Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2650

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
17/1303
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht, in afwijking van eerdere jurisprudentie van deze rechtbank, in het geval dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (voortaan) de enkele mededeling van de gemachtigde dat er nog contact is met de vreemdeling op zichzelf onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Bij de beoordeling of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog prijs stelt op een inhoudelijke behandeling van zijn beroep en daarmee of er nog sprake is van procesbelang, kunnen verschillende aspecten een rol spelen. De weging van de omstandigheden is afhankelijk van de concrete aspecten van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1303

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1988, van Iraanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 9 februari 2017 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser sinds

24 januari 2017 met onbekende bestemming is vertrokken.

De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser vervolgens bij brief van 10 februari 2017 gevraagd om nadere informatie te verschaffen.

De gemachtigde van eiser heeft geantwoord bij brief van 10 februari 2017.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of er in de onderhavige zaak sprake is van procesbelang. De rechtbank overweegt hiertoe dat na een melding van vertrek met onbekende bestemming, waarvan in de onderhavige zaak sprake is, de vooronderstelling geldt dat een vreemdeling niet langer prijs stelt op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep door de rechtbank. Het ligt dan op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling onjuist is en daarmee dat er nog sprake is van procesbelang.

2. De rechtbank overweegt dat zij, in afwijking van eerdere jurisprudentie van deze rechtbank, in het geval dat een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt uit de opvang (voortaan) zal oordelen dat de enkele mededeling van de gemachtigde dat er nog contact is met de vreemdeling op zichzelf onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Bij de beoordeling of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog prijs stelt op een inhoudelijke behandeling van zijn beroep kan naar het oordeel van de rechtbank onder meer een rol spelen op welk moment de gemachtigde van de betrokken vreemdeling voor het laatst contact heeft gehad met de vreemdeling, of de gemachtigde in staat is met de vreemdeling contact op te nemen, waarom de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken indien hij het verzoek om een voorlopige voorziening mocht afwachten, waar de vreemdeling verblijft en waarom hij verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van zijn verblijfplaats, alsmede het verschijnen ter zitting bij de rechtbank. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat het bovenstaande geen limitatieve opsomming is van omstandigheden die bij de beoordeling van het procesbelang een rol kunnen spelen en dat de weging van de omstandigheden afhankelijk is van de concrete aspecten van de zaak.

3. In het onderhavige geval heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank afdoende aannemelijk gemaakt dat hij prijs stelt op de beoordeling van het beroep. Daartoe acht de rechtbank van doorslaggevende betekenis dat eiser – zoals door verweerder ter zitting is bevestigd – het verzoek om een voorlopige voorziening niet mocht afwachten en de opvang diende te verlaten. Ter zitting is niet duidelijk geworden of eiser de opvang heeft verlaten alvorens hij te horen heeft gekregen dat deze werd beëindigd of na deze mededeling. Nu verweerder hierover geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen en eiser de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening blijkens het bestreden besluit, omdat het een herhaalde aanvraag betreft, niet mocht afwachten, leidt het verlaten van de opvang op zichzelf niet tot de vooronderstelling dat eiser geen prijs stelt op de beoordeling van zijn beroep. Ook is relevant dat de gemachtigde van eiser schriftelijk heeft verklaard dat hij na de melding van verweerder dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, een bespreking met eiser heeft gehad op het kantoor van de gemachtigde. Verder heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij eiser per mail en telefonisch kan bereiken en dus in staat is met hem contact op te nemen en daarvoor dus niet afhankelijk is van eiser. Tot slot hebben eiser en zijn gemachtigde tijdig aangegeven dat zij niet ter zitting zullen verschijnen omdat zij beiden geen aanvullende standpunten naar voren wensen te brengen en geen nadere informatie kunnen verschaffen.

4. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank over gaan tot een inhoudelijke behandeling van het beroep. Aan de orde is de vraag of verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel met toepassing van artikel 4:6 van de Awb niet in behandeling heeft kunnen nemen.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser eerder, op 5 december 2014, een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 26 februari 2015 afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Het door eiser ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, bij uitspraak van 24 maart 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:1946) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 april 2015 (201502611/1/V3) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het door eiser ingestelde hoger beroep bevestigd. Op 30 april 2015 is eiser overgedragen aan Frankrijk.

6. Op 28 september 2016 heeft eiser de onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning asiel ingediend. Daarbij heeft eiser een beroep gedaan op het arrest Ghezelbash van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 2016 (ECLI:EU:C:2016:409), waaruit volgens hem blijkt dat de toepassing van de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening (Vo 604/2013) aan de orde gesteld kan worden. Volgens eiser is er in dit geval sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Gebleken is dat hij in Frankrijk geen adequate opvang zal krijgen en dat daarom ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar zijn eigen ervaringen in Frankrijk en naar het Country Report: France van AIDA van december 2015. Daarnaast heeft hij verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:7189), en zittingsplaats Amsterdam, van 7 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:8383). Hierin heeft de rechtbank overwogen dat verweerder zich, zonder nadere informatie over de opvangvoorzieningen in Bordeaux, niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdelingen – die na overdracht in Bordeaux zouden worden opgevangen – bij overdracht aan Frankrijk geen risico liepen op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Volgens eiser dient verweerder zich ervan te vergewissen dat hij in Frankrijk in aanmerking komt voor adequate opvang. Dat geldt eveneens voor de opvang in Lyon, waar eiser na overdracht zal worden geplaatst. Daarbij is volgens eiser mede van belang dat hij gezien zijn homoseksualiteit moet worden aangemerkt als kwetsbare asielzoeker in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland (nr. 29217/12).

7. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb. Volgens verweerder heeft eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb aangevoerd.

8. De rechtbank stelt voorop dat reeds bij besluit van 26 februari 2015 is besloten dat Nederland het asielverzoek van eiser niet in behandeling neemt omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015 in rechte vast komen te staan. In beginsel staat dus vast dat Nederland de aanvraag niet in behandeling neemt. Daarvan kan slechts worden afgeweken als sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die nopen tot een ander oordeel.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid, nu dit op voorhand niet kan leiden tot een ander oordeel dan is neergelegd in het besluit van 26 februari 2015. Verder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd nog altijd niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het door eiser aangehaalde AIDA-rapport blijkt weliswaar dat er in Frankrijk onvoldoende normale opvangplaatsen zijn om alle asielzoekers te huisvesten, maar uit het rapport blijkt tevens dat Frankrijk noodopvang heeft gerealiseerd. Bovendien is volgens het rapport in 2015 de opvang uitgebreid en is verdere uitbreiding gepland in 2016 en 2017. Deze uitbreiding betreft zowel opvangplaatsen in reguliere opvangcentra als noodvoorzieningen. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat, indien eiser problemen ondervindt in Frankrijk ten aanzien van opvangmogelijkheden of de asielprocedure, hij zich kan wenden tot de daartoe aangewezen autoriteiten. Niet gebleken is dat deze autoriteiten niet kunnen of willen helpen.

10. Voor zover eiser stelt dat verweerder gehouden is om de Franse autoriteiten om garanties te vragen alvorens hem over te dragen, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de opvangsituatie in Frankrijk vergelijkbaar is met die in Italië, zoals beschreven in het arrest Tarakhel tegen Zwitserland. Al hierom is er geen grond voor het oordeel dat verweerder garanties als bedoeld in dat arrest van de Franse autoriteiten dient te verkrijgen alvorens eiser kan worden overdragen en dat overdracht zonder dergelijke garanties een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest met zich brengt.

11. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtens relevante nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. De rechtbank is verder niet gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die aanleiding zouden geven om de aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, en mr. J.L.M. Dohmen en mr. M.G.P.A. Burghoorn, leden, in aanwezigheid van mr. F.T.H. Langeweg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.