Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:2631

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
AWB 16/16190
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel. Aan eiser is een afgeleide verblijfsvergunning verleend. Hij procedeert door om een zelfstandige verblijfsvergunning te verkrijgen. Er zijn geen achtergebleven gezinsleden en eiser heeft aangegeven dat zijn belang erin is gelegen dat hem op een later moment de formele rechtskracht van de afwijzing van een zelfstandige verblijfsvergunning kan worden tegengeworpen als hij daar nu niet tegen opkomt. Geen procesbelang; zoals door verweerder is bevestigd kan alsnog een asieltoets plaatsvinden mocht de huidige vergunning ooit worden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/16190

V-nummer: [volgnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 februari 2017 in de zaak tussen

[de man] ,

geboren op [geboortedatum] 1990, staatloos, eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Hamerslag),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 8 september 2015 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ingewilligd.

Op 19 juli 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig H. Al-Salihi, tolk in de Arabische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is Nederland op 8 september 2015 ingereisd en heeft diezelfde dag onderhavige asielaanvraag ingediend. Op 15 september 2015 heeft een eerste gehoor plaatsgevonden, waarna op 17 september 2015 een Dublingehoor heeft plaatsgevonden. Vervolgens heeft op 7 oktober 2015 een aanvullend gehoor plaatsgevonden en op 24 november 2015 een nader gehoor. Op 12 februari 2016 heeft nogmaals een aanvullend gehoor plaatsgevonden.

2. Bij brief van 12 april 2016 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om de religieuze huwelijksakte van [datum] en de toestemmingsverklaring van [datum] 2015 door Bureau Documenten op echtheid te laten onderzoeken. Eiser heeft hiervan gebruik gemaakt. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat over de echtheid van de documenten geen uitspraak kan worden gedaan, niet kan worden vastgesteld door wie de documenten zijn opgemaakt, of deze zijn afgegeven door een daartoe bevoegde instantie en of ze inhoudelijk juist zijn.

3. De echtgenote van eiser, [de vrouw] , geboren op [datum] 1992, staatloos, als Palestijnse afkomstig uit Syrië, is met ingang van 6 februari 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Deze verblijfsvergunning is geldig tot 6 februari 2021.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een afgeleide verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 verleend vanwege de aan zijn echtgenote verleende verblijfsvergunning asiel. Deze verblijfsvergunning is geldig van 6 februari 2016 tot 6 februari 2021. Tevens is in het bestreden besluit vermeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000.

5. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte geen voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag kenbaar heeft gemaakt en dat hierdoor sprake is van strijd met de rechtszekerheid. Daarnaast voert eiser aan dat hij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder miskent de uitzonderlijke situatie in Libanon. Eisers vader is als vluchteling toegelaten tot de Verenigde Staten en andere familieleden zijn toegelaten als vluchteling tot Zweden. De oom van eiser aan zijn vaders kant is als [functie] vermoord. Verweerder had moeten onderzoeken of er sprake is van ‘guilty by association’. Verder heeft verweerder ten onrechte overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Eiser heeft documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging in Libanon. Verweerder heeft de verklaringen van eiser dat hij een communist is, getuige was van de moord op zijn neef en andere op hem gepleegde aanslagen ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Er is sprake van een zeer oppervlakkig onderzoek door verweerder omdat ook andere documenten van eiser onderzocht hadden moeten worden. Naar de mening van eiser is in strijd gehandeld met hetgeen volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak M.A. tegen Zwitserland (nr. 52589/13) van 18 november 2014.

6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep en overweegt daartoe als volgt.

6.1

Een belanghebbende kan bij de ter zake bevoegde rechter slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel belang heeft, in die zin dat hij daardoor in een gunstiger positie zou kunnen geraken. In dit kader ziet de rechtbank zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of eiser een zodanig belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

6.2

Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat er geen achtergebleven gezinsleden zijn. Ook heeft eiser aangegeven dat hij geen ander belang heeft, dan dat hem op een later moment de formele rechtskracht van de afwijzing van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 kan worden tegengeworpen als hij daar nu niet tegen opkomt.

6.3

Blijkens de wetsgeschiedenis (de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998/1999, 26 732, nr. 3, p. 3-6 en de Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 27 732 nr. 7, p. 36-44) is bij de totstandbrenging van de Vw 2000 onderkend dat, indien aan een verblijfsvergunning, naar gelang de in artikel 29 van de Vw 2000 onderscheiden verleningsgronden, uiteenlopende aanspraken worden ontleend, belang bestaat bij het opkomen tegen een beschikking tot verlening daarvan, teneinde een verblijfsvergunning op een andere grond te verkrijgen. Ook komt uit die wetsgeschiedenis ondubbelzinnig naar voren dat de wetgever zulk doorprocederen heeft willen uitsluiten. Om dit tegen te gaan heeft de wetgever gekozen voor een stelsel, waarbij voor wat betreft asiel slechts sprake is van één ongedeelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die weliswaar op uiteenlopende gronden kan worden verleend, maar waaraan, ongeacht de grond waarop deze rust, dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend.

6.4

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0140) moet op grond van het wettelijk stelsel, zoals dat de wetgever voor ogen heeft gestaan en diens bedoeling om procederen voor een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, op een andere grond zoveel mogelijk te voorkomen, ervan worden uitgegaan dat het besluit, waarbij de vreemdeling een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarbij is beslist dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de grond genoemd onder a, van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Procesbelang kan ontstaan als de verblijfsvergunning wordt ingetrokken dan wel niet wordt verlengd.

6.5

De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat voornoemde rechtspraak niet zou gelden voor de situatie van de desbetreffende vreemdeling, waarin een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is verleend en tevens is beslist dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden genoemd onder a en b van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever nog steeds het doorprocederen voor een andere status wil uitsluiten. In de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Vw 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening (Kamerstukken II 2011-2012, 33 293, nr. 3, p. 3) is nogmaals aangegeven dat het onwenselijk is dat het door verweerder ingevoerde stelsel van een uniforme asielstatus, waarmee het doorprocederen wordt voorkomen, wordt doorbroken.

6.6

Dat verweerder, anders dan voorheen, een beperkte motivering van de afwijzing van de gronden genoemd onder a en b van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 in het bestreden besluit heeft opgenomen, is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met artikel 3.121a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Deze beperkte motivering betekent op zichzelf niet dat eiser daaraan belang bij een door hem bij de rechtbank ingesteld beroep tegen het inwilligende besluit kan ontlenen. Dat belang ontstaat wel als verweerder op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 tot intrekking dan wel niet-verlenging van de hem verleende verblijfsvergunning besluit. Op dat moment kan eiser de motivering van de beslissing om de verblijfsvergunning niet op de a of b-grond te verlenen ten volle aan de orde stellen zonder dat hem daarbij wordt tegengeworpen dat het besluit in zoverre in rechte is komen vast te staan. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1625. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat hij het beleid voert dat als de afgeleide verblijfsvergunning van eiser wordt ingetrokken of niet wordt verlengd alsnog ex tunc én ex nunc wordt gekeken of eiser als verdragsvluchteling kan worden aangemerkt of dat bij uitzetting sprake is van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6.7

Gelet op het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen procesbelang. Dat betekent dat de rechtbank niet inhoudelijk naar de zaak zal kijken, omdat gebleken is dat eiser niet in een materieel betere positie kan komen.

7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. van Breenen-van der Zee, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvBvdZ

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.