Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2786

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/28059
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiseres is een “multiple entry” visum voor kort verblijf verleend met een geldigheidsduur van 90 dagen. Zij heeft echter 103 dagen in Nederland verbleven. Verweerder heeft aan eiseres daarom een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit op goede gronden gedaan. (WIEB)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/28059

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 maart 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1991, van Filipijnse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: [de persoon] ),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Toussaint).

Procesverloop

Met het besluit van 23 oktober 2016 heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiseres uitgereikt. Hierin staat dat zij de Europese Unie binnen 28 dagen dient te verlaten. Bij dit besluit heeft verweerder ook een inreisverbod tegen eiseres uitgevaardigd voor een periode van één jaar. Het inreisverbod gaat in op het moment dat eiseres Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zullen hierna tezamen worden aangeduid als het bestreden besluit.


Op 1 december 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen het bestreden besluit ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2017. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. Ook was mevrouw [naam 2] , de moeder van de gemachtigde van eiseres bij de zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Het geschil

1. Eiseres heeft op basis van een visum voor kort verblijf in Nederland verbleven. Het visum was 90 dagen geldig, maar eiseres is 103 dagen in Nederland gebleven, 13 dagen te lang. Bij vertrek uit de Filipijnen had eiseres een retourticket waarmee zij op 10 oktober 2016 terug zou keren. In Nederland heeft zij echter besloten haar ticket om te boeken en te vertrekken op 23 oktober 2016. Op Schiphol is eiseres toen staande gehouden en vervolgens is aan haar het bestreden besluit uitgereikt. De rechtbank moet beoordelen of het bestreden besluit stand kan houden.

Standpunten partijen

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres te lang in Nederland heeft verbleven, daarom is het bestreden besluit terecht uitgevaardigd. Het had op de weg van eiseres gelegen om bij het omboeken van het ticket te controleren of het visum wel zo lang geldig was. Eiseres stelt wel dat ze dat gedaan heeft, maar dit heeft zij niet bewezen. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat geen ruimte voor coulance bestaat. Het belang van de Nederlandse overheid om de regels voor toegang tot Nederland en het Schengengebied streng te handhaven is groter dan het individuele belang van eiseres. Er wordt veel misbruik gemaakt van de visumprocedure, daarom worden de regels strak gehandhaafd, aldus verweerder.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij oorspronkelijk van plan was in Nederland te verblijven van 13 juli 2016 tot en met 10 oktober 2016. Omdat zij op het visum zag staan dat dit geldig was tot 25 oktober 2016, heeft zij besloten haar ticket om te boeken naar een latere vertrekdatum. Zij kon zo langer bij haar partner blijven. Eiseres geeft hierbij aan dat haar bij de afgifte van het visum door een ambassademedewerker is verteld dat zij voor de einddatum van het visum Nederland moest verlaten. De KLM-medewerker die heeft geholpen bij het omboeken, heeft het visum ook gecontroleerd en daarbij opgemerkt dat eiseres voor de einddatum van het visum Nederland moest verlaten. Eiseres dacht dan ook dat zij volgens de regels handelde, zij heeft nooit de intentie gehad de regels te overtreden. Ook de Marechaussee kon de vraag van eiseres niet beantwoorden waarom haar visum 105 dagen geldig was, terwijl zij maar 90 dagen in het Schengengebied mocht zijn.

De wet

4. De rechtbank heeft de toepasselijke wetten en andere rechtsregels in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen. Uit die regels volgt dat een vreemdeling die niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft, Nederland moet verlaten. Die vreemdeling wordt schriftelijk in kennis gesteld van die vertrekplicht en van de termijn waarbinnen aan die vertrekplicht moet zijn voldaan (de vertrektermijn). Die schriftelijke kennisgeving is een terugkeerbesluit, zoals ook aan eiseres bij het bestreden besluit is uitgereikt.

Als een terugkeerbesluit is opgelegd en de vreemdeling een vertrektermijn krijgt, mag verweerder een inreisverbod opleggen. Verweerder mag zelf bepalen wanneer in zo’n geval een inreisverbod wordt opgelegd. Verweerder heeft daarvoor regels gemaakt. Dat zijn beleidsregels. Die beleidsregels staan voor dit soort gevallen in paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

In deze paragraaf staat voor zover hier van belang – kort gezegd – dat de Marechaussee een inreisverbod uitvaardigt als is voldaan aan twee voorwaarden:

  • -

    de vreemdeling is meer dan drie dagen te lang in Nederland verbleven dan volgens het visum was toegestaan;

  • -

    de vreemdeling volgens het terugkeerbesluit niet meteen Nederland hoeft te verlaten, maar een vertrektermijn heeft gekregen.

Verweerder kan van een inreisverbod afzien ‘om humanitaire of andere redenen’.

Beoordeling door de rechtbank

5.1

Voor de beoordeling door de rechtbank is het van belang wat precies op het visum van eiseres staat. Op het visum was vermeld dat het visum geldig was van 12 juli 2016 tot 25 oktober 2019. Dat is een periode van 105 dagen. Verder was bij ‘aantal binnenkomsten’ vermeld ‘mult’, wat multiple entry betekent. Ten slotte is bij ‘duur van het verblijf’ vermeld ‘90 dagen’. Dit betekent dat eiseres in een periode van 105 dagen meerdere keren het Schengengebied mocht inreizen, maar dat de duur van haar totale verblijf niet langer dan 90 dagen mocht zijn.

5.2

De rechtbank moet een drietal vragen beantwoorden. Ten eerste moet de rechtbank beoordelen of eiseres te lang in het Schengengebied heeft verbleven. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is. Eiseres was immers 103 dagen in Nederland in plaats van 90 dagen. Zij was hier dus dertien dagen te lang. Verweerder mocht dus een terugkeerbesluit aan eiseres uitvaardigen.

5.3

Ten tweede moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op basis van de wet- en regelgeving een inreisverbod mocht uitvaardigen tegen eiseres. De rechtbank is van oordeel dat dit mocht. Eiseres heeft de toegestane termijn van 90 dagen met meer dan drie dagen (namelijk dertien dagen) overschreden. Daarbij hoefde zij op basis van het terugkeerbesluit Nederland niet onmiddellijk, maar binnen 28 dagen verlaten. Volgens de beleidsregels moest daarom een inreisverbod opgelegd worden.

5.4

Ten derde moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder toch van het uitvaardigen van een inreisverbod had moeten afzien. Zoals uit de beleidsregels blijkt, kan verweerder dat immers doen om ‘humanitaire of andere redenen’. Volgens verweerder is er geen ruimte is voor coulance (zie ook rechtsoverweging 2). Omdat veel misbruik wordt gemaakt van de visumprocedure, handhaaft verweerder de regels heel streng. De rechtbank begrijpt de uitleg van eiseres over de oorzaak van haar te lange verblijf, maar is van oordeel dat het op de weg van eiseres lag om bij de minste twijfel, voor het omboeken van het ticket, contact op te nemen met de desbetreffende autoriteiten. De KLM is dat niet. Omdat eiseres dat niet gedaan heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit mocht uitvaardigen. Verweerder mag zich hierbij op het standpunt stellen dat het belang van de Nederlandse overheid groter is dan het individuele belang van eiseres en heeft dat ook voldoende uitgelegd.

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.C. Schaap, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: CS

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

BIJLAGE

Artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, luidt als volgt.

1 Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, luidt als volgt:

2 Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.

Artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, luidt als volgt:

8 In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Paragraaf A4/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 luidt, voor zover van belang als volgt.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit op grond van artikel 66a lid 2 Vw aan onder andere een vreemdeling die de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 Vb, met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.