Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2658

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
16/29375
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf (Eritrea)

- Familierechtelijke relatie tussen eiser en referent onvoldoende aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/29375

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2016 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiser afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn verschenen [broer/referent] , de gestelde broer van eiser (hierna: referent), alsmede [neef] en [oudtante] , de gestelde neef respectievelijk oudtante van eiser. Als tolk is verschenen A. Solomon, tolk in de taal Tigrinya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van Heerenbeek. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 11 november 2015 heeft referent een aanvraag tot het verlenen van een mvv aan zijn jongere broer, zijnde eiser, met als doel ‘verblijf als familie- gezinslid’ ingediend. Ter onderbouwing van deze familieband heeft referent in bezwaar een kopie van een op eiser betrekking hebbende registratieformulier van de UNHCR overgelegd, waarin als geboortedatum van eiser [geboortedatum] is vermeld.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie van broers tussen referent en eiser niet met documenten is onderbouwd. Voor zover er al zo’n relatie kan worden aangenomen, is niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en referent, de zogenaamde 'more than the normal emotional ties'. Niet gebleken is daarom van een te beschermen familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Op grond van artikel 2p, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een mvv worden verleend aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

Op grond van artikel 2q, eerste lid, Vw kan een mvv worden geweigerd als ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2p, eerste lid, Vw.

4. Eiser voert in beroep aan dat de familierechtelijke relatie tussen hem en referent voldoende is aangetoond door het overgelegde registratieformulier van de UNHCR. Uit deze registratie blijkt dat de door eiser verstrekte gegevens overeenstemmen met hetgeen door referent is verklaard. In de zaken met V-nummers [nummer] en [nummer] zijn mvv-aanvragen wel ingewilligd, waarbij ook enkel een UNHCR-kaart is overgelegd. Eiser voert verder aan dat sprake is van bewijsnood. In Eritrea is het zeer moeilijk om aan de juiste documenten te komen, waarbij eiser wijst op diverse algemene bronnen. Eiser stelt voldoende inspanningen te hebben verricht om documenten te verkrijgen. Referent heeft na het nader gehoor nog geprobeerd contact te krijgen met zijn ouders, hetgeen niet is gelukt. In een brief van 19 april 2016 is namens referent vermeld dat hij het Rode Kruis heeft verzocht om zijn familieleden te traceren, maar dit verzoek kon niet worden ingewilligd om veiligheidsredenen. Eiser beroept zich verder op artikel 8 van het EVRM en de Gezinsherenigingsrichtlijn.

5. Verweerder heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat uit het overgelegde registratieformulier van de UNHCR niet blijkt van een familierechtelijke relatie tussen betrokkenen. Evenmin is aangetoond dat referent – bijvoorbeeld door tussenkomst van andere familie, of achtergebleven vrienden of kennissen – in het land van herkomst heeft getracht documenten te verkrijgen die de familierechtelijke relatie aantonen. Ook is niet aangetoond dat het onmogelijk is om aan dergelijke documenten te komen.

6. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de gestelde familierechtelijke band van broers tussen eiser en referent niet is aangetoond, de rechterlijke toets kan doorstaan. Daartoe wordt het volgende overwogen.

7. Gezien de aard van de aanvraag is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij verblijf wenst bij iemand die daadwerkelijk een familie- of gezinslid, in dit geval een broer, van hem is. Eiser heeft immers verklaard een jongere broer van referent te zijn. Uit het overgelegde registratieformulier van de UNHCR blijkt niet dat er sprake is van de gestelde familierechtelijke relatie tussen referent en eiser, nog daargelaten dat eisers geboortedatum in dit document een andere is dan in de onderhavige procedure is gesteld. Hoogstens zegt dit document iets over eisers identiteit, maar niet over diens familierelatie met referent. De omstandigheid dat uit de registratie blijkt dat de door eiser verstrekte gegevens overeenstemmen met hetgeen door referent is verklaard, is onvoldoende om uit te gaan van een relatie van broers tussen beiden.

Eiser heeft niet onderbouwd dat de door hem genoemde zaken met V-nummers [nummer] en [nummer] overeenkomen met zijn situatie, zodat zijn (impliciete) beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat hij de familieband voldoende heeft onderbouwd met de overgelegde doopakte. Uit deze doopakte blijkt niet van de gestelde familierelatie van broers. Niet valt te verifiëren of de informatie op de doopakte juist is. Voorts kan die niet worden vergeleken met bijvoorbeeld een doopakte van referent. Ook hetgeen de gestelde neef en oudtante ter zitting hebben verklaard over de familierelatie van broers tussen eiser en referent, is onvoldoende om deze relatie aannemelijk te achten, omdat die verklaringen op geen enkele wijze zijn onderbouwd.

8. De rechtbank is onvoldoende gebleken dat eiser in bewijsnood verkeert om een identiteitskaart, paspoort of andere relevante documenten uit Eritrea te verkrijgen om de gestelde familierelatie te onderbouwen. Het ligt op eisers weg om aannemelijk te maken dat hij in bewijsnood verkeert. Hierbij mag van eiser en referent worden verwacht dat zij aannemelijk maken dat zij serieuze pogingen hebben ondernemen om relevante documenten te verkrijgen. Hoewel uit de informatie waar eiser op wijst, blijkt dat het verkrijgen van dergelijke documenten in de praktijk moeizaam is, is niet met stukken onderbouwd dat hij en referent, vanuit het buitenland of via derden, pogingen hebben ondernomen tot verkrijging van de benodigde documenten. De enkele omstandigheid dat het Rode Kruis een traceringsverzoek niet in behandeling heeft genomen, omdat het verzoek niet voldoet aan de door deze organisatie gehanteerde criteria, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. De overgelegde verklaringen van een medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland, een maatschappelijk werkster en van referent, alsmede hetgeen ter zitting is verklaard door de gestelde neef en oudtante van eiser en referent, zijn evenmin voldoende voor een geslaagd beroep op bewijsnood, nu deze verklaringen niet zijn onderbouwd middels controleerbare en verifieerbare stukken. De rechtbank merkt daarbij op dat eisers gestelde neef ter zitting heeft verklaard dat verschillende familieleden van hem, waaronder zijn moeder, in Asmara wonen en dat niet onaannemelijk is dat de desbetreffende familieleden aldaar relevante informatie kunnen verkrijgen. Gesteld, noch gebleken is dat eiser deze familieleden heeft ingeschakeld om relevante documenten te verkrijgen. In dit verband is mede van belang dat namens verweerder ter zitting gemotiveerd is aangevoerd dat in Asmara mogelijk is om documenten over personen uit heel Eritrea te verkrijgen. Volgens referent heeft hij wel met zijn voormalige buren in Eritrea telefonisch contact gehad over verkrijging van documenten, maar dat van hen daarna niets meer is vernomen. Ook deze actie van referent is niet onderbouwd.

9. Verweerder wordt gevolgd in het standpunt dat er voor hem geen aanleiding om voor het (laten) verrichten van DNA-onderzoek. Eiser heeft immers niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en is niet gebleken van bewijsnood.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gezien het voorgaande, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is dat tussen eiser en referent sprake is van een familierelatie van broers. Uitgaande hiervan heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een gezins- of familieleven tussen eiser en referent als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Hieruit volgt voorts dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van de op de Gezinsherenigingsrichtlijn betrekking hebbende beroepsgrond.

11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.