Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2679

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
C/09/525879 / KG ZA 17/111
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Schadevergoedingsmaatregel, Vordering strekkende tot een verbod de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen afgewezen. Het CJIB heeft gehandeld in overeenstemming met de Aanwijzing executie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/525879 / KG ZA 17/111

Vonnis in kort geding van 17 maart 2017

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in de PI [locatie],

eiser,

advocaat mr. V.T.E. Kuijpers te Capelle aan den IJssel,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.H.K. Jansen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 9 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij (onherroepelijk geworden) vonnis van de rechtbank Dordrecht van 17 oktober 2002 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor – kort gezegd – oplichting (meerdere malen gepleegd), flessentrekkerij en vernieling. Daarbij is aan hem ook een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van in totaal € 49.183,87 ten behoeve van vijftien benadeelde partijen (hierna te noemen: de eerste schadevergoedingsmaatregel).

2.2.

Bij (onherroepelijk geworden) vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2006 is aan [eiser] een gevangenisstraf opgelegd en is gelast dat [eiser] ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden voor – kort gezegd – oplichting (meerdere malen gepleegd) en flessentrekkerij. Ook daarbij is aan hem een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van in totaal € 23.454,34 ten behoeve van negen benadeelde partijen (hierna: de tweede schadevergoedingsmaatregel).

2.3.

De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen is op respectievelijk 12 februari 2003 en 4 oktober 2006 overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).

2.4.

Vanaf 2003 heeft het CJIB getracht de schadevergoedingsmaatregelen te incasseren. Daarbij zijn diverse malen betalingsregelingen getroffen (elf voor de eerste schadevergoedingsmaatregel en acht voor de tweede schadevergoedingsmaatregel), die door [eiser] niet (volledig) zijn nagekomen. Gedurende het incassotraject is [eiser] drie keer failliet verklaard (namelijk i) op 29 augustus 2006, dit faillissement is op 10 juli 2007 opgeheven, ii) op 7 juli 2009, dit faillissement is op 29 maart 2011 opgeheven, en iii) op 30 september 2014, dit faillissement is op 14 juli 2015 opgeheven). De echtgenote van [eiser] (waarmee [eiser] in gemeenschap van goederen gehuwd is) is op 24 mei 2012 failliet verklaard, dit faillissement is op 18 maart 2014 opgeheven. Gedurende het incassotraject zijn diverse malen aanmaningen gestuurd en er zijn meerdere malen (waarschuwing) arrestatiebevelen verstrekt.

2.5.

[eiser] ondergaat sinds 24 juni 2016 de vervangende hechtenis van de tweede schadevergoedingsmaatregel en zal aansluitend met ingang van 1 mei 2017 de vervangende hechtenis van de eerste schadevergoedingsmaatregel ondergaan.

2.6.

Op 6 februari 2017 bedroeg het totale openstaande bedrag voor de eerste schadevergoedingsmaatregel € 53.292,60 en voor de tweede schadevergoedingsmaatregel € 24.898,21.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – te bepalen dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] door de vervangende hechtenis te executeren en de Staat te verbieden tot tenuitvoerlegging van het executiebevel over te gaan, althans deze tenuitvoerlegging te schorsen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] is pas in februari 2016 voor het eerst aangeschreven door het CJIB in verband met de schadevergoedingsmaatregelen. Aan [eiser] is toen niet meer toegestaan een betalingsregeling te treffen en evenmin is uitstel van betaling verleend, omdat de zaken al aan de penitentiaire inrichting (hierna: pi) waren aangeboden om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. Aan [eiser] wordt onrecht aangedaan, althans zijn verblijf in de pi gaat niet bijdragen aan betaling van de nog openstaande bedragen. Mede door zijn detentie is [eiser] financieel niet in staat (geweest) de openstaande bedragen te voldoen, daarvoor zal hij in vrijheid moeten worden gesteld. Aangezien sprake is van betalingsonmacht en aangezien [eiser] nooit de mogelijkheid heeft gehad om tot betaling van het openstaande bedrag te komen (al dan niet in de vorm van een betalingsregeling) dient [eiser] te worden aangemerkt als een schrijnend geval en is als gevolg daarvan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis onrechtmatig. Het CJIB moet alsnog een betalingsregeling met [eiser] treffen – [eiser] biedt aan om na zijn vrijlating een bedrag van € 1.000,= per maand te kunnen en willen betalen – en in afwachting daarvan moet de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis worden geschorst. Het CJIB heeft zich richting [eiser] onzorgvuldig en onrechtmatig opgesteld, reden waarom de vervangende hechtenis in ieder geval moet worden opgeschort.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Aangezien [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor zover de vordering van [eiser] een verklaring voor recht omvat, deze niet voor toewijzing vatbaar is en zal worden afgewezen. Zoals door de Staat ook terecht is aangevoerd leent een kort geding, waarin een voorlopige voorziening kan worden getroffen, zich niet voor toewijzing van een verklaring voor recht.

4.3.

Ten aanzien van de vordering strekkende tot een verbod om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen, althans de tenuitvoerlegging te schorsen overweegt de voorzieningenrechter dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, zoals in dit geval de aan [eiser] opgelegde schadevergoedingsmaatregel, niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Bovendien moet een schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 561, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zo spoedig mogelijk ten uitvoer worden gelegd.

4.4.

Het CJIB is belast met de tenuitvoerlegging van schadevergoedingsmaatregelen. De wijze waarop het CJIB dit doet is neergelegd in de Aanwijzing executie (Staatscourant 2014, nummer 37617, datum inwerkingtreding 1 januari 2015 (hierna: de Aanwijzing)). Conform vaste jurisprudentie is de werkwijze zoals neergelegd in de Aanwijzing als zodanig niet onrechtmatig. Voorts heeft het CJIB bij de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vervangende hechtenis, binnen de kaders van de wet en de Aanwijzing, grote beleidsvrijheid en kunnen zijn beslissingen slechts marginaal getoetst worden.

4.5.

Het beleid, zoals neergelegd in de Aanwijzing, houdt, kort samengevat, in dat het CJIB in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat een verzoek daartoe alleen op grond van bijzondere omstandigheden gehonoreerd kan worden. De termijn waarbinnen volledige betaling van de schadevergoedingsmaatregelen moet zijn gerealiseerd is in dat geval in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan deze termijn tot 36 maanden worden verlengd, mits aannemelijk is dat binnen de afgesproken termijn aan de gehele vordering kan worden voldaan. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van die termijn van 36 maanden worden afgeweken (zie bijlage 3, onder 3 en 9 van de Aanwijzing), waarbij nog steeds het uitgangspunt geldt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening binnen een redelijke termijn. Indien de inning en/of het verhaal niet succesvol kan worden afgesloten, wordt overgegaan van de inningsfase naar de incassofase en wordt een arrestatiebevel uitgevaardigd.

4.6.

De Staat heeft gemotiveerd betwist dat hij [eiser] – zoals gesteld in de dagvaarding – voor het eerst in 2016 over de schadevergoedingsmaatregelen heeft aangeschreven en heeft uitvoerig toegelicht hoe het incassotraject vanaf maart 2003 is verlopen (zoals verkort weergegeven onder 24.). [eiser] heeft dit gemotiveerde betoog van de Staat niet betwist, zodat de voorzieningenrechter van de juistheid daarvan uitgaat. De stelling dat [eiser] voor het eerst in 2016 over de schadevergoedingsmaatregelen is aangeschreven en dat het onzorgvuldig en onrechtmatig is om hem vervolgens niet meer in de gelegenheid te stellen een betalingsregeling te treffen en direct de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen, wordt derhalve gepasseerd.

4.7.

Uit de toelichting van de Staat over het verloop van het incassotraject volgt dat aan [eiser] voordat tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is overgegaan meerdere malen eerste, respectievelijk tweede aanmaningen zijn gestuurd, dat betalingsregelingen zijn getroffen en dat – nadat verhaal via de deurwaarder niet zinvol bleek – meerdere malen (waarschuwings) arrestatiebevelen zijn uitgevaardigd. Deze handelswijze van het CJIB is conform hetgeen daaromtrent in de Aanwijzing (in artikel 4.2.2 en 4.2.3) is bepaald en derhalve niet als onrechtmatig aan te merken.

4.8.

De stelling van [eiser] dat bij hem geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht werpt geen ander licht op de zaak. De regeling omtrent de schadevergoedingsmaatregel is neergelegd in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Deze regeling behelst onder meer dat de strafrechter die de schadevergoedingsmaatregel oplegt, gehouden is vervangende hechtenis te bepalen voor het geval geen of onvolledige betaling of verhaal plaatsvindt. Hieruit volgt reeds dat de hechtenis ook ten uitvoer wordt gelegd in situaties waarin de veroordeelde niet aan de maatregel kan voldoen. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat zulks door de wetgever onder ogen is gezien (zie o.a. ook HR 20 juni 2000, NJ 2000, 634). Daar komt bij dat ingevolge vaste jurisprudentie het gebrek aan draagkracht onder (uitzonderlijke) omstandigheden reden kan zijn voor de strafrechter om af te zien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, terwijl de situatie zich daarvoor in beginsel wel leent (zie o.a. HR 19 juni 2007, LJN:AZ8788). Hiervan uitgaande lag het op de weg van [eiser] om destijds in de desbetreffende strafzaak hierop een beroep te doen. In dit kort geding moet er in ieder geval van worden uitgegaan dat de strafrechter destijds rekening heeft kunnen houden met het (eventuele) financiële onvermogen van [eiser]. Vast staat dat de strafrechter in dit geval geen aanleiding heeft gezien af te zien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, zodat uitgegaan moet worden van de onherroepelijke uitspraak (die ten uitvoer moet worden gelegd, vgl onder 4.3). Aan [eiser] moet worden toegegeven dat de huidige detentie niet zal bijdragen aan de mogelijkheden van [eiser] om de schadevergoedingsmaatregel te voldoen, maar dat kan vorenstaande niet anders maken. Bezien in het licht van het vorenstaande moet dit negatieve gevolg van de detentie voor rekening en risico van [eiser] komen.

4.9.

De omstandigheid dat het CJIB thans niet meer bereid is een nieuwe betalingsregeling met [eiser] te treffen, althans om de vervangende hechtenis te schorsen om [eiser] in de gelegenheid te stellen een regeling te treffen en na te komen kan, tot slot, evenmin als onrechtmatig worden aangemerkt. Het CJIB heeft reeds veelvuldig betalingsregelingen met [eiser] getroffen, die door [eiser] echter telkens niet (volledig) zijn nagekomen. Dat het CJIB ten aanzien van het treffen van een betalingsregeling in het verleden niet heeft gehandeld conform hetgeen daaromtrent in de Aanwijzing is bepaald of dat aan [eiser] geen maatwerk is geboden is niet aannemelijk geworden. Daar komt bovendien nog bij dat het CJIB conform de Aanwijzing ook geen betalingsregelingen meer accepteert als een (waarschuwings)arrestatiebevel is uitgevaardigd, of als reeds vervangende hechtenis wordt ondergaan. Ook dit onderdeel van het in de Aanwijzing neergelegde beleid is, conform vaste jurisprudentie, niet als onrechtmatig aan te merken.

4.10.

Slotsom is dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat het [eiser] vrijstaat om, ondanks het feit dat geen betalingsregeling is getroffen, betalingen te doen en dat deze betalingen de termijn van vervangende hechtenis – zoals de Staat ook heeft gesteld – dan doen verminderen. Gebleken is bovendien dat [eiser] zich in de afgelopen periode heeft ingespannen met benadeelden in de eerste schadevergoedingsmaatregel zelf een betalingsregeling overeen te komen. Het CJIB heeft deze benadeelden inmiddels aangeschreven en de Staat heeft toegezegd dat het CJIB de executie van het betreffende deel van de schadevergoedingsmaatregel (waarvan de tenuitvoerlegging op 1 mei 2017 aanvangt) zal staken (en aldus de nog ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis zal verminderen) indien de betreffende benadeelden aan het CJIB bevestigen dat inderdaad sprake is van een betalingsregeling. Dit is ook conform het in de Aanwijzing neergelegde beleid, waarin in artikel 4.2.2 is bepaald dat het CJIB de inning en incasso van de schadevergoedingsmaatregel definitief staakt wanneer het slachtoffer zelf afspraken maakt met de veroordeelde omtrent de betaling van de vordering.

4.11.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.

idt