en 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2208).

4.10.

De rechtbank is in het licht van het vorenstaande ook van oordeel dat er rechtens geen gronden zijn, en het overigens onwenselijk zou zijn, dat de overgang van de bevoegdheid van de bestuursrechter naar de civiele rechter in zaken naar aanleiding van afwijzende kwijtscheldingsbeslissingen van Stichting WEW tot een wezenlijk andere uitleg van het goede trouw-criterium leidt. Het kwijtscheldingsbeding is immers geschreven voor een grote groep geldnemers, waarbij vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid tegenover al die geldnemers dezelfde uitleg moet worden gehanteerd. Dit klemt te meer, nu niet is gesteld of gebleken dat de Afdeling met haar beslissing van 17 december 2014 over de overgang van de bestuursrechter naar de civiele rechter mede heeft beoogd dat voortaan inhoudelijk een andere invulling aan het kwijtscheldingsbeding zou moeten worden gegeven.

4.11.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het goede trouw-criterium moet worden uitgelegd zoals Stichting WEW heeft betoogd, namelijk dat - uitzonderingen daargelaten - sprake is van ‘goede trouw’ in de zin van de leningsovereenkomst als de restschuld het gevolg is van relatiebeëindiging, onvrijwillige werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid. Die uitleg brengt mee dat verliezen die zijn toe te rekenen aan eigen keuzes van de geldnemer na het aangaan van de leningsovereenkomst in de aanwending van zijn financiële middelen, voor zijn eigen rekening blijven.

4.12.

[B c.s.] hebben ten slotte geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de bank specifiek in hun geval namens Stichting WEW mededelingen over de uitleg van het kwijtscheldingsbeding heeft gedaan die, mogelijk, tot een andere conclusie nopen. Ter comparitie hebben zij niet meer gesteld dan dat hen gezegd is dat de NHG als vangnet was bedoeld.

4.13.

Inhoudelijk leidt het vorenstaande tot het volgende. Voor zover [B c.s.] stellen dat Stichting WEW op grond van haar beleid zoals kenbaar via haar website tot kwijtschelding had moeten overgaan omdat de kosten van onderhoud aan de woning en de onvrijwillige werkeloosheid van [B] in 2013 de directe oorzaken van het niet meer kunnen betalen van de lening zijn, en niet de verhuizing naar Aruba in 2005, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat Stichting WEW de omstandigheid dat [B] zijn tijdelijke aanstelling bij de politie voortijdig heeft beëindigd, [B c.s.] in redelijkheid niet kan tegenwerpen. Hij was ten tijde van die beëindiging immers reeds een dienstverband aangegaan bij een raffinaderij te Aruba en zijn tijdelijke aanstelling bij de politie was bijna afgelopen. Die omstandigheid (het voortijdig beëindigen van een tijdelijke aanstelling) laat evenwel onverlet dat [B c.s.] onvoldoende feiten hebben aangevoerd waaruit kan volgen dat destijds voor [B] de aanvaarding van die baan in Aruba, althans verhuizing naar Aruba de enige reële optie was om, na de verwachte beëindiging van zijn tijdelijke aanstelling bij de politie, in zijn inkomen te voorzien en de lening te kunnen blijven te betalen. Met de verhuizing naar Aruba hebben [B c.s.] het risico genomen dat zij met dubbele woonlasten zouden worden geconfronteerd en dientengevolge bij baanverlies of andere tegenslagen in betalingsproblemen zouden kunnen raken. Dit te meer nu als onweersproken vaststaat dat zij als gevolg van hun verhuizing naar Aruba hun aanspraken op de in Nederland aanwezige sociale voorzieningen verloren. Het is dit risico dat zich ook uiteindelijk heeft verwezenlijkt. [B c.s.] hebben ter comparitie meegedeeld dat zij, na aanvankelijk bij familie te hebben gewoond, op enig moment gedurende hun verblijf op Aruba daadwerkelijk dubbele lasten zijn aangegaan door zelf een woning te huren (en later te kopen) en daarnaast leningen voor twee auto’s aan te gaan, terwijl de woning in Nederland op dat moment nog steeds niet verkocht was. Hoewel volgens [B c.s.] zelf blijkens het verhandelde ter comparitie hun inkomen in 2013 hoger was dan het inkomen dat [B] in 2005 bij het aangaan van de leningsovereenkomst genoot, konden zij in 2013 niettemin hun betalingsverplichtingen jegens de bank niet meer nakomen en hebben zij de woning daarna gedwongen - met verlies - moeten verkopen. De rechtbank kan niet anders dan tot de vaststelling komen dat de kernoorzaak van de restschuld die is ontstaan, niet gelegen is in het baanverlies van [A] en kosten van onderhoud aan de woning in 2013, maar in de dubbele (woon)lasten als gevolg van hun verhuizing naar Aruba en andere vrijwillig gemaakte keuzes van [B c.s.] in de aanwending van hun financiële middelen. [B c.s.] staat het uiteraard vrij om hun leven in te vullen zoals zij willen. Omgekeerd betekent dit, zoals hiervoor is overwogen, dat de aard en strekking van de NHG meebrengt dat zij de uit die keuzes voortvloeiende financiële gevolgen zelf moeten dragen en niet op Stichting WEW kunnen afwentelen.

4.14.

De slotsom is dan ook dat Stichting WEW zich tegenover [B c.s.] rechtens op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in aanmerking komen voor kwijtschelding. Dat betekent dat Stichting WEW, conform artikel 7:866 lid 1 BW, regres kan nemen op [B c.s.] . De vorderingen van [B c.s.] worden daarom afgewezen.

4.15.

Als de in het ongelijk gestelde partij worden [B c.s.] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Stichting WEW begroot op € 1.929,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris advocaat (2 punten x liquidatietarief € 452,-), in totaal: € 2.833,-.

4.16.

Voor veroordeling in de gevorderde nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [B c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting WEW begroot op € 2.833;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.