Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2722

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
C/09/488894 / HA ZA 15-601
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslag partij merkgoederen. Handhaving merken door eiseres die stelt sublicentienemer te zijn van de merkhouders. Licentie/verlening recht handhaving door merkhouders onvoldoende onderbouwd. In tussenkomst vergoeding schade door beslag, geen wanprestatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/488894 / HA ZA 15-601

Vonnis van 22 maart 2017

in de zaak van

de rechtspersoon naar vreemd recht

UNDERWEAR SOCIETA' A' RESPONSABILITA' LIMITATA,

gevestigd te Corato (Italië),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verweerster in tussenkomst,

advocaat mr. R.A. Baltes te Tilburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OVERSEAS LOGISTICS EUROPE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verweerster in tussenkomst

advocaat mr. R. Sinke te Rotterdam.

en

de rechtspersoon naar vreemd recht

HIGH HOPE INTERNATIONAL GROUP JIANGSU CHAMPION HOLDINGS LTD.,

gevestigd te Nanjing (Volksrepubliek China),

interveniënte,

advocaat mr. A.J. van Steenderen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Underwear, OLE en High Hope genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident tot tussenkomst van 3 februari 2016 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de conclusie van eis in tussenkomst van 16 maart 2016 met producties 1 t/m 12;

  • -

    de conclusie van antwoord in tussenkomst van OLE van 4 mei 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in tussenkomst van Underwear van 4 mei 2016 met producties 23 t/m 32;

  • -

    het tussenvonnis van 25 mei 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van mr. Baltes van 5 september 2016 met productie 33;

  • -

    de akte overlegging producties van High Hope van 6 september 2016 met producties 13 t/m 25;

  • -

    het proces-verbaal van de op 6 september 2016 gehouden comparitie van partijen;

- het op de rol van 21 september 2016 ingekomen verzoek van Underwear tot het nemen van een nadere akte overlegging producties;

- het op dezelfde rol ingekomen verzoek van High Hope om vonnis te wijzen met de gelijktijdige mededeling dat zij bezwaar maakt tegen het nemen van een nadere akte door Underwear;

- het eveneens op dezelfde rol ingekomen verzoek van OLE, met inhoud van gelijke strekking als dat van High Hope;

- de rolbeslissing van 21 september 2016, waarin het verzoek van Underwear om nog een akte overlegging producties te mogen nemen is afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.

1.2.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Underwear is een Italiaanse vennootschap die zich onder meer toelegt op de verkoop van (luxe) merk-onderkleding voor mannen, vrouwen en kinderen.

2.2.

OLE is een Nederlands bedrijf dat zich bezig houdt met logistieke dienstverlening in de transportsector. Zij biedt ook diverse daarmee samenhangende diensten aan, waaronder de opslag van goederen bij derden.

2.3.

High Hope is een Chinees bedrijf dat zich met name toelegt op de import en export. In veel gevallen is zij niet betrokken bij de productie van de goederen die zij exporteert, maar wordt zij door de fabrikant ingeschakeld om de export te regelen.

2.4.

De heer [A] is de merkhouder van de volgende Uniemerken (hierna tezamen: de RB-merken):

- het woordmerk RENATO BALESTRA met inschrijvingsnummer 2732642, ingediend op 12 juni 2002 en geregistreerd op 19 augustus 2003, voor, onder meer, kleding; en

- het hieronder afgebeelde woord/beeldmerk met inschrijvingsnummer 4771069, ingediend op 7 december 2005 en geregistreerd op 16 november 2006, voor onder meer textiel (voor zover geen kleding):

2.5.

De rechtsvoorganger van Underwear als licentienemer en de Italiaanse vennootschap Renato Balestra Haute Couture Srl. (hierna: Balestra Srl ) als licentiegever hebben onder meer op 30 juli 2007 en 31 januari 2013 licentieovereenkomsten getekend met betrekking tot het merk Renato Balestra.

2.6.

De Italiaanse vennootschap Nazareno Gabrielli Srl is de merkhouder van de volgende internationale merkinschrijvingen van de volgende merken, gedesigneerd voor onder andere de Benelux (hierna tezamen: de NG-merken):

- het hieronder afgebeelde woord/beeldmerk met inschrijvingsnummer 435571 voor onder meer kleding (registratie 17 november 1977):

en

- het hieronder afgebeelde woord/beeldmerk met inschrijvingsnummer 517375 voor onder meer textiel (voor zover geen kleding) (registratie 21 oktober 1987):

2.7.

Op 2 maart 2012, althans in 2012, heeft de Italiaanse vennootschap Licensing Srl (als licentiegever) een licentieovereenkomst gesloten met de Italiaanse vennootschap Royalties International di Silvestro Muccillo (hierna: Royalties International) als licentienemer voor “Marchi” (merken).

2.8.

Op 10 april 2012 is door Royalties International als sublicentiegever en (de rechtsvoorganger van) Underwear als licentienemer, een (sub)licentieovereenkomst ondertekend met betrekking tot woord- en beeldmerken van Nazareno Gabrielli. Daarin wordt verwezen naar de licentierechten van Royalties International op grond van de in 2.7 beschreven overeenkomst.

2.9.

In november 2013 en januari, maart en april 2014 heeft Underwear aan de Chinese kledingfabrikant Hebei Xinghongjia Textile Co. Ltd. (hierna: Hebei) “purchase orders” verzonden voor partijen mannenondergoed voorzien van RB- en NG-merken, bestemd voor de wintercollectie 2014/2015. Op de formulieren is als datum van aflevering 30 juni 2014 vermeld. Diezelfde afleverdatum staat op pro forma facturen van Hebei die zijn gericht aan Homewear Srl., een zustervennootschap van Underwear. Die facturen zijn gedateerd 6 december 2013 en vermelden de Italiaanse haven Taranto als ‘port of discharge’. Het bestelde ondergoed is niet in Italië gearriveerd.

2.10.

Op negen bills of lading gedateerd juli en augustus 2014, behorende bij negen containers met, hoofdzakelijk, mannenondergoed, is High Hope vermeld als shipper/exporter. De containers zijn vervoerd vanuit Qingdao, China, naar de haven van Rotterdam, in juli en augustus 2014. De gezamenlijke lading van de negen containers, waarvan een belangrijk deel bestaat uit het door Underwear bij Hebei bestelde, van RB- en NG-merken voorziene, mannenondergoed wordt hierna aangeduid als: de goederen. Verscheping vond plaats door transporteurs Cosco Container Lines CO. Ltd en Evergreen Line (hierna tezamen: de transporteurs). Op de bills of lading is de Nederlandse vennootschap Transport and Customs Trading B.V. (hierna: TCT) aangeduid als “consignee”. De bijbehorende “details packing lists” vermelden eveneens TCT als geadresseerde, terwijl de bij de bills of lading behorende “commercial invoices” zijn gericht aan Underwear.

2.11.

Op 5 september 2014, hebben Homewear en Underwear een volmacht aan mevrouw [X] getekend, luidende:

DELEGATION OF AUTHORITY FORM

We the undersigned, Homewear Srl. (…) and Underwear Srl (…)

AUTHORIZE

Miss. [X] , born on [geboortedatum] in [provincie] (…)

TO BARGAIN AND WITHDRAW

for our behalf, the original documents from the company High Hope. The authorized person, has the completely the authority to represent the two company Homewear Srl and Underwear Srl.”

2.12.

Een document – gesteld in het Chinees – gedateerd op 26 september 2014 bevat de volgende inhoud (in de door High Hope bijgeleverde Engelse vertaling):

“Letter of Confirmation

To: HIGH HOPE INT’L GROUP JIANGSU CHAMPION HOLDINGS LTD

I Myself MR. [Y] (identification number : [nummer] ) is

UNDERWEAR SR.L / HOMEWEAR S.R.L (hereafter called “overseas client” )‘S Authorized Representative, in relation to your esteemed company’s exported nine 9 bills of lading of goods ( bills of lading numbers: (…) ) to negotiate concrete details of T/T

cable release of goods. Through negotiation, I am representing the overseas client to confirm as follows:

Overseas client will before 30 October 2014 in favor of your company’s account ( account

number: (…) ) remit USD 350,000.00,00. After your company has received such USD 350,000.00 please cable release all of the above said nine 9 bills of lading of goods to TRANSPORT AND CUSTOMS TRDING B.V.

Hereby have conformed !

Authorized Representative: signed with signature 26 September, 2014”

2.13.

OLE is in december 2014 benaderd door International Freight Bridge (Shanghai) Ltd., een Chinese logistieke dienstverlener (hierna: IFB), om een bonded warehouse te vinden voor de goederen die op dat moment nog in een terminal bij de Rotterdamse haven stonden, aan welk verzoek zij heeft voldaan.

2.14.

Op 22 april 2015 heeft Underwear, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2015, conservatoir beslag en conservatoir derdenbeslag tot afgifte doen leggen op de goederen onder OLE. In het beslagexploot is vermeld dat beslag is gelegd op in totaal 602.880 stuks onderkleding en 10.392 stuks pyama’s. Omdat de goederen niet zijn ingeklaard in Nederland (T1 status), konden de goederen niet in gerechtelijke bewaring worden genomen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

In de hoofdzaak vordert Underwear in conventie – verkort weergegeven – een verklaring voor recht dat OLE jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede om OLE te veroordelen de inbreuken op de RB- en NG-merken van Underwear te staken, de inbreukmakende zaken aan haar af te geven, opgave te doen van de in de dagvaarding vermelde gegevens, de door haar genoten winst af te dragen of schade te vergoeden aan Underwear, een en ander zo mogelijk op straffe van een dwangsom, met veroordeling van OLE in de proceskosten in de zin van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.2.

Aan deze vordering heeft Underwear het volgende ten grondslag gelegd. OLE maakt inbreuk op de RB- en de NG-merken door identieke waren voorzien van die merken te koop aan te bieden aan afnemers in de EU en daartoe in voorraad te houden. Deze door OLE gehouden goederen betreffen de door Underwear bij Hebei in China gedane bestelling, ten aanzien waarvan was overeengekomen dat deze in juli 2014 in een Italiaanse haven zou arriveren. Underwear heeft (deel-)betalingen voor deze bestelling aan Hebei gedaan. Naar Underwear later is gebleken, is deze bestelling in (circa) negen containers door exporteur High Hope verscheept naar Rotterdam, waarbij de “commercial invoices” zijn gericht aan Underwear, maar “the details packing list” en de cognossementen aan TCT (als consignee). Na aankomst in Rotterdam zijn de goederen in opdracht van High Hope en/of TCT opgeslagen door OLE, die daarna de partij te koop heeft aangeboden en verkocht aan een Nederlands bedrijf, El Toros Benelux BV.

3.3.

Underwear is de exclusieve licentiehouder voor de RB- en NG-merken in de Europese Unie en is krachtens de licentieovereenkomst verplicht om inbreukmakende producten onmiddellijk uit de markt te laten halen. Aan (onder meer) artikel 22 van de Uniemerk Verordening1 (UMVo) ontleent Underwear het recht zich jegens OLE op de RB- en de NG-merken te beroepen. Door inbreuk te maken op de licentierechten van Underwear, handelt OLE onrechtmatig jegens Underwear op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

3.4.

OLE voert gemotiveerd verweer. Zij betwist, voor zover hier van belang, dat Underwear geldige licenties heeft ten aanzien van de door haar ingeroepen merkrechten, en, zo dit al het geval is, dat zij als licentiehouder gerechtigd is om in rechte op te treden.

in reconventie

3.5.

In de hoofdzaak in reconventie vordert OLE – verkort weergegeven – opheffing van de door Underwear ten laste van haar gelegde beslagen en een verklaring voor recht dat Underwear aansprakelijk is voor de door OLE ten gevolge van de onrechtmatige beslaglegging geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Underwear in de proceskosten te begroten conform artikel 1019h Rv.

3.6.

Aan deze vordering heeft OLE het volgende ten grondslag gelegd. OLE is geen partij in het geschil tussen Underwear en High Hope en zij is nooit voornemens geweest de merkproducten te verkopen of in de handel te brengen. Underwear heeft bovendien geen geldige licenties en zij is als licentienemer ook niet gerechtigd tot de gevorderde rechtsmaatregelen. De litigieuze partij goederen betreft bovendien transitogoederen. Om al deze redenen maakt OLE geen inbreuk op de RB- en NG-merken jegens Underwear. De door Underwear ten laste van OLE gelegde beslagen dienen daarom te worden opgeheven en Underwear dient de door OLE ten gevolge van die onrechtmatige beslagen geleden schade aan haar te vergoeden.

3.7.

Underwear voert gemotiveerd verweer.

in tussenkomst

3.8.

High Hope vordert, samengevat, opheffing van de op de goederen gelegde beslagen, althans een gebod aan Underwear om de beslagen op te heffen op straffe van een dwangsom. Ten tweede vordert High Hope een beslagverbod voor de toekomst voor Underwear, op straffe van dwangsommen, en veroordeling van Underwear tot betaling van bedragen van € 172.162,27 en USD 553.017,60, en van aanvullende opslagkosten vanaf week 38, 2015 à € 1.146,80 per week, welke bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met veroordeling van Underwear in de kosten van het geding (zo mogelijk in de zin van 1019h Rv), zowel in de hoofdzaak, in conventie en reconventie, als in het incident, te vermeerderen met de nakosten. High Hope heeft geen vorderingen jegens OLE ingesteld.

3.9.

Hieraan legt zij het volgende ten grondslag. Het beslag van Underwear is onrechtmatig want er is geen rechtsgrond voor. Niet Underwear maar High Hope is eigenaar van de goederen die zich thans in opslag onder OLE bevinden. Zij heeft daartoe een overeenkomst met Hebei gesloten en de koopprijs van de goederen aan Hebei voldaan. Bovendien had Underwear geen recht om beslag te leggen op de goederen, omdat zij geen rechtsgeldige licenties heeft voor de NG- en RB-merken en omdat er geen inbreukmakende handelingen met de goederen hebben plaatsgevonden. Op deze gronden heeft High Hope er recht op en belang bij dat het beslag wordt opgeheven en Underwear een beslagverbod krijgt.

3.10.

Aan haar schadevergoedingsvordering legt High Hope het volgende ten grondslag. High Hope en Underwear hebben op 26 september 2014 een overeenkomst gesloten, waarvan de inhoud blijkt uit het in 2.12 beschreven document. Underwear heeft de overeengekomen prijs van USD 350.000 nimmer betaald, ook niet na aanmaningen daartoe van High Hope, en verkeert derhalve in verzuim. High Hope heeft schade geleden door de toerekenbare tekortkoming van Underwear. Deze bestaat in de eerste plaats uit de marktwaarde van de goederen, die blijkt uit de initieel tussen Underwear en Hebei overeengekomen koopprijs van USD 553.017,60. Dat bedrag omvat tevens door High Hope gederfde winst. Doordat Underwear ten onrechte beslag heeft gelegd, zijn de stallings- en stakosten opgelopen die High Hope heeft moeten. Underwear is aansprakelijk voor de vergoeding daarvan. Deze bedragen tot en met week 37 van 2015 € 172.162,27; dit bedrag dient te worden vermeerderd met de sinds die datum gemaakte kosten.

3.11.

Underwear voert gemotiveerd verweer.

in conventie, reconventie en tussenkomst:

3.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij in het genoemde tussenvonnis in het incident tot tussenkomst en in het tussenvonnis in het bevoegdheidsincident van 30 september 2015 heeft overwogen en beslist.

in conventie

4.2.

OLE betwist dat Underwear geldige licenties heeft voor de RB- en NG-merken. Dat verweer treft doel. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3.

De licentieovereenkomsten waarop Underwear zich beroept, heeft zij uitsluitend in de originele Italiaanse taal overgelegd, terwijl OLE en High Hope reeds in een vroeg stadium in de procedure bezwaar daartegen hebben gemaakt. Daarop heeft Underwear geen beëdigde vertalingen van de betreffende producties overgelegd, maar volstaan met het opnemen van enkele (zelf) vertaalde passages in de processtukken. Van de in 2.7 beschreven overeenkomst zijn bovendien maar twee pagina’s overgelegd. Op deze pagina’s wordt het merk Nazareno Gabriella niet genoemd. De rechtbank kan de exacte inhoud van de gestelde overeenkomsten reeds daarom niet vaststellen.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van het door Underwear omtrent de inhoud van die documenten gestelde, volgt daaruit bovendien niet dat zij geldige licenties van de geregistreerde merkhouders heeft verkregen. De gestelde licentie voor de NG-merken zou aan haar zijn verleend door Royalties International in de in 2.8 beschreven overeenkomst. Volgens Underwear was Royalties International daartoe gerechtigd krachtens de in 2.7 beschreven overeenkomst met Licensing Srl. Underwear stelt2 dat Licensing Srl de merkhouder is. Echter, blijkens de door Underwear overgelegde afschriften van de registraties van de NG-merken is dat Nazareno Gabrielli Srl. Zelfs als aangenomen moet worden dat Licensing Srl (anders dan Underwear zelf stelt) niet de merkhouder is maar een licentienemer van Nazareno Gabrielli Srl., is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk hoe Licensing Srl op haar beurt de bevoegdheid tot het verlenen van een (sub)licentie aan Royalties International heeft verkregen van Nazareno Gabrielli Srl. De blote stelling dat Licensing Srl moet worden vereenzelvigd met de geregistreerde merkhouder Nazareno Gabrielli Srl omdat die partijen op hetzelfde adres gevestigd zijn, is daarvoor onvoldoende. Anders dan Underwear lijkt te betogen, kan zij aan registratie van de licenties bij de Italiaanse belastingdienst geen bewijs ontlenen. Die registratie toont niet aan dat de sublicentiegever daartoe door de merkhouder gerechtigd is.

4.5.

Ook voor de RB-merken heeft Underwear, na de gemotiveerde betwisting door OLE (en High Hope) van de rechtsgeldigheid daarvan, niet toegelicht hoe Balestra Srl ., waarvan zij de licentie heeft gekregen, zelf bevoegd was om een (sub)licentie te verlenen, nu de natuurlijke persoon [A] de geregistreerde merkhouder is. De blote stelling dat Balestra Srl . moet worden vereenzelvigd met de merkhouder omdat de directeur van Balestra Srl . de dochter is van de merkhouder, is daartoe niet toereikend. Anders dan Underwear betoogt, is eveneens onvoldoende dat het een gebruikelijk constructie is dat de merkhouder een natuurlijke persoon is die het merk vervolgens in licentie geeft aan een rechtspersoon. Van die licentie blijkt immers niets in deze zaak.

4.6.

Het voorgaande brengt mee dat Underwear haar stelling dat zij licentiehouder is, gelet op de gemotiveerde betwisting door OLE en High Hope, onvoldoende heeft onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen, bijvoorbeeld door het overleggen van een verklaring van de geregistreerde merkhouders voorafgaand aan de mondelinge behandeling, te meer nu dit een voor haar betoog essentiële stelling is, die ook in het partijdebat centraal staat. Nu Underwear deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, komt de rechtbank aan het bewijsaanbod van Underwear niet toe. Een en ander brengt mee dat de vorderingen van Underwear zullen worden afgewezen.

in reconventie

4.7.

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen, is de grondslag aan het beslag ontvallen. Underwear heeft geen subsidiaire weren gevoerd tegen de vordering van OLE in reconventie tot opheffing van het beslag, zodat die vordering zal worden toegewezen.

4.8.

De gevorderde verklaring voor recht dat Underwear aansprakelijk is voor schade die OLE ten gevolge van het beslag lijdt, is niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat OLE enige schade heeft geleden ten gevolge van het beslag. Integendeel, zij presenteert zich als logistiek dienstverlener die uitsluitend in opdracht en voor rekening van derden, waaronder IFB en High Hope, handelt. Ter zitting heeft OLE verklaard dat zij verdient aan de, door het beslag voortdurende, opslag van de goederen, hetgeen wordt bevestigd door High Hope. Bij deze stand van zaken heeft OLE de mogelijkheid van schade onvoldoende aannemelijk gemaakt om een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat of een verklaring voor recht daaromtrent toe te kunnen wijzen.

Proceskosten in conventie, reconventie en in het bevoegdheidsincident

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Underwear veroordeeld in de proceskosten in conventie. OLE vordert proceskosten conform artikel 1019h Rv, echter zonder opgave te doen van de door haar gemaakte proceskosten. De kosten aan de zijde van OLE tot op heden worden dan ook vastgesteld volgens het liquidatietarief, en wel op € 904 (2 punten à € 452, volgens tarief II) wegens salaris van de advocaat en € 613 aan griffierecht; in totaal derhalve op € 1.517.

4.10.

In reconventie bestaat aanleiding om de kosten te compenseren zoals in het dictum vermeld, nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld.

4.11.

In het bevoegdheidsincident wordt OLE als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. Aan de zijde van Underwear worden deze kosten tot op heden vastgesteld op € 452 aan advocaatkosten.

in tussenkomst

4.12.

De vorderingen van High Hope in tussenkomst zijn uitsluitend gericht tegen Underwear. Bij de vordering tot opheffing van het beslag heeft High Hope niet langer belang, nu de vordering in reconventie van OLE al wordt toegewezen.

4.13.

De vordering om Underwear te verbieden om in de toekomst op de goederen beslag te leggen ten laste van OLE, High Hope of een derde, zal worden afgewezen. De daarvoor door High Hope aangevoerde grondslag, te weten dat zij door de gestelde tekortkoming in de nakoming van Underwear’s verplichtingen reeds aanzienlijke schade heeft geleden, kan deze ruime en in tijd, plaats nog grondslag beperkte, vordering niet dragen.

4.14.

Stellende dat Underwear haar verplichting uit de overeenkomst van 26 september 2014 om USD 350.000 aan haar te betalen niet is nagekomen en ter zake in verzuim verkeert, vordert High Hope vergoeding van de schade die zij dientengevolge heeft geleden.

4.15.

Underwear betwist in de eerste plaats dat er op 26 september 2014 rechtsgeldig een overeenkomst tot stand is gekomen tussen High Hope en Underwear. Degene die de overeenkomst namens Underwear heeft ondertekend, de heer [Y] (hierna: [Y] ), was niet bevoegd Underwear te vertegenwoordigen en Underwear acht zich dan ook niet gebonden aan die overeenkomst.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat op de vraag of [Y] bevoegd was Underwear te vertegenwoordigen, Chinees recht van toepassing is op grond van artikel 11 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag van 1978, omdat (de Volksrepubliek) China het land is van vestiging van [Y] en bovendien het land is waar hij heeft gehandeld met High Hope, die ook in China is gevestigd.

4.17.

High Hope heeft gesteld dat zij onder de omstandigheden van het onderhavige geval uit mocht gaan van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Y] , omdat hij de echtgenoot is van mevrouw [X] , aan wie Underwear blijkens het in 2.11 beschreven document een volmacht heeft gegeven om haar te vertegenwoordigen. Underwear bestrijdt dat dat tot vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Y] leidt, en voorts bestrijdt zij dat de volmacht aan [X] ruim genoeg was om deze overeenkomst te sluiten. Volgens Underwear was die volmacht beperkt tot handelingen voor een andere transactie (van zustervennootschap Homewear) en was [X] op basis van die volmacht niet bevoegd om de in 2.12 beschreven overeenkomst te sluiten.

4.18.

High Hope heeft niet nader gemotiveerd waarom het naar het toepasselijke Chinese recht zo is dat [Y] bevoegd was om Underwear te vertegenwoordigen, op de enkele grond dat zijn echtgenote een volmacht van Underwear had. Ook heeft High Hope niet gemotiveerd dat die volmacht naar Chinees recht aldus uitgelegd moet worden, dat die tevens de bevoegdheid tot het sluiten van de overeenkomst van 26 september 2014 omvatte. Gelet op de weren van Underwear, die zij reeds bij conclusie van antwoord in tussenkomst heeft gevoerd zodat van tardieve weren geen sprake is, had dat wel op haar weg gelegen. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat er tussen High Hope en Underwear een overeenkomst tot stand is gekomen met de door High Hope gestelde inhoud. Van niet-nakoming daarvan is reeds daarom geen sprake, zodat de vordering tot schadevergoeding vanwege niet-nakoming van een overeenkomst daarop afstuiten.

4.19.

De rechtbank begrijpt de stellingen van High Hope aldus, dat zij aan de vordering tot betaling van schadevergoeding bestaande uit stakosten van de containers en opslagkosten bij OLE mede de onrechtmatigheid van het beslag ten grondslag heeft gelegd. Voor deze vordering geldt het volgende. De opheffing van het beslag brengt dat Underwear gehouden is om de daardoor bij High Hope, die als shipper op de bills of lading vermeld is, veroorzaakte schade te vergoeden vanaf het moment van beslaglegging op 22 april 2015, tot aan het moment van de opheffing van het beslag. De stakosten (gesteld op € 141.471,50) zijn gemaakt voordat het beslag is gelegd, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor de opslagkosten die zijn gemaakt voor 22 april 2015. Slechts de stallingkosten vanaf 22 april 2015 zijn een voorzienbaar gevolg van het beslag. Ter onderbouwing van de omvang van die kosten heeft High Hope geen facturen of betalingsbewijzen overgelegd, maar slechts een e-mail van OLE van 8 september 2015 met daarop een overzicht van openstaande facturen met betrekking tot de stalling die nog niet betaald zijn, ter hoogte van € 1.146,80 per week. Niet duidelijk is op welke periode dat overzicht betrekking heeft. Underwear heeft, bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing, betwist dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt of verschuldigd zijn. OLE heeft bij conclusie van antwoord in tussenkomst een aantal facturen in het geding gebracht van haar aan IFB, die zien op de verhuur van opslagruimte (Warehouse rent 488 pallets x € 2.25). Het daar genoemde bedrag aan stallingskosten bedraagt € 1.098 per week. Bij het ontbreken van een nadere onderbouwing van de stallingskosten door High Hope – in het bijzonder is van enige gestelde opslag op de stallingskosten die IFB zou berekenen niet gebleken – stelt de rechtbank de bij wijze van schade ten gevolge van het beslag door High Hope geleden en nog te lijden schade vast op € 1.098 per week. Underwear zal worden veroordeeld om dit bedrag aan High Hope te betalen over de duur van het beslag, te weten vanaf week 27/2015 tot en met de week waarin het beslag wordt opgeheven. De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag zal worden toegewezen zoals gevorderd, vanaf de datum van het instellen van de vordering in tussenkomst, dat wil zeggen vanaf 16 maart 2016.

4.20.

Nu partijen in tussenkomst over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de kosten in tussenkomst, die van het incident tot tussenkomst daaronder begrepen, compenseren zoals in het dictum vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Underwear in de proceskosten, aan de zijde van OLE tot op heden begroot op € 1.517;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

heft op het op 22 april 2015 ten laste van OLE gelegde conservatoir beslag tot afgifte van de goederen;

5.5.

verklaart het vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de proceskosten in reconventie, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in tussenkomst

5.8.

veroordeelt Underwear tot betaling aan High Hope van een bedrag van € 1.098,00 per week vanaf week 27 van het jaar 2015 tot en met de week waarin het beslag wordt opgeheven, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 maart 2016 tot de dag van volledige betaling;

5.9.

verklaart het vonnis in tussenkomst tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.11.

compenseert de proceskosten in tussenkomst, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het bevoegdheidsincident

5.12.

veroordeelt OLE in de proceskosten, aan de zijde van Underwear tot op heden begroot op € 452;

5.13.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

1 ​Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (de Uniemerkverordening)

2 Conclusie van antwoord in tussenkomst onder 41.