Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
C/09/52698 / FT RK 17/223 C/09/17/77 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillietverklaring. Vordering uit hoofde van geldlening opeisbaar op grond van art. 6:38 BW. Geen misbruik van bevoegdheid door twee maal het faillissement aan te vragen met als grondslag één en dezelfde vordering. Ne bis in idem-beginsel geldt in het civiele recht niet. Ook geen misbruik van bevoegdheid nu naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer kan worden vastgesteld dat er geen te executeren vermogen is of zal zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 6 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1491
INS-Updates.nl 2017-0144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer : C/09/526298 / FT RK 17/223

insolventienummer: C/09/17/77 F

uitspraakdatum : 7 maart 2017

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARPE B.V.,

verzoekster,

advocaat: mr. K.C. Mensink,

heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCAUDIT PROJECT EXPERTISE B.V.,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [00000000],

statutair gevestigd te Leidschendam,

correspondentieadres: [postcode en plaats, adres],

vestigingsadres: [postcode en plaats, adres],

verweerster.

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als “Carpe” en verweerster als “Scaudit”.

Het verzoekschrift is op 28 februari 2017 behandeld in raadkamer. Zowel verzoekster als verweerster zijn verschenen. Namens verzoekster is verschenen en gehoord de heer Bosman, bijgestaan door mr K.C. Mensink. Namens verweerster is verschenen en gehoord haar bestuurder, de heer E.R. Brus.

Het verzoek, de stellingen van Carpe en het verweer van Scaudit.

Carpe heeft het faillissement van Scaudit aangevraagd stellende dat zij in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen nu zij zowel de vordering van Scaudit als andere vorderingen onbetaald laat. Scaudit heeft dit verzoek betwist. Ter onderbouwing van hun standpunten hebben partijen het volgende aangevoerd.

Carpe heeft een vordering op Scaudit van € 8.500,00 uit hoofde van een geldlening, waarop eenmalig € 300,- is afgelost. Zij stelt dat die vordering opeisbaar is aangezien zij nakoming heeft gevorderd, maar dat Scaudit de vordering desondanks onbetaald laat. Carpe stelt dat Scaudit daarnaast nog andere schuldeisers onbetaald laat. Het zou gaan om een vorderingen van een viertal partijen, waaronder een vordering van de vennootschap onder firma Netsupport op Scaudit uit hoofde van een vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 september 2016. Scaudit verkeert derhalve in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, aldus Carpe.

Carpe stelt daarnaast dat zij er belang bij heeft dat een curator de stand van de boedel onderzoekt. Aanleiding tot dat onderzoek is het gegeven dat uit de jaarrekening van Scaudit volgt dat er vorderingen van Scaudit op derden zijn van meer dan € 100.000,00, aldus Carpe. Een curator kan onderzoeken of deze vorderingen inbaar zijn. Daarnaast is Scaudit eigenaresse van software, aldus Carpe. Een curator kan deze software te gelde maken.

Scaudit erkent dat Carpe een vordering op haar heeft uit hoofde van een geldlening. Zij betwist evenwel dat deze vordering opeisbaar is, omdat geen betalingstermijn zou zijn overeengekomen. Scaudit voert daarnaast aan dat Carpe misbruik van de bevoegdheid maakt tot het aanvragen van het faillissement van Scaudit, aangezien Carpe in een eerdere procedure het faillissement heeft aangevraagd met als grondslag dezelfde vordering als de vordering die aan het onderhavige verzoek tot faillietverklaring ten grondslag ligt. Dat eerdere verzoek is afgewezen door de rechtbank Den Haag bij beschikking van 3 februari 2015. Die beschikking is door het Gerechtshof Den Haag bekrachtigd bij beschikking van 28 april 2015. De rechtbank en het Hof hebben in die procedures geoordeeld dat niet summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van Carpe op Scaudit, hetgeen met zich brengt aldus Scaudit dat Carpe daarom niet nogmaals het faillissement van Scaudit mag aanvragen met als grondslag dezelfde vordering. Daarnaast is sprake van misbruik van bevoegdheid nu het faillissement van Scaudit niet opportuun is omdat de vordering van Carpe een fractie is van de gestelde steunvorderingen en Scaudit niet over activa beschikt, aldus Scaudit.

Beoordeling.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.

Voor faillietverklaring is onder meer vereist dat degene die het faillissement aanvraagt een vordering op de schuldenaar heeft en dat die schuldenaar meerdere schuldeisers heeft die onbetaald worden gelaten. Ter zitting heeft Scaudit het bestaan van de vordering van Carpe op haar erkend. Zij heeft evenwel weersproken dat het zou gaan om een opeisbare vordering, nu geen betalingstermijn zou zijn overeengekomen. Als uitgangspunt geldt ingevolge artikel 6:38 BW dat indien geen betalingstermijn is overeengekomen, terstond nakoming gevorderd kan worden. Carpe heeft aangetoond dat zij reeds nakoming heeft gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee vast komen te staan dat Carpe een opeisbare vordering heeft op Scaudit. Ter zitting is het bestaan en onbetaald laten van de vordering van de vennootschap onder firma Netsupport op Scaudit erkend. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat Scaudit meerdere schulden onbetaald laat en dat tenminste één van die schulden opeisbaar is. Voorts dient het er voor te worden gehouden dat Scaudit momenteel, of op korte termijn, niet in staat is deze schulden te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is Scaudit dan ook komen te verkeren in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.

Aan de orde komt vervolgens de vraag of Scaudit met deze faillissementsaanvraag misbruik van haar bevoegdheid maakt in de zin van art. 3:13 BW door twee maal het faillissement van Scaudit aan te vragen met als grondslag één en dezelfde vordering. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval . In het civiele recht geldt - in tegenstelling tot in het strafrecht - het beginsel “Ne bis in idem” niet. Dat betekent dat elke vordering die door een eiser wordt ingediend, door de civiele rechter beoordeeld dient te worden, ook al betreft het dezelfde procespartijen en ook al worden dezelfde vorderingen ingediend op dezelfde grondslag. Daar komt bij dat – anders dan kennelijk in de eerdere faillissementsprocedure het geval was – thans het gestelde vorderingsrecht van Carpe op zichzelf niet door Scaudit wordt weersproken.

Voorts kan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid indien de aanvrager van het faillissement naar redelijkheid niet tot uitoefening van zijn bevoegdheid om het faillissement aan te vragen had kunnen komen, vanwege de onevenredigheid tussen het belang van de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad. Die situatie kan zich voordoen, indien er geen te executeren vermogen van de schuldenaar is, of binnen afzienbare tijd te verwachten is. Dit onderzoek naar de aanwezigheid van vermogensbestanddelen van de schuldenaar wordt verricht door de curator en in beginsel zal het aan de rechter pas na kennisneming van de uitkomsten van dit onderzoek vrijstaan een verzoek tot faillietverklaring af te wijzen op de grond dat verzoeker misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Een dergelijke afwijzing zal daarom in beginsel alleen in een hoger beroepsprocedure tegen de faillietverklaring mogelijk zijn (Hoge Raad 10 november 2000,

NJ 2001/249).

Naar het oordeel van de rechtbank kan thans niet zonder meer worden vastgesteld dat er geen te executeren vermogen van Scaudit is of zal zijn en (derhalve) dat een faillissement tot geen enkele uitkering aan de schuldeisers zal leiden en ook de faillissementskosten niet zullen kunnen worden voldaan. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een (eigen) belang van Scaudit dat het belang van Carpe tot het aanvragen van het faillissement van Scaudit overschaduwt. De rechtbank voegt daaraan toe dat de geringe omvang van een steunvordering op grond van vaste jurisprudentie niet in de weg hoeft te staan aan het uitspreken van een faillissement. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het verweer van Scaudit dat inhoudt dat Carpe misbruik maakt van haar bevoegdheid door het faillissement van Scaudit aan te vragen.

Op grond van het in raadkamer behandelde is de rechtbank summierlijk gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat Scaudit in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Het faillissement dient dan ook uitgesproken te worden.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart SCAUDIT PROJECT EXPERTISE B.V., voornoemd, in staat van faillissement;

- verstaat dat deze insolventieprocedure een hoofdprocedure is als bedoeld in artikel 3 lid 1 Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.M.F. Holtrop

en stelt aan als curator mr. L.A. van Walree-Brascamp,
advocaat te Voorburg;

- geeft last aan de curator tot het openen van aan gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2017 om 10:00 uur, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Verburg, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.

De behandelend juridisch medewerker is mr. F.M. Verburg.