Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2732

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
nl17.610
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- dublin

- duitsland

- onderzoek mensenhandel

- strafblad

- geen tekortkomingen

- geen bijzondere omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.610

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser], eiser

gemachtigde: mr. J.M. Walls,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.T. van Es.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

3. Uit het akkoord in het kader van de Dublinverordening van 23 januari 2017 blijkt dat de Duitse autoriteiten zich akkoord hebben verklaard met het terugnameverzoek van 12 januari 2017. Hiermee staat de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van het asielverzoek vast.

4. In geschil is of eiser hier te lande rechtmatig verblijft waardoor hij niet aan Duitsland kan worden overgedragen en, subsidiair, of verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en of hij op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

5. De rechtbank stelt vast dat eisers stelling, dat hij hier te lande rechtmatig verblijft omdat hij is gehoord in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar mensensmokkel en dit onderzoek nog niet is afgerond, niet is onderbouwd. Weliswaar is eiser op 23 november 2016 als getuige verhoord door ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, maar hieruit volgt geenszins dat eiser daardoor rechtmatig verblijf heeft verkregen. Dit volgt evenmin uit de omstandigheid dat dat onderzoek mogelijk nog niet is afgerond. De rechtbank is van oordeel dat van enige vorm van rechtmatig verblijf of een aanspraak daarop niet is gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eisers stelling dat hij in Duitsland een strafblad heeft en is uitgeprocedeerd maakt niet dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel of dat een overdracht aan Duitsland strijd zal opleveren met artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met het akkoord van 23 januari 2017 is de behandeling van eisers asielverzoek immers gegarandeerd. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

7. De rechtbank overweegt dat verweerder in de zienswijze gemotiveerd is ingegaan op eisers verklaringen uit het aanmeldgehoor. Eiser heeft in zijn zienswijze volstaan met een verwijzing naar de inhoud van het aanmeldgehoor, zonder daarbij concreet aan te geven op welke punten verweerders reactie daarop in het voornemen volgens hem tekortschiet. In beroep stelt eiser vervolgens dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiser aangedragen bijzondere individuele omstandigheden geen aanleiding geven om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Dit is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een voldoende gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Diepenhorst, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier, op 23 februari 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.