Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2734

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
nl17.644
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- dublin

- spanje

- geen terkotkomingen

- geen bijzondere omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.644

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 2 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

mede ten behoeve van haar twee minderjarige kinderen,

gemachtigde: mr. N. Vollebergh,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.T. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017, samen met de behandeling van de zaak NL17.645. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Guineese nationaliteit. Op 12 oktober 2016 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een asielvergunning voor bepaalde tijd.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Verweerder legt daaraan het akkoord van 20 december 2016 ten grondslag, waaruit blijkt dat de Spaanse autoriteiten zich akkoord hebben verklaard met het terugnameverzoek van 8 december 2016. Hiermee staat de verantwoordelijkheid van Spanje voor de behandeling van het asielverzoek vast.

3. Eiseres voert – kort samengevat – aan dat er in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, waardoor verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Daarnaast voert eiseres aan dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Spanje zich houden aan internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Spaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Spanje een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden .

5. De rechtbank overweegt dat de in dit verband door eiseres overgelegde berichtgeving van Amnesty International en de website The Local ziet op de Noord-Afrikaanse enclaves in de Spaanse plaatsen Ceuta en Melilla. Eiseres heeft niet toegelicht hoe de inhoud van deze berichtgeving op de situatie van eiseres betrekking heeft. Evenmin biedt het persoonlijk relaas van eiseres aanknopingspunten om aan te nemen dat in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem.

6.
In verband met haar beroep op bijzondere individuele omstandigheden voert eiseres aan dat de biologische vader van haar jongste dochter in Nederland verblijft, en dat verweerder daar onvoldoende rekening mee heeft gehouden. De rechtbank overweegt dat eiseres haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het in beroep overgelegde afschrift van het e-mailbericht van de gestelde vader is onvoldoende om dat als bewijs van deze band aan te merken. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de biologische band niet is aangetoond en dat de omstandigheid daarom geen rol speelt in zijn overweging om geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling genomen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier, op 2 maart 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.