Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2781

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
AWB 17/1496 en AWB 17/1497 (vovo)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken nieuwe elementen of bevindingen. Documenten deels overgelegd in eerdere procedure. Voor het overige zijn de documenten niet relevant, omdat de gestelde familieband met (vermeende) LTTE-aanhangers niet aannemelijk is gemaakt.

Eiser voert verder aan dat zodra hij zich bij de ambassade meldt voor een laissez-passer, hij in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten zal komen te staan. De Sri Lankaanse autoriteiten zullen dan onderzoek naar hem doen en er dan achter komen dat zijn neven en broers (vermeende) LTTE-aanhangers waren. Nog los van het antwoord op de vraag of eiser deze algemene handelwijze van de Sri Lankaanse autoriteiten voldoende aannemelijk heeft gemaakt om er van uit te gaan dat ook in zijn geval uitvoerig onderzoek zal worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat eiser ook hier als uitgangspunt neemt dat er een familieband bestaat tussen hem en (vermeende) LTTE-aanhangers. Dat heeft eiser juist niet onderbouwd, wat hem door verweerder ook terecht wordt tegengeworpen. De enkele stelling van eiser dat de Sri Lankaanse autoriteiten die familieband wel zullen aannemen, is dan ook onvoldoende om hierom al een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka aan te nemen. Het ligt dan toch op de weg van eiser om nader te onderbouwen dat de Sri Lankaanse autoriteiten wel een familieband tussen eiser en (vermeende) LTTE-aanhangers aannemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1496 (beroep)

AWB 17/1497 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 20 februari 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1988, van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 9 september 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

Op 19 januari 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig A.P. Shantham, tolk in de taal Tamil. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

Eerste asielaanvraag

1.1

Eiser heeft op 8 februari 2010 een asielaanvraag ingediend waaraan hij het volgende relaas ten grondslag heeft gelegd. Eiser is Tamil en afkomstig uit [woonplaats] , Sri Lanka. Op 11 april 2007 heeft eiser problemen ondervonden van het Sri Lankaanse leger. Het Sri Lankaanse leger was op deze dag op zoek naar eiser en zijn vriend [de persoon 1] . Eiser en deze vriend zijn daarom ieder een andere weg gegaan. Eiser hoorde nadien geweerschoten en is die dag uit angst niet naar huis gegaan, maar naar het huis van zijn oom om onder te duiken. Eiser heeft zijn vader gebeld en de situatie uitgelegd. Eisers vader adviseerde hem om niet naar huis te komen. Van zijn vader hoorde eiser dat [de persoon 1] die dag was doodgeschoten door de leden van de Q-Branch, een onderdeel van het Sri Lankaanse leger, en dat zij eveneens op zoek waren naar eiser. Eisers beide broers waren lid van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE). Eiser heeft van 11 april 2007 tot 18 december 2009 bij zijn oom ondergedoken gezeten. Op 15 december 2009 is eisers broer naar het huis van eisers oom gekomen. Na twee dagen is eisers broer door twee jongens, genaamd [naam 1] en [naam 2] , meegenomen. De daaropvolgende dag kwam de Q-Branch om naar eisers en eisers broer te vragen. Eiser is hierna uit angst naar een kennis van zijn oom vertrokken. Op 16 januari 2010 heeft eiser het land verlaten en op 20 januari 2010 Nederland ingereisd.

1.2

Deze aanvraag is bij besluit van 2 augustus 2010 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 4 april 2011 (AWB 10/30391) ongegrond verklaard.

Tweede asielaanvraag

1.3

Bij besluit van 23 april 2012 heeft verweerder eisers asielaanvraag van 13 april 2012 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 16 mei 2012 (AWB 12/13608 en 12/13584) ongegrond verklaard.

Derde asielaanvraag

1.4

Eiser heeft op 24 juni 2013 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze is bij besluit van 2 juli 2013 afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van 25 juli 2013 (AWB 13/17125 en 13/17126) gegrond verklaard, omdat er in een andere zaak nadere vragen waren gesteld over het door verweerder toegepaste algemeen ambtsbericht van 2013 inzake Sri Lanka. Het betrof het punt van een risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor terugkerende Tamils.

1.5

Bij besluit van 29 augustus 2013 is de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 18 maart 2014 (AWB 13/25137) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 1 augustus 2014 (201403160/1/V2) door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd.

Vierde asielaanvraag

2. Op 9 september 2016 heeft eiser wederom een asielaanvraag ingediend, ter ondersteuning waarvan hij de volgende documenten heeft overgelegd:

  1. geboorteakte;

  2. drie Sri Lankaanse Refugee Cards;

  3. drie certificaten Austinpatti Police Station;

  4. gegevens over Majooran Arumugan in de Gazette Extraordinary of the Democratic Socialist Republic of Sri Lanka van 21 maart 2014 (p. 3A);

  5. verblijfsdocument [de persoon 2] in Canada;

  6. stukken over tante in Zwitserland;

  7. geboorteakte neef [naam 3] ;

  8. bewijsstukken detentie neef [naam 3] ;

  9. bewijsstukken detentie neef [naam 4] ;

  10. publicatie op Tamilnet van 7 april 2011;

  11. overlijdensbericht vriend [de persoon 1] ;

  12. schoolverklaring van 6 april 2011;

  13. foto’s broer, foto’s Heldendag, foto’s littekens;

  14. overlijdensbericht moeder.

Bij zijn zienswijze heeft eiser ook nog de volgende documenten overgelegd:

beschikking verweerder van 20 juli 2016 tot inwilliging asielaanvraag andere vreemdeling naar aanleiding van ‘Detention Attestation’ van het Rode Kruis van

15 november 2010;

rapport Asylum Research Consultancy (ARC) ‘Sri Lanka COI Query Response’ van maart 2016;

uitspraken rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 26 juli 2016 (AWB 16/14766) en 28 juli 2016 (AWB 16/14769);

diverse verslagen van gesprekken tussen de Sri Lankaanse ambassade en IOM/DT&V/gemachtigde eiser/Sri Lankaanse asielzoekers;

rapport Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) van 22 april 2016.

Het bestreden besluit

3. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. De onder ii., iii., x. en xii. genoemde documenten zijn al in de vorige procedures overgelegd en beoordeeld. Ten aanzien van de overige bij zijn aanvraag overgelegde documenten wordt overwogen dat de authenticiteit hiervan niet kan worden vastgesteld, omdat het kopieën zijn en geen originelen. Het onder iv. genoemde artikel in de Gazette dateert van na het besluit van 29 augustus 2013, maar had door eiser in de procedure bij de Afdeling kunnen worden overgelegd. Verder kan op basis van een kopie van een verblijfsdocument geen familieband worden vastgesteld tussen eiser en de in de Gazette genoemde gestelde neef. In de eerdere procedures is al geoordeeld dat uit de overgelegde stukken ten aanzien van de familie in India niet kan worden afgeleid of zij in India bescherming hebben gezocht en of de gestelde problemen van eiser hiervan de aanleiding waren. Van de overgelegde foto’s van de gestelde broers kan niet worden afgeleid of dit daadwerkelijk broers van eiser zijn of waar en wanneer die foto’s zijn genomen. Ten aanzien van de onder xv. genoemde beschikking stelt verweerder zich op het standpunt dat deze niet tot inwilliging voor eiser kan leiden. De door eiser genoemde verklaring van het Rode Kruis en de minister van Defensie zien immers niet op eiser en dateren al uit 2008. De gestelde problemen van eisers familieleden zijn al in de vorige procedures door eiser naar voren gebracht en betrokken bij de besluitvorming, dus de verklaringen van eiser op dat punt zijn niet nieuw. Het ARC-rapport kan evenmin worden aangemerkt als nieuw element. Eiser heeft nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ondervonden vanwege (vermeende) activiteiten voor de LTTE of dat hij in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten staat. De verwijzing naar het ARC-rapport maakt dit niet anders. Daarbij wordt opgemerkt dat dit rapport deels betrekking heeft op uit het Verenigd Koninkrijk teruggekeerde Sri Lankanen en de Tamil diaspora in het Verenigd Koninkrijk, dus niet op Nederland. Ten aanzien van de onder xvii. en xviii. genoemde gespreksverslagen merkt verweerder op dat deze niet zien op eiser. Niet is gebleken van een bezoek van eiser aan de Sri Lankaanse ambassade, laat staan van een gespreksverslag van een heimelijk opgenomen gesprek. Daarom kunnen deze documenten niet afdoen aan het standpunt dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Overwogen wordt nog dat in het verleden is voorgevallen dat de Sri Lankaanse ambassade vroeg om inzage in het asieldossier bij de aanvraag van een laissez-passer. Er hebben echter ook presentaties plaatsgevonden zonder die eis. De Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) heeft bevestigd nimmer asielgerelateerde informatie te hebben verstrekt aan de ambassade. Dit is enkel voorgevallen bij vrijwillige terugkeer via het IOM. Zowel IOM als DT&V hebben bevestigd dat deze eis niet meer wordt gesteld. Eisers beroep op de in het beleid van verweerder genoemde risicofactoren is evenmin nieuw. In de vorige procedure zijn die risicofactoren al betrokken in de besluitvorming en is geoordeeld dat deze factoren niet van toepassing zijn op eiser. Dit is door de rechtbank en de Afdeling bevestigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 20 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2351) en 23 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2438) overwogen dat met name activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka bij terugkeer in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat de autoriteiten inmiddels in staat zijn gewone Sri Lankaanse remigranten, waaronder voormalige asielzoekers, te onderscheiden van activisten. Het SFH-rapport, WBV 2015/8 en het algemeen ambtsbericht van oktober 2014 bevatten geen informatie die tot een ander oordeel leidt. Volgens het SFH-rapport lijken de arrestaties van Tamils samen te hangen met vermeende banden met de LTTE, wat in het geval van eiser niet aannemelijk is geworden. Het standpunt van eiser dat het algemeen ambtsbericht van oktober 2014 inmiddels gedateerd is en dat er, gelet op de gespreksverslagen, twijfel bestaat aan de juistheid en volledigheid daarvan, volgt verweerder niet. Eiser heeft nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer als activist wordt ondervraagd en daarbij blootgesteld wordt aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus verweerder.

Beoordeling gronden van beroep

4.1

Eiser voert aan dat hij in deze procedure en in de voorgaande procedures consistent verklaard heeft over de problemen die zijn familie heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten in verband met (vermeende) betrokkenheid bij de LTTE. Daarom zijn zij Sri Lanka ontvlucht. Eiser heeft dit onderbouwd met diverse documenten. Alle gevluchte/gedetineerde/als terrorist bekende familieleden zijn, net als eiser, afkomstig uit het kleine gehucht [naam 5] . Bij terugkeer dient eiser zich daar weer te registreren, waardoor hij meteen in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komt te staan. Eiser heeft verder een begin van bewijs geleverd van de authenticiteit van de Gazette van 21 maart 2014 door het overleggen van een kopie van het verblijfsdocument van zijn neef. Door navraag bij de Belgische autoriteiten kan de echtheid van dat verblijfsdocument makkelijk geverifieerd worden door verweerder. Net als zijn neef is eiser geboren in [naam 5] . Eiser heeft ondergedoken gezeten bij zijn oom, dus twee jaar feitelijk verbleven in de ouderlijke woning van zijn neef die als terrorist is aangemerkt. Er is dus sprake van een directe relatie tussen eiser en de persoon die vermeld wordt in de Gazette.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de onder rechtsoverweging 3. weergegeven motivering voldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en daarom de aanvraag niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. De rechtbank motiveert dat als volgt.

4.3

De gestelde problemen van de familieleden van eiser zijn al in de eerdere procedures beoordeeld en ongeloofwaardig bevonden. Eisers verklaringen op dit punt zijn dan ook niet als nieuw element of nieuwe bevinding aan te merken. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de familieleden om bescherming hebben gevraagd en verkregen in onder meer India en dat de gestelde problemen in verband met de LTTE daaraan ten grondslag hebben gelegen. Verder heeft eiser de gestelde familieband met de neven niet onderbouwd. Daarom kunnen de documenten die zien op de gestelde neven van eiser, voor zover deze al nieuw zijn, niet als relevant worden aangemerkt. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat hij een begin van bewijs heeft geleverd van de gestelde familieband met zijn neef door een kopie van een Belgisch verblijfsdocument over te leggen. Hieruit blijkt immers niet dat sprake is van een familieband tussen eiser en de houder van dat verblijfsdocument. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dan ook niet op de weg van verweerder om nader onderzoek te doen naar de authenticiteit van dit verblijfsdocument. Dat eisers gestelde neef om hem moverende redenen niet mee wil werken aan het aantonen van een familieband, komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Eiser heeft evenmin onderbouwd dat hij zich bij terugkeer moet registreren in [naam 5] en daarom meteen in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komt te staan. Eiser heeft de familieband met zijn gestelde neven die uit datzelfde dorp afkomstig zouden zijn immers niet aannemelijk gemaakt. Eiser beroept zich nog op de overgelegde foto’s van zijn gestelde broers, maar de rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat uit de foto’s niet valt af te leiden dat dit daadwerkelijk eisers broers zijn en waar en wanneer deze foto’s zijn gemaakt.

4.4

Hangende beroep heeft eiser een beroep gedaan op een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 3 februari 2017 over risico’s bij terugkeer van familieleden van LTTE-gelieerde personen, een inwilligende beschikking van een andere vreemdeling afkomstig uit Sri Lanka van 4 juni 2013 en een brief van Simon Harris, expert witness, van 6 februari 2017 over het risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Sri Lanka. Uit deze documenten volgt volgens eiser dat terugkerende Tamils met familiebanden met (vermeende) LTTE-aanhangers een risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat deze documenten eiser niet kunnen baten, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij familiebanden heeft met (vermeende) LTTE-aanhangers. Dat is wel het uitgangspunt in de door eiser overgelegde documenten, reden waarom deze documenten de uitkomst van deze procedure voor eiser niet anders maken.

4.5

Ditzelfde geldt voor de door eiser overgelegde gespreksverslagen, eisers beroep op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 26 en 28 juli 2016 (zie rechtsoverweging 2. onder xvii.) en eisers beroep op de handelwijze van de Sri Lankaanse ambassade.

4.6

Eiser voert, kort gezegd, aan dat de Sri Lankaanse ambassade uitvoerig onderzoek doet naar Sri Lankanen die bij de ambassade een laissez-passer of een paspoort aanvragen voor terugkeer naar Sri Lanka. De ambassade vraagt dan om allerlei informatie toe te sturen, waaronder een asieldossier, en doet op basis daarvan onderzoek in Sri Lanka. Eiser is nog niet bij de ambassade geweest voor een laissez-passer, maar zodra hij zich daar meldt zullen de Sri Lankaanse autoriteiten onderzoek naar hem doen en er dan achter komen dat zijn neven en broers (vermeende) LTTE-aanhangers waren. Daarmee staat eiser meteen in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten en loopt hij bij terugkeer het risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

4.7

Nog los van het antwoord op de vraag of eiser deze algemene handelwijze van de Sri Lankaanse autoriteiten voldoende aannemelijk heeft gemaakt om er van uit te gaan dat ook in zijn geval uitvoerig onderzoek zal worden gedaan, is de rechtbank van oordeel dat eiser ook hier als uitgangspunt neemt dat er een familieband bestaat tussen hem en (vermeende) LTTE-aanhangers. Dat heeft eiser juist niet onderbouwd, wat hem door verweerder ook terecht wordt tegengeworpen. De enkele stelling van eiser dat de Sri Lankaanse autoriteiten die familieband wel zullen aannemen, is dan ook onvoldoende om hierom al een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Sri Lanka aan te nemen. Het ligt dan toch op de weg van eiser om nader te onderbouwen dat de Sri Lankaanse autoriteiten wel een familieband tussen eiser en (vermeende) LTTE-aanhangers aannemen.

4.8

Eisers beroepsgronden slagen niet.

5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/1496,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/1497,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.